GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht meervoudige kamer nummer BK-15/00364 Uitspraak d.d. 5 juli 2016 in het geding tussen: [X] , wonende te [Z] (Frankrijk), belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Rotterdam, de Inspecteur, op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag (hierna: de Rechtbank) van 26 maart 2015, nummer SGR 14/10307, betreffende de hierna vermelde aanslag en beschikking. Aanslag, beschikking, bezwaar en geding in eerste aanleg 1.1. De Inspecteur heeft aan belanghebbende een voorlopige aanslag erfbelasting opgelegd ten bedrage van € 7.358. Gelijktijdig is bij beschikking een bedrag van € 307 aan heffingsrente in rekening gebracht. 1.2. Belanghebbende heeft tegen de beschikking bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar is de beschikking gehandhaafd. 1.3. Belanghebbende heeft hiertegen beroep bij de Rechtbank ingesteld. Ter zake daarvan is € 45 griffierecht geheven. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Loop van het geding in hoger beroep 2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Ter zake daarvan is € 123 griffierecht geheven. 2.2. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 2.3. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 24 mei 2016, gehouden te Den Haag. Partijen zijn verschenen. Ter zitting zijn tevens behandeld de hoger beroepen van [A] , met kenmerk BK-15/00361 en van [B] , met kenmerk BK-15/00360 betreffende de, aan ieder van hen, bij beschikking in rekening gebrachte heffingsrente inzake de opgelegde voorlopige aanslag erfbelasting. Voor zover in die zaken door partijen stukken zijn overgelegd, worden die stukken geacht ook in de onderhavige procedure te zijn overgelegd. Tevens wordt hetgeen door partijen in die zaken voor het overige is aangevoerd, aangemerkt als te zijn aangevoerd in de onderhavige zaak. Van het verhandelde ter zitting is één proces-verbaal opgemaakt. Feiten 3.1. De heer [Y] , erflater, is overleden [in] 2012. Hij was tot aan zijn overlijden gehuwd met mevrouw [C] . Uit dit huwelijk zijn drie kinderen geboren, te weten: 1. de heer [B] , 2. mevrouw [D] , overleden op [in] 2010, met achterlating van drie kinderen te weten: a. de heer [E] ; b. de heer [F] ; c. mevrouw [X] (belanghebbende); 3. mevrouw [A] . 3.2. De onder 1 en 3 vermelde kinderen van erflater zijn ieder voor een derde deel gerechtigd tot de nalatenschap. Zijn vorenvermelde drie kleinkinderen zijn gezamenlijk tot een derde deel van de nalatenschap gerechtigd. 3.3. De Inspecteur heeft, met dagtekening 15 mei 2014, aan ieder van vijf hiervoor vermelde erfgenamen een voorlopige aanslag erfbelasting opgelegd, en heeft bij beschikking heffingsrente in rekening gebracht. 3.4. Na afwijzing van de tegen de beschikkingen gemaakte bezwaren heeft de gemachtigde van belanghebbende, in één geschrift namens de vijf erfgenamen beroep ingesteld tegen de beslissingen van de Inspecteur waarin de bezwaren van de erfgenamen inzake de beschikkingen heffingsrente ongegrond zijn verklaard. De Rechtbank heeft het in één geschrift ingediende beroep gesplitst in vijf afzonderlijke beroepen en van ieder van de erven griffierecht geheven. Het geschil en het feitencomplex is in alle vijf zaken identiek. 3.5. De Rechtbank heeft het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard en tevens geoordeeld dat terecht van belanghebbende, gelet op het bepaalde in artikel 8:41 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), griffierecht is geheven. De Rechtbank heeft ten aanzien van alle vijf erven eenzelfde besluit genomen. 3.6. De gemachtigde van belanghebbende heeft in één geschrift namens de vijf erfgenamen hoger beroep ingesteld tegen de beslissingen van de Rechtbank. Daarbij heeft de gemachtigde van belanghebbende verzocht om voeging van de procedure in de onderhavige zaak met die van de zaken van de andere erfgenamen met procedurenummers BK-15/00360, BK-15/00362, BK-15/00363 en BK-15/00364. Geschil in hoger beroep en standpunten van partijen 4.1. In hoger beroep is in geschil of de in rekening gebrachte heffingsrente tot een juist bedrag is vastgesteld. Het geschil spitst zich toe op de vraag of het gehanteerde rentepercentage te hoog is, hetgeen belanghebbende stelt doch de Inspecteur betwist. Voorts is in geschil of terecht van iedere erfgenaam griffierecht is geheven. 4.2. Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen, wordt verwezen naar de gedingstukken. Conclusies van partijen 5.1. Het hoger beroep van belanghebbende strekt tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en van de uitspraak op bezwaar en tot vermindering van de beschikking heffingsrente gebaseerd op een percentage van twee, en voorts tot vermindering van het griffierecht, in die zin dat ten aanzien van de procedures van de vijf erven slechts éénmaal griffierecht wordt geheven. 5.2. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. Oordeel van de Rechtbank 6. De Rechtbank heeft – voor zover hier van belang - omtrent het geschil het volgende overwogen: "4. [Belanghebbende] heeft niet betwist dat [de Inspecteur] de belastingrente heeft berekend met inachtneming van het bepaalde in hoofdstuk VA van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en de daaruit voortvloeiende rentepercentages. Ook anderszins is niet gebleken dat de heffingsrente op een verkeerd bedrag is vastgesteld. 5. Anders dan [belanghebbende] kennelijk meent staat het [de Inspecteur] niet vrij om van de onder 4 genoemde wettelijke regeling af te wijken en in plaats daarvan een ander percentage toe te passen dat meer zou aansluiten op de rente voor staatsobligaties. Ook de bestuursrechter kan hiervan niet afwijken. Dat, volgens [belanghebbende], de in rekening gebrachte rente onredelijk hoog is, kan hem niet baten. Het is de rechter ingevolge artikel 11 van de Wet algemene bepalingen immers niet toegestaan de innerlijke waarde of de billijkheid van wettelijke bepalingen als zodanig te toetsen, behoudens voor zover de wettelijke regeling in strijd zou zijn met een ieder verbindende verdragsbepalingen. Gesteld noch gebleken is dat dit in onderhavige zaak het geval is. 6. Artikel 8:41, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) luidt, voor zover hier van belang, als volgt: 1. Van de indiener van het beroepschrift wordt door de griffier een griffierecht geheven. (…) 3. Indien het een beroepschrift tegen twee of meer samenhangende besluiten dan wel van twee of meer indieners tegen hetzelfde besluit betreft, is eenmaal griffierecht verschuldigd. Aan de parlementaire geschiedenis van artikel 8:41, eerste lid, van de Awb kan worden ontleend dat de wetgever met deze bepaling heeft beoogd dat, indien beroep is ingesteld door twee of meer indieners ter zake van twee of meer besluiten die zijn genomen ten aanzien van hen afzonderlijk, voor de indiening van het beroepschrift door elk van die indieners griffierecht is verschuldigd. Slechts indien twee of meer indieners één beroepschrift indienen ter zake van hetzelfde besluit is eenmaal griffierecht verschuldigd (vgl. Kamerstukken II 1993/94, 23 780, nr. 3, blz. 5 t/m 6, en Kamerstukken II 1994/95, 23 780, nr. 8, blz. 2 t/m 3). In dit verband is met 'indiener' bedoeld degene die voor zichzelf beroep instelt, respectievelijk namens wie beroep wordt ingesteld (ECLI:NL:HR:2010:BO7505). 7. Gelet op het feit dat onderhavig beroepschrift is ingediend namens vijf erfgenamen en dit beroepschrift is gericht tegen aan ieder van hen afzonderlijk opgelegde rentebeschikkingen, is geen sprake van een beroepschrift dat is gericht tegen hetzelfde besluit, als bedoeld in artikel 8:41, derde lid, van de Awb. Er is daarom terecht van [belanghebbende] griffierecht geheven. 8. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond verklaard." Beoordeling van het hoger beroep Ten aanzien van de heffingsrente 7.1. Belanghebbende heeft in hoger beroep geen feiten en omstandigheden gesteld die in eerste aanleg nog niet zijn aangevoerd en evenmin argumenten gebezigd die een zodanig nieuw licht op het onderhavige geschil werpen, dat op grond daarvan de conclusie kan worden getrokken dat beslissing van de Rechtbank op het punt van de heffingsrente onjuist is. Dit leidt tot het oordeel dat de Rechtbank terecht en op goede gronden tot haar oordelen is gekomen. Het Hof acht de zienswijze van de Rechtbank en de gronden waarop deze zienswijze berust, juist en maakt deze tot de zijne. Ten aanzien van het griffierecht 7.2. In de zaken met de kenmerknummers BK-15/00362 en BK-15/00363 van de mede-erfgenamen [E] en [F] heeft het Hof in zijn uitspraken van 23 februari 2016 voor zover van belang – overwogen en geoordeeld: 4.4. (…) Ingevolge artikel 8:41, eerste lid van de Awb wordt van de indiener van het beroepschrift door de griffier een griffierecht geheven. Het derde lid van artikel 8:41 Awb bestrijkt twee situaties, te weten (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.