GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer : 200.186.212/01 Zaak-/rekestnummer rechtbank : 4567562 HA VERZ 15-226 beschikking van 23 augustus 2016 inzake [appellant] , wonende te Haarlem, verzoeker in principaal appel, verweerder in incidenteel appel, hierna te noemen: [appellant] , advocaat: mr. W.M. Hes te Amsterdam, tegen SECURELINK NEDERLAND B.V., gevestigd te Sliedrecht, verweerster in principaal appel, verzoekster in incidenteel appel, hierna te noemen: Securelink, advocaten: mrs. W.M. Blom en M. van den Brink te Amsterdam. Het geding Bij beroepsschrift met bijlagen, ter griffie ingekomen op 23 februari 2016, is [appellant] in hoger beroep gekomen van de beschikking van de kantonrechter in de Rechtbank Rotterdam, zitting houdende te Dordrecht (hierna: de kantonrechter) van 11 december 2015. Securelink heeft een verweerschrift in hoger beroep tevens beroepsschrift in incidenteel hoger beroep met bijlagen ingediend, dat is ontvangen ter griffie van het hof op 11 april 2016. Daarop heeft [appellant] een verweerschrift incidenteel hoger beroep ingediend, ter griffie ontvangen op 24 mei 2016. Op 10 juni 2016 heeft de mondelinge behandeling in hoger beroep plaatsgevonden, waarbij partijen hun standpunten mondeling aan het hof hebben toegelicht, beiden aan de hand van pleitnota’s. Van het ter zitting verhandelde is proces-verbaal opgemaakt. Vervolgens hebben partijen het hof verzocht een beschikking te wijzen. De feiten 1. De kantonrechter heeft in de bestreden beschikking onder 1.1 tot en met 1.6 een aantal feiten vastgesteld. Over die feiten bestaat in hoger beroep geen geschil. 2. Met inachtneming van de feitenvaststelling door de kantonrechter en in aanvulling daarop kan in dit hoger beroep worden uitgegaan van het navolgende. 2.1. [appellant] , geboren op [geboortedatum] , is per [datum] 2015 bij Securelink voor onbepaalde tijd in dienst getreden in de functie van Manager Professional Services, tegen een salaris van € 7.500,00 bruto per maand. 2.2. Als Manager Professional Services maakte [appellant] deel uit van het management team (hierna: MT) van Securelink. Het MT is belast met de dagelijkse leiding van Securelink en bestond verder onder meer uit de General Manager, [naamCEO] (hierna: [naamCEO] , door [appellant] ook wel aangeduid als ‘CEO’). 2.3. In een e-mail van 7 juli 2015 (10:17 uur) van [appellant] aan [naamCEO] schrijft [appellant] , voor zover hier van belang,: “Goede samenvatting – mis alleen 1 ding dat ik gisteren in ons gesprek al heb aangegeven – stukje realiteit. Als we bij klanten gaan pitchen, is de eerste vraag “wat kost dat”. Daar geen antwoord of zomaar iets roepen is echt cowboy en gedoemd te mislukken. En ik wil geen mislukkingen op mijn conto. Het verhaal dient wel enigszins een vleugje van haalbaarheid/realiseerbaarheid te hebben. Voorstel:(…) Dit klinkt niet des Links, maar anders “blazen” we onszelf op. Graag de planning en verwachting hierop aanpassen. (…)” In een tweede e-mail van [appellant] aan [naamCEO] op 7 juli 2015 (12:39 uur) staat onder meer: “Hierbij, zoals afgesproken, mijn voorstel. Als ik deze doorlees, krijg ik het wel benauwd – zeker met de houding van jou en [betrokkene 1] mbt managed dienstverlening. (…) Laten we daar nog eens goed over praten. Voor mijn vakantie aub.” 2.4. In een e-mail van 9 juli 2015 schrijft de CEO van de Securelink groep, [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] ), aan [naamCEO] onder meer het volgende: “Zie hieronder reactie [betrokkene 1] . Wat ik echt mis is zijn acties, (…) Laat het bij jouw maar moet de komende maanden er echt uitkomen, (…) (…) jij begeleid hem maar kpn instelling en verhalen moeten eruit en actie.” In een e-mail van 10 juli 2015 reageert [naamCEO] als volgt aan [betrokkene 1] : “Ik ben het helemaal met je eens, hij zit momenteel echt nog teveel in KPN houding en daar heb ik als persoon echt moeite mee. Heb ik hem ook verteld deze week en pak ik na vakanties weer op.” 2.5. In een e-mail van 24 augustus 2015 schrijft [appellant] aan [naamCEO] onder meer: “Vraag aan