ECLI:NL:GHDHA:2016:2513
GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer: 200.195.969/01 Zaak-/rolnummer rechtbank: C/09/512319 / KG ZA 16-686 Arrest van 31 augustus 2016 in de zaak van:
1 [appellanten 1 t/m 4] wonende te Hazerswoude-Rijndijk, gemeente Alphen aan den Rijn, appellanten in het principaal beroep, verweerders in het voorwaardelijk incidenteel beroep, nader te noemen: [appellanten], advocaat: mr. M.J. Sturm te Rotterdam, tegen:
Windpark Rijnwoude B.V., gevestigd te Zwolle, geïntimeerde in het principaal beroep, appellante in het voorwaardelijk incidenteel beroep, hierna te noemen: Windpark, advocaat: mr. W. den Harder te Amsterdam.
Het geding Bij telefaxbericht van 18 juli 2016, door het hof compleet ontvangen op 18 juli 2016 om 20:49 uur, verzochten [appellanten] om behandeling van het nog in te stellen hoger beroep met verkorting van de termijnen als bedoeld in artikel 9.1.14 van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven. Op 19 juli 2016 is dat verzoek toegewezen, is op grond van artikel 117 Rv verlof verleend om op verkorte termijn te dagvaarden en is een comparitie van partijen gelast, te houden op 28 juli 2016.
Bij exploot van 22 juli 2016 zijn [appellanten] in hoger beroep gekomen van het door de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag tussen partijen gewezen vonnis in kort geding van 18 juli 2016. In dat exploot hebben [appellanten] een incidentele vordering ingesteld primair tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis, subsidiair tot veroordeling van Windpark tot het stellen van voldoende zekerheid in de vorm van een bankgarantie en, bij wijze van voorwaardelijke provisionele vordering, tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis totdat het hof arrest in het incident heeft gewezen. Voorts hebben [appellanten] in het exploot tien grieven tegen het vonnis aangevoerd, verzocht om verlof tot het leggen van aanvullende conservatoire beslagen en veroordeling gevorderd van Windpark tot terugbetaling van al hetgeen [appellanten] ter uitvoering van het vonnis aan Windpark hebben voldaan en tot betaling van de proceskosten van beide instanties.
Windpark heeft bij memorie van antwoord in principaal appel tevens houdende memorie van grieven in voorwaardelijk incidenteel appel een exceptie opgeworpen, de incidentele vordering, de grieven en het verzoek tot verlof voor het leggen van aanvullende conservatoire beslagen van [appellanten] bestreden en harerzijds een grief in voorwaardelijk incidenteel appel aangevoerd.
Op 28 juli 2016 is de comparitie van partijen gehouden. Ter zitting heeft de raadsheer-commissaris als enkelvoudige voorzieningenrechter in hoger beroep de verwijdering van de windturbines verboden totdat op de incidentele vordering van [appellanten] is beslist. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
Op 16 augustus 2016 heeft Windpark een akte houdende eiswijziging en/of aanvullende grief in incidenteel appel genomen. Diezelfde dag hebben [appellanten] bij memorie van antwoord in incidenteel appel de incidentele grieven en de eiswijziging van Windpark bestreden.
Vervolgens hebben partijen op 22 augustus 2016 hun standpunten doen bepleiten. Daarbij hebben mr. J.T. Kool, advocaat te Rotterdam, en mr. M.J. Sturm voornoemd het woord gevoerd voor [appellanten] en mr. T.E. Hovius en mr. V.J.N. van Oijen, advocaten te Amsterdam, voor Windpark. Van beide zijden zijn pleitnotities overgelegd. [appellanten] hebben ten behoeve van het pleidooi producties 9 en 10 overgelegd.
7Ten slotte is arrest bepaald.
Beoordeling van het hoger beroep 8. Tegen de vaststelling van feiten door de voorzieningenrechter in het vonnis van 18 juli 2016, onder 2.1 tot en met 2.15, is niet opgekomen, zodat deze vaststelling ook voor het hof als uitgangspunt dient. Met inachtneming van deze vastgestelde feiten gaat het in deze zaak, voor zover in hoger beroep nog van belang, om het volgende.
Wegnemingsrecht.
Artikel 12.
12.1.
