GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer : 200.184.300/01 Rekestnummer rechtbank : 4423489 RP VERZ 15-50584 beschikking van 9 augustus 2016 inzake [verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker (in hoger beroep), hierna te noemen: [verzoeker], advocaat: mr. M.M.C van der Sanden te Den Haag, tegen Haagse Milieu Services, gevestigd en kantoorhoudende te Den Haag, verweerster (in hoger beroep), hierna te noemen: HMS, advocaat: mr. L.V. Claassens te Eindhoven. Het geding Bij beroepschrift (met producties), ingekomen bij het hof op 22 januari 2016, is [verzoeker] in hoger beroep gekomen van de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Den Haag, team kanton Den Haag (hierna: de kantonrechter), van 30 oktober 2015. HMS heeft een verweerschrift ingediend. Op 12 mei 2016 is een V-6 formulier met een aantal aanvullende producties ontvangen van de zijde van [verzoeker]. Op 20 mei 2016 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarbij partijen hun standpunten aan het hof hebben toegelicht, beiden aan de hand van pleitnota’s. De zaak is daarna enige tijd aangehouden in verband met schikkingsonderhandelingen. Vervolgens hebben partijen het hof verzocht een beschikking te geven. Beoordeling van het hoger beroep 1. Het hof gaat uit van de door de kantonrechter in zijn beschikking onder 2.1 tot en met 2.7 vermelde feiten, nu hiertegen in hoger beroep geen bezwaren zijn gericht, met dien verstande dat [verzoeker] wel bezwaar heeft gemaakt tegen de door HMS gestelde uitkomsten van het onderzoek zoals in r.o. 2.4 weergegeven, hetgeen het hof in zijn oordeel zal betrekken bij de beoordeling van de grieven. 2. Het gaat in deze zaak, kort samengevat, om het volgende. [verzoeker], geboren op [datum 1] 1967, is op [datum 2] 1995 in dienst getreden bij (de rechtsvoorgangster van) HMS als chauffeur/belader en hield zich bezig met het ophalen van afval. Zijn salaris bedroeg € 2.440,- bruto per maand (exclusief vakantietoeslag, garantietoelage, tak van dienst toelage A en overuren). [verzoeker] is door HMS gedetacheerd bij Van Gansewinkel, een onderneming die zich bezighoudt met de inzameling, verwerking en recycling van afval. 3. Naar aanleiding van een anonieme melding dat medewerkers van Van Gansewinkel en HMS betrokken zouden zijn bij het aannemen van bovenmatige volumes afval (grotere volumes dan voorzien in de overeenkomst met Van Gansewinkel/HMS) en het aannemen van beloningen van derden hiervoor, is Van Gansewinkel een onderzoek gestart. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een Integriteitsrapport van 2 juli 2015 opgemaakt door [naam 1] (hierna: [naam 1]), Manager Integriteit van de Van Gansewinkel Groep. Uit dit rapport blijkt dat [naam 1] observaties heeft uitgevoerd op ondermeer 21 april, 1, 11 en 18 mei 2015. Uit de observaties, waarvan filmopnames zijn gemaakt, is – voor zover van belang – het volgende gebleken. Op 21 april 2015 is door [naam 1] geconstateerd dat er op die dag bij een tweetal klanten (Groente- en Fruithal en Kriege & Verhoek, beide gevestigd in Den Haag, extra afval is ingezameld dat niet is vermeld in de boordcomputer. [verzoeker] heeft die dag niet op de betreffende route gereden, zijn collega [naam 2] (hierna: [naam 2]) wel. [verzoeker] is op 1 mei en 11 mei 2015 wel betrokken geweest bij het aannemen van bovenmatige volumes afval: Op 1 mei 2015 is geconstateerd dat [verzoeker] en zijn collega [naam 3] bij de Groente- en Fruithal naast de ene rolcontainer van 1100 liter die onder contract staat, zeven pallets met dozen en kisten, een klikocontainer en een grijze container hebben meegenomen c.q. geledigd. Met dit inzamelen zijn de medewerkers ruim 22 minuten bezig geweest. In de boordcomputer is vermeld dat één extra rolcontainer van 1100 liter is geledigd. Bij het bedrijf Kriege & Verhoek – waar één rolcontainer van 1100 liter onder contract stond – zijn twee rolcontainers van 1100 liter geleegd, daarnaast zijn door medewerkers van dit bedrijf zelfstandig diverse afvalgoederen in de wagen gegooid, waaronder een groot houten pallet. Deze goederen heeft [verzoeker] niet vermeld in de boordcomputer. Op 11 mei 2015 is geconstateerd dat [verzoeker] en [naam 2] bij meergenoemde Groente- en Fruithal, naast de ene rolcontainer van 1100 liter, losse pallets, vijf pallets met dozen/kisten alsmede vuilniszakken, een groene kliko, een grijze container en een aantal lange latten/profielen en meer los materiaal hebben