jou om dit te managen. Zoals vanochtend met [betrokkene 2] besproken, zitten we middenin de opzet. Daarnaast is de SOC dienst zoals [betrokkene 3] dit voor ogen heeft, nog zeer ambitieus. Wil graag 1 pitch bouwen die logisch opbouwt en de klant en roadmap geeft. De huidige presentatie kunnen alleen [betrokkene 3] en [betrokkene 4] uitleggen, is zwaar technisch en beidt te weinig “call-4-action”. (…) Graag morgen even overleg – als [betrokkene 1] . zo blijft pushen haak ik echt af.” 2.6. Op 28 augustus 2015 is namens Securelink, in aanwezigheid van [naamCEO] , een brief overhandigd aan [appellant] . Die brief vermeldt – voor zover van belang – het volgende: “(…) Ik heb je laten weten dat Securelink de arbeidsrelatie met jou wil beëindigen. De match tussen Securelink en jou is kwalitatief dermate onvoldoende, dat wij geen vertrouwen hebben dat deze zich in de komende maanden zal gaan ontwikkelen en op het door ons gewenste peil kan komen. Wij stellen je daarom per direct op non-actief. Dat betekent dat je per direct geen werkzaamheden voor of namens Securelink mag verrichten. (…) Wij zullen jou uiterlijk 15 september een voorstel voorleggen voor de beëindiging van onze arbeidsrelatie. (…)” 2.7. Op 15 dan wel 16 september 2015 hebben partijen een vaststellingsovereenkomst gesloten. Daarbij is de beëindiging van de arbeidsovereenkomst van [appellant] per 1 december 2015 overeengekomen, tegen een vergoeding aan [appellant] van € 7.500,00 bruto. In de vaststellingsovereenkomst is [appellant] niet gewezen op de wettelijke bedenktermijn als bedoeld in art. 7:670b, lid 2 BW. 2.8. [appellant] is na 28 augustus 2015 niet meer bij Securelink werkzaam geweest. 2.9. De brief van 29 september 2015 van de gemachtigde van [appellant] aan [naamCEO] vermeldt – voor zover van belang – het volgende: “(…) Bij deze ontbind ik namens de heer [appellant] de vaststellingsovereenkomst. Dit brengt met zich mee dat de arbeidsovereenkomst tussen u en de heer [appellant] ook na de initieel overeengekomen beëindigingsdatum van 1 december 2015 nog steeds bestaat.(…) Het lijkt verstandig dat de heer [appellant] (bijgestaan door ondergetekende) en u (eventueel bijgestaan door uw gemachtigde) met elkaar in overleg treden om te onderzoeken op welke wijze de arbeidsovereenkomst verder kan worden vormgegeven. De heer [appellant] houdt zich uitdrukkelijk beschikbaar voor het verrichten van arbeid en ik ontvang graag van u binnen 48 uur de bevestiging dat de heer [appellant] zijn overeengekomen werkzaamheden zonder enige belemmering zal kunnen uitvoeren. (…)” 2.10. De mail van 9 oktober 2015 van [appellant] aan [naamCEO] vermeldt – voor zover van belang – het volgende: “(…) Ik had inmiddels van mijn advocaat, mr. Hes, begrepen dat hij naar aanleiding van zijn brief aan jou door jullie advocaat was gebeld en daar tot een uitwisseling van gedachten is gekomen. Mijn advocaat heeft toen aangegeven dat hij van mening is dat de arbeidsovereenkomst onder het huidige recht (ik geloof dat hij dat WWZ heeft genoemd) er geen einde aan de arbeidsovereenkomst kan komen en dat hij mij dat heeft geadviseerd. De eerste jurist die ik had geraadpleegd heeft mij daar niet op gewezen en alleen aangegeven dat ik zonder risico op een WW-uitkering de vaststellingsovereenkomst kon tekenen. Mijn advocaat heeft verder aangegeven dat hij mij zou adviseren om met 12 maanden vergoeding (dat wil zeggen opzegtermijn en aanvullende betaling van in totaal 12 maanden) wel akkoord te gaan om moddergooien en langdurige procedures te voorkomen. Ik merk over de feiten die je opsomt alleen maar op dat die naar mijn gevoel echt anders zijn. Kennelijk proberen jullie nu alsnog een reden te bewerkstelligen om afscheid van mij te kunnen nemen, terwijl dat (juridisch) gewoon niet kan. Het lijkt me het beste als jullie advocaat jullie adviseert en dan het gesprek met mijn advocaat voortzet als jullie nog steeds van mij af willen en geen procedure willen ingaan. Mochten jullie niet inzien dat er geen reden is om afscheid van mij te nemen, maar wel dat willen blijven nastreven, dan ben ik alleen bereid om daarmee in te stemmen als ik gecompenseerd wordt voor de schade die ik dan ontegenzeggelijk zal lijden. Anders moet de rechter het maar bepalen. (…)” 2.11. In een e-mail van 28 oktober 2015 schrijft [appellant] aan [naamCEO] : “Dank voor het schrijven, ik wacht verdere stappen af. Daarbij wederom de opmerking dat ik nog steeds bereid en beschikbaar ben om te werken.” 