De Opstaller heeft zowel tijdens de duur van het Opstalrecht als bij het einde daarvan de bevoegdheid de Opstallen, voor zover door zichzelf of een rechtsvoorganger aangebracht of van de Landeigenaren tegen vergoeding van de waarde overgenomen, geheel dan wel gedeeltelijk weg te nemen (…) met dien verstande dat wanneer de Landeigenaren gebruik maken van het recht als bedoeld in artikel 12.2, de Opstaller niet het wegneemrecht, als in dit lid 12.1 bedoeld, heeft.
12.2.
De Landeigenaren hebben het recht om bij het einde van het Opstalrecht de alsdan nog aanwezige Opstallen van de Opstaller geheel of gedeeltelijk over te nemen. De Landeigenaren dienen uiterlijk vijf maanden vóór de datum waarop het Opstalrecht wordt beëindigd aan de Opstaller schriftelijk kenbaar te maken of zij gebruik wensen te maken van hun recht de Opstallen geheel of gedeeltelijk over te nemen. Indien de Landeigenaren besluiten de Opstallen over te nemen, heeft de Opstaller recht op een vergoeding van de waarde zoals bepaald in artikel 13. (…) Vergoedingsrecht bij einde Opstalrecht.
Artikel 13.
13.1.
De Opstaller heeft recht op vergoeding van de waarde van de ten tijde van de beëindiging als bedoeld in artikel 12.2 nog aanwezige Opstallen, voor zover deze door zichzelf of een rechtsvoorganger zijn aangebracht of van de Landeigenaren tegen vergoeding van de waarde zijn overgenomen. (…) 13.2.
De waarde van de Opstallen bij het einde van het Opstalrecht, derhalve na elf, zestien of éénentwintig jaar vanaf heden, wordt vastgesteld op éénhonderdduizend euro (…) 13. In de definitieve akte van 25 juli 2006 luiden deze bepalingen als volgt.
Wegneemplicht / Bankgarantie.
Artikel 12.
12.1.
De Opstaller is bij het einde van het Opstalrecht verplicht de Opstallen, voor zover door hemzelf of een rechtsvoorganger aangebracht of van de Landeigenaren tegen vergoeding van de waarde overgenomen, geheel dan wel gedeeltelijk weg te nemen (…) met dien verstande dat wanneer de Landeigenaren gebruik maken van het recht als bedoeld in artikel 12.2, de Opstaller niet de wegneemplicht, als in dit lid 12.1 bedoeld, heeft.
12.2.
De Landeigenaren hebben het recht om bij het einde van het Opstalrecht de alsdan nog aanwezige Opstallen van de Opstaller geheel of gedeeltelijk over te nemen. De Landeigenaren dienen uiterlijk vijf maanden vóór de datum waarop het Opstalrecht wordt beëindigd aan de Opstaller schriftelijk kenbaar te maken of zij gebruik wensen te maken van hun recht de Opstallen geheel of gedeeltelijk over te nemen. Indien de Landeigenaren besluiten de Opstallen over te nemen, heeft de Opstaller recht op een vergoeding van de waarde zoals bepaald in artikel 13. (…) Vergoedingsrecht bij einde Opstalrecht.
Artikel 13.
13.1.
Indien de Landeigenaren gebruik maken van hun recht als in artikel 12.2 bedoeld, heeft de Opstaller recht op vergoeding van de waarde van de ten tijde van de beëindiging als bedoeld in artikel 12.2 nog aanwezige Opstallen, voor zover deze door zichzelf of een rechtsvoorganger zijn aangebracht of van de Landeigenaren tegen vergoeding van de waarde zijn overgenomen. (…) 13.2.
De waarde van de Opstallen bij het einde van het Opstalrecht, derhalve na elf, zestien of éénentwintig jaar vanaf heden, wordt vastgesteld op éénhonderdduizend euro (…) 14. Artikel 5 van de akte luidt:
Gebruik van de Opstallen.
Artikel 5.
5.1.
Windpark Rijnwoude zal het Terrein en de Opstallen uitsluitend gebruiken ten behoeve van de exploitatie van windturbines, een en ander in de ruimste zin van het woord en met inachtneming van het bepaalde in deze akte.
5.2.
Het is de Opstaller niet geoorloofd zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de Landeigenaren:
5.3.
De Landeigenaren kunnen voorwaarden verbinden aan de in artikel 5.2 bedoelde toestemming. Bij geschillen over het in artikel 5.2 bepaalde zal een deskundige worden ingeschakeld, één en ander zoals bepaald in artikel 11.2 van deze akte.
