ECLI:NL:GHDHA:2016:2031
GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer: 200.183.042/01 Zaak/rekestnummer rechtbank: C/09/486070/HA RK 15-137 Beschikking van 12 juli 2016 inzake de Stichting Compensatieregeling Grenspomphouders “De Grens Bereikt!”, gevestigd in Den Haag, verzoekster, hierna te noemen: de Stichting, advocaat: mr. D.J.A. van den Berg te Den Haag, tegen de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën), zetelende in Den Haag, verweerster, hierna te noemen: de Staat, advocaat: mr. W.I. Wisman te Den Haag.
Het geding Bij beroepschrift (met producties), binnengekomen ter griffie van het hof op 31 december 2015, is de Stichting in hoger beroep gekomen van de beschikking die de rechtbank Den Haag op 5 oktober 2015 tussen partijen heeft gegeven. De Stichting heeft vier bezwaren tegen de beschikking geformuleerd. De Staat heeft die bezwaren bij verweerschrift bestreden. Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling voor het hof op 23 mei 2016 hebben partijen hun standpunten door hun advocaten doen toelichten. Mr. Van den Berg heeft zijn daarbij gebruikte aantekeningen overgelegd. Daarna is uitspraak gevraagd.
De beoordeling van het hoger beroep 1. Het gaat in dit geschil om het volgende.
1.1.
In elk geval per 1 januari 2014 heeft de Staat de accijns op diesel en LPG verhoogd. Houders van tankstations in de grensstreek stellen dat hun inkomsten (onder meer) ten gevolge hiervan en ten gevolge van een eerdere BTW- verhoging dramatisch zijn teruggelopen, omdat automobilisten sedertdien massaal in België en Duitsland gaan tanken en wegblijven bij de Nederlandse grenspompstations. Volgens de Stichting heeft de Staat onrechtmatig gehandeld door bij de accijnsverhoging af te zien van een compensatieregeling voor de pomphouders in de grensstreek, die door de verhoging onevenredig zwaar zijn getroffen.
1.2.
De Stichting, die voor een 70-tal, merendeels zelfstandige grenspomphouders een compensatieregeling tracht te bewerkstelligen, wil, alvorens een bodemprocedure tegen de Staat aan te spannen via de weg van een preprocessuele comparitie van partijen als bedoeld in art. 1018a Rv. tot een vergelijk met de Staat komen. Zij heeft daarom de rechtbank verzocht de Staat op grond van art. 1018a Rv. te bevelen ter zitting te verschijnen teneinde een overeenkomst als bedoeld in art. 7:907, lid 1 BW te beproeven.
1.3.
Na verweer van de Staat heeft de rechtbank het verzoek afgewezen. De rechtbank overwoog dat bij de mondelinge behandeling van het verzoek duidelijk is geworden dat de Staat onder geen beding bereid is te praten over een regeling. Tegen deze overweging richt de Stichting haar eerste bezwaar (a). De rechtbank overwoog ook dat de Staat betwist onrechtmatig te hebben gehandeld en naar het oordeel van de rechtbank dient eerst over de principiële kwestie, te weten of (onder meer) de accijnsverhogingen als onrechtmatig moeten worden gekwalificeerd jegens de grenspomphouders, een beslissing te worden genomen, alvorens kan worden gesproken over een eventuele schadevergoeding dan wel compensatie. Hiertegen richt de Stichting haar volgende twee bezwaren (b en c). Tot slot overwoog de rechtbank dat daarbij komt dat de Staat aanvoert dat ten aanzien van iedere individuele grenspomphouder de schadeomvang moet worden vastgesteld, welk standpunt de rechtbank niet onlogisch voorkomt en dat dat de totstandkoming van een collectieve schikking in ieder geval niet eenvoudiger maakt. Het laatste bezwaar (d) van de Stichting betreft deze overweging.
Ingevolge art. 358, lid 1 Rv. staat tegen eindbeschikkingen in zaken ingeleid met een verzoekschrift hoger beroep open. De rechtbank heeft met de bestreden beslissing in deze verzoekschriftprocedure een eindbeschikking gegeven. Dat met de eindbeschikking geen bindende eindbeslissing is gegeven over inhoudelijke geschilpunten tussen partijen staat niet in de weg aan het hoger beroep tegen die beschikking. De Stichting wordt dus ontvangen in het hoger beroep.
Voor zover de Staat betoogt dat een partij aldus - in strijd met het beginsel van contractvrijheid - wordt gedwongen tot het aangaan van een schikking, faalt dat betoog. Het gelasten van een preprocessuele comparitie brengt immers geen verplichting van partijen tot het treffen van een regeling met zich. Daar komt bij dat het bereiken van een schikking, zo leert de Memorie van Toelichting ook, niet het enige doel van een preprocessuele comparitie is. Indien een collectieve schikking uitblijft, kan in de comparitie een eventuele collectieve actie gestructureerd worden of een procesplan worden opgesteld waarin overeenstemming wordt bereikt over de weg naar de beëindiging van het geschil of van één of meer geschilpunten.
De rechter zou (aldus nog steeds de Memorie van Toelichting) kunnen assisteren bij de formulering van de belangrijkste geschilpunten. De Stichting heeft in hoger beroep onder meer de mogelijkheid geopperd dat in opdracht van beide partijen een deskundige wordt benoemd die onafhankelijk onderzoek doet naar de gevolgen van de aangevallen maatregelen voor de pomphouders. Reeds voor het onderzoeken van die mogelijkheid is een preprocessuele comparitie naar het oordeel van het hof een geschikt instrument, zodat het feit dat de Staat niet bereid is over een schikking te praten geen reden kan zijn van het gelasten van een dergelijke comparitie af te zien.
Beslissing Het hof:
Deze beschikking is gewezen door mrs. A. Dupain, J.J. van der Helm en M.E. Honée en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 juli 2016 in aanwezigheid van de griffier.