2.12. [appellant] had ten tijde van de mondelinge behandeling in hoger beroep nog geen andere (betaalde) baan. De verzoeken aan de kantonrechter en de beoordeling daarvan 3. Bij verzoekschrift dat ter griffie van de rechtbank is binnengekomen op 2 november 2015, heeft Securelink de kantonrechter verzocht de arbeidsovereenkomst op een zo kort mogelijke termijn te ontbinden op grond van andere omstandigheden in de zin van art. 7:669 lid 3 sub h BW en/of op grond van een verstoorde arbeidsverhouding in de zin van art. 7:669 lid 3 sub g BW. 4. [appellant] heeft verweer gevoerd, verzocht om het ontbindingsverzoek af te wijzen en subsidiair, voor het geval de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden, bij die ontbinding rekening te houden met de voor hem geldende opzegtermijn van één maand en aan hem een billijke vergoeding toe te kennen van € 100.000,00 bruto. Voorts heeft [appellant] vernietiging van het relatie- en concurrentiebeding verzocht en veroordeling van Securelink in de proceskosten. 5. Bij beschikking van 11 december 2015 heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst tussen partijen per 1 februari 2016 ontbonden op de g-grond (verstoorde arbeids-verhouding), onder toekenning van een billijke vergoeding aan [appellant] ter hoogte van € 10.000,00 bruto. Tevens heeft de kantonrechter het relatie- en concurrentiebeding vernietigd. De proceskosten zijn gecompenseerd. De beoordeling in hoger beroep 6. In hoger beroep heeft [appellant] het hof verzocht om de beschikking van de kantonrechter te vernietigen en: primair op grond van art. 7:683 lid 3 BW de arbeidsovereenkomst tussen Securelink en [appellant] te herstellen met ingang van 1 februari 2016, of zoveel later als het hof noodzakelijk acht, met het treffen van voorzieningen voor de periode tussen 1 februari 2016 en de datum waarop het hof de arbeidsovereenkomst tussen partijen herstelt, conform het bepaalde in art. 7:683 lid 4 jo 7:682 lid 6 BW; of indien het hof de arbeidsovereenkomst niet herstelt of [appellant] daar uitdrukkelijk voor zou kiezen, op grond van art. 7:683 lid 3 BW aan [appellant] een billijke vergoeding toe te kennen van € 180.000,00, althans een door het hof vast te stellen vergoeding naar billijkheid die in ieder geval het loon omvat gedurende de periode vanaf 1 februari 2016 tot de dag waarop de arbeidsovereenkomst tussen Securelink en [appellant] schattenderwijs tot een einde zou (kunnen) zijn gekomen, als het hof tot herstel van de arbeidsovereenkomst zou overgaan; en subsidiair voor zover het hof de beschikking van de kantonrechter voor wat betreft de ontbinding in stand zou laten omdat aan alle voorwaarden van art. 7:669 lid 1 jo lid 3 sub g BW zou zijn voldaan, de beschikking op het punt van de billijke vergoeding te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, Securelink, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen tot het betalen van een billijke vergoeding aan [appellant] ter hoogte van € 100.000,00 (bruto), althans een door het hof vast te stellen vergoeding naar billijkheid. Tot slot is verzocht Securelink te veroordelen in de kosten van de procedure in eerste aanleg en in appel. 7. Securelink heeft in het principaal appel het hof primair verzocht de verzoeken van [appellant] af te wijzen. In het incidenteel appel heeft Securelink het hof primair verzocht om ‘de tussen partijen gewezen ontbinding per 1 februari 2016 in stand te laten en te ontbinden op grond van verschil van inzicht (art. 7:669 lid 3 sub h BW) en/of een verstoorde arbeidsverhouding (art. 7:669 lid 3 sub g BW), zonder toekenning van een billijke vergoeding, zo nodig onder verbetering van gronden’. Subsidiair heeft Securelink verzocht om de tussen partijen gewezen beschikking in stand te laten, zonodig onder verbetering van gronden. In beide gevallen heeft Securelink verzocht om [appellant] te veroordelen in de kosten van de procedure in hoger beroep en in eerste aanleg. 