parketnummer 10-731090-11 datum uitspraak 8 september 2016 GERECHTSHOF DEN HAAG Meervoudige raadkamer BESCHIKKING gewezen op het hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 29 januari 2015 op een verzoek-schrift, op grond van artikel 89 van het Wetboek van Strafvordering ingediend door: [naam verzoeker], geboren op [datum] te [plaats], in deze zaak domicilie kiezende ten kantore van zijn advocaat op het adres [adres]. Procesgang Verzoeker heeft in zijn strafzaak de periode van 28 april 2011 tot zijn invrijheidstelling op 5 mei 2011 in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht. Bij een aan verzoeker verzonden brief van 25 maart 2014 heeft de officier van justitie medegedeeld dat is besloten verzoeker niet (verder) te vervolgen vanwege onvoldoende wettig bewijs. Verzoeker heeft vervolgens bij een op 27 juni 2014 ter griffie van de rechtbank ingekomen verzoekschrift gevraagd hem op de voet van artikel 89 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) een bedrag toe te kennen van € 665,- (1 x 105,- + 7 x 80,-) als vergoeding voor de schade die hij heeft geleden als gevolg van de door hem in zijn strafzaak ondergane verzekering en voorlopige hechtenis. De rechtbank Rotterdam heeft bij beschikking van 29 januari 2015 verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in het verzoek ex artikel 89 Sv. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de zaak op 25 maart 2014 (datum brief sepotbeslissing van de officier van justitie) is geëindigd en het verzoek niet overeenkomstig het voorschrift van artikel 89, derde lid, Sv binnen drie maanden na het eindigen van de strafzaak is ingediend. Namens verzoeker is op 19 februari 2015 hoger beroep tegen die beschikking ingesteld. Het hof heeft dit hoger beroep op 30 juni 2016 in raadkamer behandeld. In raadkamer zijn gehoord de advocaat van verzoeker, mr. P.J. Hoogendam, en de advocaat-generaal mr. M. Bode. De verzoeker is –hoewel behoorlijk opgeroepen– niet in raadkamer verschenen. De advocaat-generaal heeft –anders dan de schriftelijke conclusie van zijn ambtgenoot mr. P.G. Blanken van 24 februari 2016- geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot toewijzing van het verzoek. Ontvankelijkheid van het verzoek Op grond van artikel 89, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering dient een verzoek als het onderhavige te worden ingediend binnen drie maanden na beëindiging van de strafzaak. Echter, een redelijke wetstoepassing brengt mee dat de termijn van drie maanden eerst een aanvang neemt nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan op grond waarvan kan worden vastgesteld dat de verdachte van het einde van de zaak, in casu de sepotbeslissing van de officier van justitie van 25 maart 2014, kennis heeft genomen. In hoger beroep is niet gebleken van een omstandigheid op grond waarvan is komen vast te staan dat verzoeker op enig tijdstip voor 26 juni 2014, zijnde de datum van het verzoekschrift, op de hoogte was van de sepotbeslissing van de officier van justitie van 25 maart
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.