GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Uitspraak : 2 maart 2016 Zaaknummer : 200.181.802/01 Rekestnummer rechtbank : JE RK 15-2444 Zaaknummer rechtbank : C/10/482399 De raad voor de kinderbescherming te Rotterdam, verzoeker in hoger beroep, hierna te noemen: de raad, tegen [verzoekster] , wonende te [woonplaats] , verweerster in hoger beroep, hierna te noemen: de moeder, advocaat mr. G.H. Amstelveen te Capelle aan den IJssel. Als belanghebbende zijn aangemerkt: 1. [belanghebbende] , wonende op een geheim adres, hierna te noemen: de pleegmoeder (van [minderjarige] ), advocaat mr. G.A.M. Jansen te Zoetermeer, 2. de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering te Amsterdam, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling. PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP De raad is op 14 december 2015 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 14 september 2015 van de rechtbank Rotterdam. De moeder heeft op 14 januari 2016 een verweerschrift ingediend. Bij het hof is voorts het volgende stuk ingekomen: van de zijde van de raad: - op 7 januari 2016 een brief van 6 januari 2016 met bijlagen. De zaak is op 22 januari 2016 mondeling behandeld. Ter zitting waren aanwezig: mevrouw [naam 1] en mevrouw [naam 2] namens de raad; de moeder, bijgestaan door haar advocaat; de pleegmoeder, bijgestaan door haar advocaat, en mevrouw [naam 3] namens de gecertificeerde instelling. Ter terechtzitting is namens de moeder nog een stuk, inhoudende een aanvulling op het aan het verweerschrift gehechte (e-mail) verslag van Ouder Kind Rijnmond (ASVZ), overgelegd. Daartegen is door de raad en de overige belanghebbenden verder geen bezwaar gemaakt, zodat het hof dit stuk bij de beoordeling zal betrekken. PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking. Bij die beschikking heeft de rechtbank het verzoek van de raad om het gezag van de moeder over de minderjarigen: [minderjarige 1] , en [minderjarige 2] , hierna gezamenlijk ook te noemen: de minderjarigen, te beëindigen en de gecertificeerde instelling tot voogd over de minderjarigen te benoemen, afgewezen. Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht. BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP 1. In geschil is de beëindiging van het gezag over de minderjarigen van de moeder. 2. De raad verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en het verzoek tot beëindiging van het ouderlijk gezag van de moeder over de minderjarigen alsnog toe te wijzen. De gecertificeerde instelling heeft zich bereid verklaard om de voogdij over de minderjarigen op zich te willen nemen. 3. De moeder verweert zich daartegen en verzoekt het hof het ingestelde hoger beroep af te wijzen en (naar het hof begrijpt:), opnieuw beschikkende, de bestreden beschikking te bekrachtigen. 4. Namens de raad wordt het standpunt ingenomen dat in de onderhavige zaak het verzoek tot een gezagsbeëindigende maatregel is ingediend na overweging en beoordeling van alle omstandigheden van het geval waaronder het feit dat de aanvaardbare termijn is verstreken. De raad acht de moeder namelijk niet in staat om op een voor de minderjarigen aanvaardbare termijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding te dragen. De minderjarigen zijn beiden sinds juli 2010 uit huis geplaatst. De moeder heeft een verstandelijke beperking en onvoldoende pedagogische vaardigheden en er is sprake van kindeigen problematiek bij de minderjarigen, met name bij [minderjarige 2] . Vast staat en dat is ook niet door de moeder bestreden, dat er geen perspectief op terugplaatsing bestaat en dat daar derhalve ook niet meer naar toegewerkt gaat worden. De wetgever is heel duidelijk; in de memorie van toelichting is aangegeven dat als het gaat om een langdurige pleeggezinplaatsing de ondertoezichtstelling niet de meest passende kinderbeschermingsmaatregel is, maar er zou moeten worden overgegaan tot een beëindiging van het ouderlijk gezag. Uit de rechtspraak komt verder naar voren dat, als thuisplaatsing niet meer tot de mogelijkheden behoort, onzekerheid over het opvoedingsperspectief bij een jaarlijkse verlenging van de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing blijft voortduren. Bij voortzetting van de huidige maatregelen