meegenomen c.q. geledigd. Vervolgens is waargenomen dat bij Kriege & Verhoek naast de twee rolcontainers van 1100 liter, die vol waren met afval, twee rol/rekcontainers met afval stonden. Naast deze rekcontainers lag er nog een redelijke hoeveelheid los afval. Er werd door de medewerkers één rolcontainer van 1100 liter geledigd en een paar losse doosjes in de container gegooid. Vervolgens zag [naam 1] dat [verzoeker] enige tijd richting van zijn voertuig keek. Hierna stopten de medewerkers met de inzameling van de rest van het afval en reden weg. 4. [verzoeker] is in een gesprek op 2 juli 2015 door [naam 1] geconfronteerd met de bevindingen uit het onderzoek. Het verslag van dit gesprek heeft [verzoeker] voor akkoord ondertekend. Op 7 juli 2015 heeft op verzoek van [verzoeker] een aanvullend gesprek met hem plaatsgevonden. Tijdens dit gesprek heeft [verzoeker] afstand genomen van een aantal van zijn in het gesprek van 2 juli 2015 gedane en schriftelijk vastgelegde uitlatingen en deze gedeeltelijk ook ingetrokken. Beide gespreksverslagen maken onderdeel uit van het Integriteitsrapport. Tijdens het gesprek op 2 juli 2015 heeft [verzoeker], nadat hem op 21 april 2015) door [naam 1] gemaakte filmbeelden waren getoond, ondermeer het navolgende verklaard: “(…) Ik weet niet of ik op die datum (21 april 2015, hof) ook extra heb opgevoerd. Maar de meeste keren wel. (…) Ik weet niet of op die datum een extra bon of extra invoer is geweest. (…) Het is een beetje service naar de klant [Groente- en Fruithandel, hof]. Ze hebben eigenlijk 4x per week meer afval. Dit speelt al sinds we daar rijden. Ik heb recentelijk tegen deze klant gezegd dat ik er mee gestopt ben. Het liep de spuigaten uit. Het zou mij baan kunnen kosten. Het werd steeds meer. Ik ben er denk ik in mei mee gestopt (…) Ik heb tegen [naam 2] gezegd dat we er mee moesten stoppen. [naam 2] was het er mee eens. De klant was het er niet mee eens want die wil gewoon zijn vuil kwijt. Het is gestart sinds we de one to move rijden. Het speelt dus nu ongeveer een half jaar. Daarvoor ben ik nooit bij de Fruithandel geweest. Er is een contract voor 1 rolcontainer van 1000 of 1100 liter. Dan kan je zien in de bordcomputer. Het is dus langzaam meer geworden. Na de Fruithandel zijn we naar Kriege en Verhoek gereden aan de Elbe. Ook daar nemen we meer afval mee dan contractueel is vastgelegd. Meestal nemen we daar 2 rolcontainers mee en ook nog los afval. Ook dat is uit serviceoverwegingen. (…)" Naar aanleiding van hem getoonde filmbeelden die op 1 mei 2015 door [naam 1] waren gemaakt, heeft [verzoeker] tijdens meergemeld gesprek van 2 juli 2015 onder meer verklaard: “(…) Vervolgens rijden we door naar Kriege en Verhoek aan de Elbe. Zij zijn al klant vanaf de AVR tijd dus al vele jaren. Omdat zij al zo lang klant zijn neem ik ook vaker extra afval daar mee. Daarvoor schrijf ik geen bon. Dit is goodwill dus service. Bij Krieke en Verhoek wordt het ook niet gemeld aan de planning dat er extra afval meegenomen wordt. Het gaat om een extra rolcontainer en los afval. Ik begrijp dat dit een ander contract zou moeten zijn waardoor Van Gensewinkel er meer aan verdient. Ik weet dat er extra kosten zitten aan extra afval voor Van Gansewinkel. (…)” In reactie op door [naam 1] gemaakte filmbeelden op 11 mei 2015, verklaarde [verzoeker] op 2 juli 2015 voorts: “(…) Dit is waarschijnlijk de laatste keer [naam 2] en ik meer afval hebben meegenomen bij de Fruithal. (…) Ik heb in die periode duidelijk gemaakt aan de Fruithal dat ik ermee wilde stoppen omdat het anders mijn baan zou kosten. [naam 2] wilde er ook mee stoppen. (…) Amar is een klant van ons voor 1x per week. Deze zit ook op Forepark. Ik kom daar 1x per week voor een 1100 liter container. Meestal wordt daar 1 a 2 pallets extra meegenomen en wat los afval zoals piepschuim. Dat heb ik vooral in het begin gedaan. Later ben ik daar ook mee gestopt. (…)” [in reactie op de vraag: Uit onderzoek is gebleken dat er € 15 tot € 20 per keer wordt ontvangen bij AMAR. Kunt u dat toelichten?]: “Ik geloof dat hij mij 1x € 15 heeft gegeven maar dat is lang geleden. Het is me niet goed bijgebleven. Ik heb daar geen melding van gemaakt. Ik weet niet of anderen geld hebben ontvangen. (…)” [in reactie op de vraag: Ik toon u een brief van de directeur van Van Gansewinkel waarin staat omschreven dat wij geen extra afval meer mogen nemen zonder dat daar een contract tegenover staat. Kent u deze brief?]: “Ik ken deze brief. De