GERECHTSHOF DEN HAAG Zaaknummer : DH 39-2016Zaaknummer hoofdzaak : 200.181.753/01 Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakings- en verschoningsverzoeken d.d. 5 juli 2016 inzake het schriftelijk verzoek tot wraking, als bedoeld in artikel 36 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), in de hoofdzaak met genoemd zaaknummer van: [Verzoekster], wonende te [woonplaats], verzoekster,hierna te noemen [verzoekster], advocaat: [verzoekster] te [woonplaats]. Het geding 1. [Verzoekster] heeft op 23 mei 2016 een schriftelijk verzoek tot wraking (met producties) ingediend tegen mr. J.W. Hoekzema, rolraadsheer in het hof Amsterdam, en de achterliggende, [verzoekster] onbekende, zittingscombinatie, alsmede tegen eventuele andere, [verzoekster] onbekende, betrokken rolraadsheren voor zover deze betrokken zijn geweest bij een tweetal beslissingen d.d. 10 respectievelijk 18 mei 2016. Bij brief d.d. 6 juni 2016 heeft [verzoekster] een verschrijving in het wrakingsverzoek hersteld. 2. Bij beslissing tot verwijzing van 3 juni 2016 heeft de wrakingskamer van het hof Amsterdam in het kader van de ‘pilot externe wrakingskamer’ de wrakingszaak op grond van artikel 62b van de Wet op de rechterlijke organisatie ter verdere behandeling verwezen naar de wrakingskamer van dit hof. 3. De wrakingskamer van het hof Den Haag heeft de mondelinge behandeling van het verzoek aanvankelijk bepaald op 8 juni 2016. Wegens verhindering van [verzoekster], is de mondelinge behandeling van het verzoek vervolgens bepaald op 24 juni 2016. [Verzoekster] en mr. Hoekzema zijn van de behandeling op deze datum op de hoogte gebracht. Aan [verzoekster], die bij e-mailbericht d.d. 7 juni 2016 alsmede bij brief d.d. 15 juni 2016 zonder opgaaf van redenen heeft meegedeeld op 24 juni 2016 eveneens verhinderd te zijn, is in de oproep voor de behandeling op 24 juni meegedeeld dat, gelet op de omstandigheid dat een wrakingsverzoek uit zijn aard een spoedeisend karakter heeft, het niet mogelijk is met de door haar opgegeven verhindering verder rekening te houden. Haar is de gelegenheid geboden schriftelijk nader te reageren. 4. Mr. Hoekzema heeft in zijn schriftelijke reactie van 7 juni 2016 aangegeven niet in de wraking te berusten. Voorts heeft mr. Hoekzema meegedeeld de mondelinge behandeling van het verzoek niet te zullen bijwonen. 5. De wrakingskamer heeft het verzoek op 24 juni 2016 ter openbare terechtzitting behandeld. [Verzoekster] is niet verschenen. Mr. Hoekzema is, zoals aangekondigd, evenmin verschenen. De wrakingskamer constateert dat [verzoekster] voor de behandeling behoorlijk is opgeroepen en van de behandeling op de hoogte is. Van de geboden gelegenheid om het verzoek nader schriftelijk toe te lichten is door [verzoekster] geen gebruik gemaakt. Het wrakingsverzoek 6. Het wrakingsverzoek is in de kern gericht tegen de rolbeslissingen van 10, 18 en (naar het hof begrijpt) 20 mei 2016 van rolraadsheer mr. Hoekzema (en eventuele andere betrokken (rol)raadsheren) tot – kort gezegd – voortgang in de hoofdzaak. Deze voortgang was gelast nadat een eerder wrakingsverzoek van [verzoekster] (indertijd tegen rolraadsheer Toorman) door de wrakingskamer van dit hof op 15 april 2016 (zaaknummer DH 32-2016) was afgewezen (en later bij beslissing van 20 mei 2016 was verbeterd in de zin van artikel 31 Rv). De wrakingsgronden waarop [verzoekster] zich beroept houden kort samengevat in dat genoemde voortgangsbeslissingen ten onrechte zijn genomen omdat genoemde wrakingsbeslissing van 15 april 2016 nietig is en het hof Amsterdam pas een rolbeslissing kan nemen als geoordeeld is over de nietigheid van deze wrakingsbeslissing, hetgeen nog niet is gebeurd. De rolbeslissingen, zo stelt [verzoekster], zijn immers afhankelijk van de uitkomst van de (nietigheids)procedure bij het hof Den Haag. Deze voortgangsbeslissingen geven daarom aanleiding om te vrezen dat rolraadsheer mr. Hoekzema (en eventuele andere betrokken (rol)raadsheren) niet onpartijdig zijn/vooringenomenheid koesteren, althans dat de bij [verzoekster] dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. 7. Mr. Hoekzema heeft niet in de wraking berust. De schriftelijke reactie van mr. Hoekzema kan worden samengevat als volgt: Na ontvangst van de wrakingsbeslissing van 15 april 2016 is de zaak - na overleg door een medewerkster van de griffie van het hof Amsterdam met mr. Hoekzema - naar de rol van 24 mei 2016 verwezen voor het nemen van een akte door [verzoekster]. Bij fax van 10 mei 2016 heeft de betreffende medewerkster van de griffie dit aan partijen meegedeeld. Deze rolverwijzing is een beslissing die onder de verantwoordelijkheid van mr. Hoekzema als rolraadsheer is gegeven. Op 18 mei 2016 heeft [verzoekster] het hof Amsterdam verzocht te laten weten waarom de zaak naar de rol is verwezen voordat het hof Den Haag duidelijkheid heeft gegeven over haar beroep op nietigheid van de wrakingsbeslissing van 15 april 2016. Op verzoek van mr. Hoekzema heeft meergenoemde medewerkster van de griffie van het hof Amsterdam daarop bij brief d.d. 18 mei 2016 gereageerd en, onder verwijzing naar jurisprudentie, meegedeeld dat de procedure in de hoofdzaak dient te worden voortgezet. [Verzoekster] heeft vervolgens verzocht om heroverweging van de bij brief d.d. 18 mei 2016 meegedeelde beslissing. Dat verzoek en de overige door [verzoekster] in verband daarmee gedane verzoeken heeft mr. Hoekzema bij rolbeslissing d.d. 20 mei 2016 afgewezen. Nadat de wrakingskamer van het hof Den Haag op 15 april 2016 uitspraak had gedaan in de wrakingszaak met nummer DH 32-2016, diende de hoofdzaak te worden voortgezet. Dat [verzoekster] het niet eens is met de beslissing van de wrakingskamer en van mening is dat deze nietig is, kan geen grond zijn voor wraking, aldus nog steeds mr. Hoekzema. Beoordeling van de ontvankelijkheid 8. Uit de reactie van mr. Hoekzema kan worden afgeleid dat de beslissingen van 10, 18 en 20 mei 2016 beslissingen zijn die door mr. Hoekzema als rolraadsheer zijn genomen en dat er geen achterliggende zittingscombinatie/achterliggende rolraadshe(e)r(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.