wordt het verblijf van de minderjarigen jaarlijks ter discussie gesteld, waardoor onmiskenbaar sprake zal zijn van een terugkerende onrust en spanning bij de minderjarigen. Daar komt nog bij dat [minderjarige 2] over nog geen twee jaar twaalf jaar wordt waardoor zij bij elke jaarlijkse verlenging zal worden opgeroepen voor verhoor. Namens de raad wordt betwist dat de moeder zich heeft neergelegd bij het feit dat het perspectief van de minderjarigen niet bij haar ligt. Zij heeft recentelijk nog de wens te kennen gegeven in de toekomst voor minimaal één kind te mogen zorgen. De moeder ziet daarbij niet in wat voor effect dit heeft op de minderjarige. Gewezen wordt ook op artikel 3 van het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind en het belang van een kind bij continuïteit van de opvoedingssituatie en een ongestoord hechtingsproces. 5. De moeder betoogt dat onduidelijk is op welke wijze de raad alle omstandigheden van het geval bij zijn overweging en beoordeling voorafgaand aan de indiening van het verzoek tot een verderstrekkende maatregel heeft betrokken. De moeder stelt dat het verzoek louter lijkt te zijn ingediend op de grond dat de aanvaardbare termijn is verstreken. De moeder heeft berust in het feit dat de minderjarigen niet meer bij haar zullen wonen en heeft de kinderrechter in eerste aanleg zelfs beloofd dat zij niet meer met de minderjarigen spreekt over het komen wonen bij haar. De moeder stelt zich meewerkend op, hetgeen door alle partijen - waaronder de gecertificeerde instelling - wordt beaamd. Bovendien is bij handhaving van de bestaande situatie geen sprake van een kind dat ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd met als gevolg dat er geen goede grond is voor beëindiging van het ouderlijk gezag van de moeder. Het is niet zo dat, indien ouders binnen een voor de ontwikkeling van een kind aanvaardbare termijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van hun kind niet op zich kunnen nemen, de maatregel tot beëindiging van het gezag genomen dient te worden. Deze maatregel kan in deze gevallen in overweging worden genomen, bij welke besluitvorming alle omstandigheden betrokken dienen te worden. De moeder is het niet eens met de stelling van de raad dat met een jaarlijkse verlenging van de huidige maatregelen, het verblijf van de minderjarigen telkens ter discussie zal worden gesteld en om die reden een steeds terugkerende onrust en spanning bij de minderjarigen teweeg zal brengen. Tot op heden is dit niet het geval geweest en voor de minderjarigen is het juist duidelijk dat zij in de toekomst niet meer bij de moeder zullen wonen. De moeder betwist verder dat de minderjarigen in hun ontwikkeling worden bedreigd. De moeder is van mening dat de bedreiging voor de ontwikkeling van de minderjarigen juist zal ontstaan op het moment dat haar het gezag ontnomen wordt. De moeder vraagt zich af waarom niet wordt ingezet op een vrijwillige plaatsing. De bedreiging van de minderjarigen zou verder bestaan uit het onvermogen van de moeder om ook met begeleiding zelfstandig voor de minderjarigen te zorgen; welke stelling door de raad echter verder niet wordt onderbouwd. 6. De gecertificeerde instelling heeft zich ter zitting - kort samengevat - geschaard achter het verzoek van de raad. De gecertificeerde instelling erkent weliswaar dat de moeder de afgelopen periode een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt, doch zij wijst erop dat de moeder in het verleden een ambivalente houding heeft laten zien. Vanuit de gecertificeerde instelling wordt erop gewezen dat zeer binnenkort een kennismakingsgesprek zal plaatsvinden met een mogelijk nieuw pleeggezin voor [minderjarige 2] en dat de moeder al voor dit gesprek haar bezwaren betreffende de woonplaats van dit gezin heeft aangegeven. De moeder kan deze bezwaren mogelijk overbrengen op de minderjarigen, hetgeen hen nadeel kan opleveren. De duidelijkheid die een gezagsbeëindigende maatregel kan bieden, is in het belang van de minderjarigen, aldus de gecertificeerde instelling. 7. Het hof stelt voorop dat de rechter ingevolge artikel 1:266 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) het gezag van een ouder kan beëindigen, indien: a.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.