8. In het incidenteel beroep concludeert [appellant] tot niet-ontvankelijk verklaring dan wel afwijzing. 9. Het hof stelt voorop dat de grieven in het principaal appel en in het incidenteel appel zich niet richten tegen de vernietiging door de kantonrechter van het tussen partijen overeengekomen relatie- en concurrentiebeding, Die beslissing blijft derhalve buiten het debat in hoger beroep en is aan het oordeel van het hof niet onderworpen. Grieven 1-5 in principaal en grief 1 in incidenteel appel 10. [appellant] heeft in zijn beroepsschrift zes grieven geformuleerd en wenst daarmee de rechtsstrijd in volle omvang aan het hof voor te leggen. De grieven 1 tot en met 5 in het principaal appel en grief 1 in het incidenteel appel richten zich in de kern zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat sprake is van verstoorde arbeidsverhouding in de zin van art. 7:669 lid 3 sub g BW. Die grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling. 11. Op grond van art. 7:669 lid 1 jo lid 3 sub g BW kan de werkgever de arbeidsovereenkomst opzeggen indien sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding, zodanig dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren, en herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn, al dan niet met behulp van scholing, in een andere passende functie niet mogelijk is of niet in de rede ligt. 12. Het ontslagcriterium van de g-grond is ontleend aan het Ontslagbesluit (oud) en hoofdstuk 27 van de Beleidsregels UWV (Kamerstukken I 2013/14, 33818, C, p. 56-57 (MvA)). Uitgangspunt van het Ontslagbesluit was dat de werkgever aannemelijk moet maken dat de arbeidsrelatie ernstig en duurzaam is verstoord en dat herstel van die relatie, eventueel door middel van overplaatsing binnen de onderneming, niet meer mogelijk is (art. 5:1 lid 5 Ontslagbesluit). Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de g-grond pas vervuld is als sprake is van een ernstig én duurzaam verstoorde arbeidsverhouding, en dat beide criteria tot uitdrukking komen in de formulering ‘zodanig dat van de werkgever redelijkerwijs niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren’. Ter toelichting is nog opgemerkt dat “ook bij een minder duurzaam verstoorde arbeidsverhouding de arbeidsovereenkomst opgezegd moet kunnen worden als de ernst daarvan zodanig is dat voortzetting van de arbeidsovereenkomst in redelijkheid niet van de werkgever kan worden gevergd” (Kamerstukken II 2013-2014, 33818, nr. 3, p. 43-46). 13. [appellant] heeft betoogd dat geen sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding in de zin van art. 7:669 lid 3 sub g BW. Ter toelichting op zijn grieven heeft hij – samengevat – het volgende aangevoerd. [appellant] was in de eerste maanden van zijn dienstverband nog doende om zijn plek binnen de organisatie van Securelink te verwerven. Hij stelde daarbij, anders dan de kantonrechter kennelijk aanneemt, niet het beleid van Securelink ter discussie, maar wilde dit juist zo goed mogelijk vormgeven. [appellant] was goed op de hoogte van het beleid binnen Securelink, omdat hij daarover en over de verschillen met zijn voormalige werkgever, KPN, voorafgaand aan zijn indiensttreding uitgebreid met functionarissen van Securelink heeft gesproken. Het had, volgens [appellant] , op de weg van Securelink gelegen om met hem in gesprek te gaan over het door Securelink gestelde verschil van inzicht over het beleid. Securelink heeft dat echter nooit gedaan, maar heeft [appellant] in plaats daarvan kort na afloop van zijn proeftijd plotsklaps op non-actief gesteld en hem buiten de organisatie geplaatst. Omdat voor [appellant] duidelijk was dat Securelink hoe dan ook de arbeidsrelatie met hem wilde beëindigen, heeft hij meegewerkt aan de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst. Omdat