brief was duidelijk. Het is dus dommigheid en klantvriendelijkheid.” Met [naam 2] is eveneens op 2 juli 2015 gesproken. Voor zover van belang heeft hij het navolgende verklaard: [in reactie op de vraag: kunt u aangeven hoe vaak u extra afval hebt meegenomen bij AMAR (…) en hoeveel geld u daar hebt ontvangen voor dat extra afval?]: “Het was een tijdje regelmatig. Toen hebben [verzoeker] en ik tegen de klant gezegd dat het moet stoppen. Ze keken daar wel een beetje scheef over. Ze mochten alleen die 1.000 liter aanbieden en de rest wordt doorgegeven.” [in reactie op de vraag: uit onderzoek is gebleken dat er € 15 tot € 20 per keer wordt ontvangen bij AMAR. Kunt u dat toelichten?]: “Dat zou ik niet weten, Ik weet niet of [verzoeker] dit aanneemt. Ik heb het nog nooit aangenomen. Op de 21 april en 11 mei heb ik wel geld aangenomen. Op 21 april hebben we ieder 10 euro gekregen en 11 mei hebben we ieder 5 euro gekregen. Op den duur zijn we ermee gestopt omdat we onze eigen route niet afkregen. Dit was eind mei, toen zijn we gestopt met extra meenemen. Ik wil geen geld meer aannemen, dit moest stoppen. (…)” 5. Na het gesprek van 2 juli 2015 is [verzoeker] op non-actief gesteld. Op 8 juli 2015 zijn zowel [verzoeker] als [naam 2] op staande voet ontslagen, welk ontslag bij brief van 9 juli 2015 aan hen is bevestigd. 6. [verzoeker] heeft de kantonrechter verzocht – zakelijk weergegeven – vernietiging van het ontslag op staande voet met wedertewerkstelling en doorbetaling van loon. HMS heeft bij wijze van zelfstandig tegenverzoek, verkort weergegeven, een verklaring voor recht gevraagd dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig is geëindigd door het ontslag op staande voet. Tevens heeft HMS de kantonrechter verzocht de arbeidsovereenkomst tussen partijen “voorwaardelijk” te ontbinden, een verklaring voor recht gevraagd dat HMS aan [verzoeker] geen transitievergoeding verschuldigd is en de kantonrechter verzocht [verzoeker] te veroordelen tot betaling van de gefixeerde schadevergoeding ex art. 7:677 lid 2 BW ad € 4.751,62. 7. De kantonrechter heeft bij de bestreden beschikking van 30 oktober 2015 de vorderingen van [verzoeker] afgewezen, voor recht verklaard dat de arbeidsovereenkomst van partijen rechtsgeldig is geëindigd op 8 juli 2015 en de arbeidsovereenkomst voorts “voorwaardelijk” ontbonden per 31 oktober 2015. Daarnaast heeft de kantonrechter voor recht verklaard dat HMS aan [verzoeker] geen transitievergoeding verschuldigd is en [verzoeker] veroordeeld tot betaling van de gefixeerde schadevergoeding ad € 4.751,62 en de proceskosten. [verzoeker] is hiervan in hoger beroep gekomen en heeft 15 grieven gericht tegen de beschikking van de kantonrechter. 8. De grieven beogen het geschil in volle omvang aan het hof voor te leggen en lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Geen grief is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat het ontslag op staande voet onverwijld is gegeven, zodat het hof ook hiervan zal uitgaan. 9. De eerste vraag die ter beantwoording voorligt in de onderhavige zaak is of het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven. Het hof stelt bij de beoordeling van deze vraag het volgende voorop. Het ontslag op staande voet is een ultimum remedium, dat, gelet op de verstrekkende gevolgen ervan, slechts bij uitzondering mag worden gegeven. Op grond van artikel 7:678 lid 1 BW worden als dringende redenen in de zin van lid 1 van artikel 7:677 BW beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die ten gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet verlangd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Bij de beoordeling van de vraag óf van zodanige dringende reden sprake is, moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. Op HMS als werkgever rust de stelplicht en bewijslast van het bestaan en de dringendheid van de ontslagreden. 10. Ten aanzien van de grond voor het ontslag op staande voet heeft het navolgende te gelden. De redenen voor het ontslag op staande voet zijn neergelegd in de 4,5 pagina’s tellende ontslagbrief van 9 juli 2015. Door de kantonrechter is bij de feiten onder 2.8 van de beschikking gesteld dat [verzoeker] op staande voet is ontslagen vanwege: - het structureel aannemen van bovenmatige volumes afval met een Van Gansewinkel voertuig zonder dit te vermelden in de boordcomputer; - het aannemen van beloningen van derde(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.