5.4.
Eventueel van derden benodigde toestemmingen en/of vergunningen in verband met de realisering, de aanwezigheid, de verwijdering en het gebruik van de Opstallen en het Project dienen door en voor rekening en risico van de Opstaller te worden aangevraagd.
5.5.
Windpark Rijnwoude vrijwaart de Landeigenaren voor alle aanspraken voortvloeiende uit de realisering van het Project en de aanwezigheid, de verwijdering en het gebruik van de Opstallen. Overigens zullen de Landeigenaren de gevolgen gepaard gaande met de normale bedrijfsvoering, realisering, aanwezigheid, verwijdering en het gebruik van de Opstallen dulden. (…) 15. In de akte is voorts bepaald dat het opstalrecht wordt gevestigd voor de duur van elf jaar en dat Windpark het recht heeft de duur van het opstalrecht met twee keer vijf jaar te verlengen. Het opstalrecht is ingegaan op 20 oktober 2006 en eindigt in beginsel op 20 oktober 2017. Windpark is volgens de akte aan de Landeigenaren als retributie een vast bedrag per jaar en een variabel bedrag afhankelijk van de hoeveelheid opgewekte en aan het net geleverde elektriciteit verschuldigd.
Volgens artikel 12.2 van de akte hebben de Landeigenaren bij het einde van het opstalrecht het recht de alsdan aanwezige opstallen over te nemen. Nu er vanuit moet worden gegaan dat Windpark bevoegd is de windturbines voor het einde van het opstalrecht te verwijderen en zij de windturbines inmiddels heeft verkocht, zullen de windturbines bij het einde van het opstalrecht naar verwachting zijn ontmanteld en verwijderd. De in artikel 12.2 genoemde situatie doet zich dan ook niet voor, zodat de Landeigenaren daarop geen gegrond beroep toekomt.Exceptief verweer / aanvullende grief in het voorwaardelijk incidenteel appel van Windpark 25. In het door [appellanten] tegen het vonnis ingestelde hoger beroep heeft Windpark allereerst een beroep gedaan op de exceptio plurium litis consortium. Ter onderbouwing daarvan heeft zij erop gewezen dat het hoger beroep is ingesteld door vier van de in totaal vijf Landeigenaren die bij dit geschil zijn betrokken. Het geschil heeft betrekking op de vordering tot opheffing van beslagen. De beslagen zijn door de vijf Landeigenaren gezamenlijk gelegd en de vordering tot opheffing van die beslagen richt zich ook tot alle vijf de Landeigenaren. Bovendien is de grondslag van de vordering van de Landeigenaren gebaseerd op een tekortkoming onder de akte. In artikel A lid 1 van de akte zijn de Landeigenaren gedefinieerd als de vijf Landeigenaren gezamenlijk.
De rechten en plichten van de Landeigenaren onder de akte zijn dus ondeelbaar en komen alleen toe aan hen gezamenlijk. Conform de hoofdregel van artikel 332 Rv geldt dat alleen door alle partijen gezamenlijk hoger beroep kan worden ingesteld. In dit geval is er voorts sprake van een processueel ondeelbare rechtsverhouding, in die zin dat daaromtrent door de rechter slechts kan worden beslist in een geding indien alle bij de rechtsverhouding betrokkenen partij zijn. Het is bovendien in dit geval rechtens noodzakelijk dat de beslissing ten aanzien van alle betrokkenen hetzelfde luidt. Het kan niet zo zijn dat het bestreden vonnis in eerste aanleg ten aanzien van een van de Landeigenaren in kracht van gewijsde gaat en de beslagen dus als opgeheven dienen te worden beschouwd, terwijl dat voor de andere vier Landeigenaren niet zo zou zijn.
Het vonnis, noch het arrest is zodoende effectief. [appellanten] dienen derhalve, aldus nog steeds Windpark, niet-ontvankelijk te worden verklaard in hun hoger beroep.