Securelink geen objectieve reden had gegeven om het dienstverband met hem met wederzijds goedvinden te beëindigen, en hij juist graag wilde blijven werken bij Securelink, heeft [appellant] gebruik gemaakt van de wettelijke mogelijkheid om de beëindigingsovereen-komst buitengerechtelijk te ontbinden. Er zijn geen feiten en omstandigheden die zodanig zijn dat het van Securelink niet langer gevergd zou kunnen worden om de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. [appellant] is nog steeds bereid en beschikbaar om de overeengekomen werkzaamheden voor Securelink te verrichten, maar wordt daartoe door Securelink sinds 28 augustus 2015 niet in de gelegenheid gesteld. 14. Securelink heeft – zakelijk weergegeven - aangevoerd dat er wel degelijk sprake is van een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding. Tussen [appellant] enerzijds en het senior management en het MT van Securelink, met wie [appellant] moest samenwerken, anderzijds bestaat een onoverbrugbaar verschil van inzicht over het te voeren beleid binnen Securelink. Het beleid van Securelink is primair gericht op de klant, terwijl [appellant] zich volledig richtte op de producten van Securelink en hij in dit verband een starre houding aannam. [appellant] had al vanaf het begin van zijn arbeidsrelatie bij Securelink moeite met de snelheid en de flexibele, klantgerichte aanpak van Securelink. De output van [appellant] viel tegen en het werkproces binnen de onderneming werd daardoor ernstig verstoord en vertraagd. De werkwijze van [appellant] heeft ook gezorgd voor onrust binnen zijn team. Doordat [appellant] weigerde zijn focus te verleggen van het product naar de klant en geen flexibele houding aannam, liep bovendien de gehele dienstverlening naar de klanten van Securelink gevaar. Nadat [appellant] vanwege het verschil van inzicht op non-actief was gesteld, wilde hij [naamCEO] niet spreken en [betrokkene 1] niet onder ogen komen. Hij heeft ook niet de wil getoond om weer bij Securelink te komen werken. Bovendien heeft [appellant] de arbeidsrelatie nog verder verstoord door de bedenktermijn na de ondertekening van de vaststellingsovereenkomst te misbruiken en een twaalf maal hogere vergoeding te eisen dan partijen in de vaststellingsovereenkomst waren overeengekomen. Securelink heeft geen enkel vertrouwen meer in de verdere samenwerking met [appellant] . 15. Het hof is van oordeel dat de arbeidsverhouding tussen partijen ernstig en duurzaam verstoord is geraakt in de zin van art. 7:669 lid 3 sub g BW. Anders dan de kantonrechter is het hof van oordeel dat de relatief korte tijdspanne tussen eind augustus en begin november 2015 (indiening van het verzoekschrift) hieraan niet in de weg staat. Deze verstoring is met name veroorzaakt door de mededeling van Securelink op 28 augustus 2015 – drie weken na het verstrijken van de proeftijd van [appellant] – dat zij de arbeids-overeenkomst wenste te beëindigen en daarop vooruitlopend [appellant] met onmiddellijke ingang heeft vrijgesteld van zijn werkzaamheden. Dat er binnen het management van Securelink onvrede bestond over de werkwijze en aanpak van [appellant] is naar het oordeel van het hof gelet op de overgelegde stukken wel gebleken. Uit de overgelegde stukken volgt dat [appellant] ook wist dat zijn werkwijze niet geheel aansloot bij de door Securelink gewenste werkwijze en uit de e-mails van 7 juli 2015 en 24 augustus 2015 leidt het hof af dat [appellant] zijn eigen koers wilde blijven varen (en zelfs schreef dat hij ‘echt zou afhaken’ als de CEO zo zou blijven ‘pushen’). Maar dat de kennelijke onvrede van Securelink voldoende duidelijk aan [appellant] is gecommuniceerd en aan hem voldoende gelegenheid is geboden om zijn werkwijze en aanpak bij te stellen blijkt niet uit de stukken. Dat de op non-actiefstelling en de aankondiging dat Securelink het dienst-verband wenste te beëindigen voor [appellant] geheel onverwacht waren, acht het hof dan ook aannemelijk. 16. Door de daaropvolgende (re)actie(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.