Indien het beroep van [appellanten] slaagt, zullen de conservatoire beslagen herleven, zij het alleen voor zover die op verzoek van Van der [appellanten] zijn gelegd zodat alleen zij aan die beslagen rechten kunnen ontlenen. [betrokkene] is zijn zekerheid wel kwijt. Gesteld noch gebleken is dat voor het herleven van de beslagen ten aanzien van [appellanten] medewerking nodig is van [betrokkene]. De conservatoire beslagen herleven automatisch bij vernietiging van het vonnis van de voorzieningenrechter. Evenmin is gesteld of gebleken dat [betrokkene] van het herleven van de beslagen voor zover gelegd op verzoek van [appellanten] nadeel zal ondervinden. Windpark heeft haar stelling dat de rechten en plichten van de Landeigenaren onder de akte ondeelbaar zijn en alleen aan hen gezamenlijk toekomen onvoldoende onderbouwd.
Het enkele feit dat in artikel A lid 1 van de akte is bepaald dat in de akte onder “de Landeigenaren” wordt verstaan de vijf Landeigenaren gezamenlijk is daartoe niet voldoende. De Landeigenaren hebben conservatoire beslagen laten leggen ten laste van Windpark voor een vordering tot schadevergoeding op grond van een gestelde toerekenbare tekortkoming van Windpark van verplichtingen voortvloeiend uit de akte. Gesteld noch gebleken is dat partijen bij de akte zijn overeengekomen dat een dergelijke vordering tot schadevergoeding alleen gezamenlijk tegen Windpark kan worden ingesteld en alleen gezamenlijk te gelde kan worden gemaakt. Het betoog van Windpark dat conform de hoofdregel van artikel 332 Rv alleen door alle partijen gezamenlijk hoger beroep kan worden ingesteld, faalt.
Dat werd weliswaar vroeger aangenomen, maar deze algemene eis is inmiddels verlaten. Het beroep van Windpark op de exceptio plurium litis consortium faalt derhalve.
De vermeende vorderingen waarvoor de beslagen zijn gelegd, zijn alle gebaseerd op de stelling van de Landeigenaren dat Windpark tekort zou schieten in de nakoming van de afspraken in de akte. Het recht op nakoming komt de Landeigenaren volgens Windpark slechts gezamenlijk toe. De ondeelbaarheid van de rechtsverhouding wordt bevestigd door het feit dat de opstalrechten zijn gevestigd voor een toegangsweg, een transformatorhuisje, kabels en de vier windturbines. Het geheel van deze werken is nodig voor de opwekking van energie. Zonder een van de Landeigenaren kan het windmolenpark niet worden geëxploiteerd, bijvoorbeeld omdat de kabels of de weg dan niet naar alle windturbines leiden. De beslagen zijn gegrond op deze ondeelbare rechtsverhouding en het beslagverlof is aan de vijf Landeigenaren gezamenlijk verleend.
Op grond van artikel 6:6 BW hebben de Landeigenaren een gelijk aandeel in het beslag. Deze hoofdelijke verbondenheid betekent ingevolge artikel 6:72 BW dat de rechtsgevolgen van verzuim van de één gelden jegens allen. Het verzuim van [betrokkene] om tijdig de hoofdzaak in te stellen, leidt derhalve tot het verzuim van alle Landeigenaren en daarmee tot verval van alle beslagen. Het voorgaande levert een nieuwe, zelfstandige grondslag op voor opheffing van de beslagen, aldus Windpark.
Principaal appel 30. De grieven van [appellanten] hebben de strekking het geschil in volle omvang aan het oordeel van het hof voor te leggen en lenen zich voor een gezamenlijke behandeling.
Vordering tot schadevergoeding vanwege het wegnemen van de windturbines 35. Ten aanzien van deze vorderingen heeft Windpark gesteld dat die ondeugdelijk is omdat Windpark op grond van de artikelen 5:101, 5:102 en 5:103 BW gerechtigd is de opstallen op ieder gewenst moment en dus ook gedurende de looptijd van het opstalrecht weg te nemen. In de akte wordt dit wettelijk wegneemrecht niet uitgesloten of beperkt noch kent de akte een verplichting om gedurende de looptijd van het opstalrecht de windturbines te exploiteren. Dit wordt nog eens versterkt door het feit dat gedurende de onderhandelingen over de akte uitgebreid is gesproken over het wegneemrecht c.q. de wegneemplicht van Windpark. Uit de eerdere concepten van de akte blijkt dat daarin in artikel 12.1 nog uitdrukkelijk was bepaald dat Windpark te allen tijde het wegneemrecht had, ook gedurende de looptijd van het opstalrecht.
Over die bepaling bestond geen discussie. Uit geen enkel document, e-mail, brief of fax blijkt dat de Landeigenaren in 2006 hebben beoogd het wettelijk wegneemrecht te beperken. In de laatste dagen voor het passeren van de akte hebben partijen vooral gesproken over het risico voor de Landeigenaren dat Windpark failliet zou gaan en/of bij het einde van het opstalrecht de windturbines zou laten staan en dat de Landeigenaren dan verplicht zouden zijn de windturbines over te nemen of – op hun kosten – te slopen. Dat risico wilden zij niet lopen. Om die reden wilden de Landeigenaren dat Windpark in de akte verplicht zou worden om bij het einde de alsdan nog aanwezige opstallen te verwijderen. Uiteindelijk hebben de Landeigenaren daarom aan de notaris verzocht om het wegneemrecht in artikel 12.1 van de akte om te bouwen tot een wegneemplicht voor Windpark bij het einde van het opstalrecht.
Windpark heeft in verband met deze wijziging met de betrokken notaris overlegd wat de consequenties van het schrappen van het contractuele wegneemrecht waren. Daarop heeft de notaris bevestigd dat het recht om de opstallen te verwijderen gedurende de looptijd van het opstalrecht door deze wijziging niet werd aangetast, omdat dit wegneemrecht volgt uit de wet. De wijziging betrof dus uitdrukkelijk niet het uitsluiten van het wegneemrecht, maar het toevoegen van een wegneemplicht aan het einde van het opstalrecht. Voorts geldt dat in artikel 12.2 van de akte geen sprake is van een koopoptie maar van een voorwaardelijk recht van de Landeigenaren om bij het einde van het opstalrecht de eventueel alsdan nog aanwezige opstallen over te nemen.
Dit recht bestaat klip en klaar alleen bij het einde van het opstalrecht en dan alleen indien Windpark de opstallen alsdan nog niet zelf verwijderd zou hebben. Tijdens de onderhandelingen is op geen enkele manier ter sprake geweest dat de Landeigenaren te allen tijde de windturbines over zouden mogen nemen voor € 100.000,- in plaats van een reële marktwaarde. Geen enkele weldenkende ontwikkelaar zal, gezien de enorme investeringen en ontwikkelrisico’s, ermee instemmen dat de Landeigenaren de windturbines voor een appel en een ei zouden kunnen overnemen. Aangezien het opstalrecht nog niet is geëindigd en de opstallen door Windpark voor het einde van het opstalrecht zullen worden verwijderd, bestaat op dit moment geen recht voor de Landeigenaren om de windturbines over te nemen.
De veronderstelling van [appellanten] dat de verkoop van de windturbines de vermeende koopoptie doorkruist, is dus onjuist en Windpark kan daarin dan ook niet tekortschieten. Overigens is niet gebleken dat de Landeigenaren de koopoptie willen uitoefenen terwijl dat nu niet meer kan aangezien de windturbines inmiddels zijn verkocht en moeten worden geleverd. Voorts geldt dat de Landeigenaren op grond van artikel 5.5 van de akte de verwijdering van de opstallen dienen te dulden.
Ook in de ogen van Windpark is met die laatste wijziging niets anders beoogd dan het opnemen van een wegneemplicht. Het recht om de windturbines weg te nemen, bestaat dus niet voor zover de Landeigenaren hun koopoptie uit willen oefenen. Deze clausulering heeft een voor de hand liggende betekenis. Het kan niet zo zijn dat een koopoptie zomaar even kan worden doorkruist door de windturbines weg te nemen. Dat volgt ook uit artikel 11.2 van de akte waarin een gedetailleerde en met waarborgen omklede regeling is opgenomen om het opstalrecht te beëindigen in geval van een onrendabele exploitatie. Als Windpark in alle gevallen de mogelijkheid zou hebben om de windturbines weg te nemen, hetgeen de facto neerkomt op beëindiging van de akte, dan zou de met veel waarborgen omgeven regeling voor beëindiging van de akte bij onrendabele exploitatie geen zin hebben.
De stelling van Windpark dat uit de woorden “de alsdan aanwezige opstallen” zou moeten volgen dat zij de windturbines naar eigen goeddunken weg zou kunnen nemen, is onjuist. De relevantie van deze woorden volgt uit artikel 5.2 van de akte waarin de mogelijkheid is opgenomen tot wijziging van onder meer het gebruik van de opstallen. De wijziging van de akte is overigens door de betreffende notaris de dag voor het passeren van de akte doorgevoerd en niet met de Landeigenaren gedeeld en daardoor ook niet door de Landeigenaren met hun advocaten besproken. Het feit dat de Landeigenaren de definitieve akte hebben ondertekend, kan hun derhalve niet worden tegengeworpen.
Vordering tot schadevergoeding wegens het mislopen van variabele retributies 47. Van der [appellanten] vorderen schadevergoeding vanwege het mislopen van variabele retributies als de windturbines worden weggenomen. Wat daar ook van zij, Van der [appellanten] hebben geen belang bij extra zekerheid door conservatoire beslagen op dit punt. Windpark heeft immers onweersproken gesteld dat zij de variabele retributies zal blijven voldoen zolang de windturbines energie produceren en door dit arrest zullen de beslagen op de windturbines herleven.
Grief I in het voorwaardelijk incidenteel appel van Windpark 48. De eerste grief van Windpark in haar voorwaardelijk incidenteel appel is gericht tegen de feitenvaststelling door de voorzieningenrechter en met name tegen de vaststelling dat Windpark te kennen zou hebben gegeven geen gebruik te willen maken van haar recht op verlenging van het opstalrecht. Aangezien het hof dit hierboven niet als feit heeft vastgesteld en deze uitspraak daarop (dus) ook niet (mede) is gebaseerd, heeft Windpark verder geen belang bij behandeling van deze grief.
Incidentele vordering van [appellanten] 49. Aangezien bij dit arrest uitspraak in de hoofdzaak wordt gedaan, hebben [appellanten] geen belang meer bij een beslissing op hun incidentele vordering.
Verzoek van [appellanten] tot het leggen van aanvullende conservatoire beslagen 50. Aangezien het hof van oordeel is dat een deel van de beslagen terecht is opgeheven, is er geen grond voor toewijzing van het verzoek van [appellanten] tot het verlenen van verlof om aanvullende conservatoire beslagen te leggen. Het verzoek zal daarom worden afgewezen.
Bezwaar van Windpark tegen het overleggen van producties 2, 3 en 5 door [appellanten] 51. [appellanten] hebben in hun appeldagvaarding gesteld dat de voorzieningenrechter een aantal producties van [appellanten] en een productie van Windpark heeft geweigerd. Het betreft de producties 2, 3, 5 en 6 van [appellanten] en de productie 25 van Windpark. [appellanten] hebben in hun appeldagvaarding aangekondigd deze producties op de eerste roldatum in hoger beroep in het geding te zullen brengen. [appellanten] hebben deze producties vervolgens opgenomen in hun kopie van het procesdossier. Windpark heeft daartegen tijdens het pleidooi bezwaar gemaakt. Nu het hof zijn arrest niet op de betreffende producties heeft gebaseerd, heeft Windpark geen belang bij een beslissing op haar bezwaar.
Conclusie 52. De slotsom is dat de grieven in principaal appel in zoverre slagen dat het vonnis zal worden vernietigd voor zover daarin de conservatoire beslagen die zijn gelegd op de windturbines zijn opgeheven en [appellanten] in de kosten zijn veroordeeld. De vordering van Windpark tot opheffing van de door [appellanten] gelegde conservatoire beslagen zal worden afgewezen voor zover die vordering betrekking heeft op de conservatoire beslagen gelegd op de windturbines. De grieven in principaal appel voor het overige en de grieven in incidenteel appel falen zodat het vonnis voor het overige zal worden bekrachtigd. Het verzoek van [appellanten] tot het verlenen van verlof tot het leggen van aanvullende conservatoire beslagen zal worden afgewezen. Aangezien partijen over en weer op enkele punten in het ongelijk zijn gesteld, zullen de kosten van de eerste aanleg en van het hoger beroep worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. De vordering [appellanten] tot veroordeling van Windpark tot terugbetaling van al hetgeen [appellanten] ter uitvoering van het bestreden vonnis aan Windpark hebben voldaan, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling tot de dag van terugbetaling, zal worden toegewezen.
Beslissing Het hof:
Dit arrest is gewezen door mrs. J.E.H.M. Pinckaers, E.M. Dousma-Valk en H.J.M. Burg en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 31 augustus 2016 in aanwezigheid van de griffier.