GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer : 200.171.332/01 Zaak-/rolnummer rechtbank : C/10/470155 / KG ZA 15-168 Arrest van 19 januari 2016 inzake BREDA BOUW B.V., gevestigd te Teteringen, gemeente Breda, appellante, hierna te noemen: Breda Bouw, advocaat: mr. W.M.J.M. Heijltjes te Groesbeek (postadres Nijmegen), tegen DE GEMEENTE HENDRIK-IDO-AMBACHT, zetelend te Hendrik-Ido-Ambacht, geïntimeerde, hierna te noemen: de Gemeente, advocaat: mr. J.C.G. Franken te Rotterdam. Het geding Bij exploot van 30 april 2015 is Breda Bouw in hoger beroep gekomen van een door de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam tussen partijen gewezen vonnis van 16 april
- Bij memorie van grieven (met producties) heeft Breda Bouw elf grieven tegen het vonnis aangevoerd, die door de Gemeente bij memorie van antwoord tevens houdende eisvermeerdering zijn bestreden. Daarbij heeft de Gemeente tevens haar eis vermeerderd. Tegen die eisvermeerdering heeft Breda Bouw bij akte bezwaar gemaakt. Zij heeft daarbij ook tegen die eisvermeerdering verweer gevoerd. De Gemeente heeft daarop nog een antwoordakte genomen. Ten slotte hebben partijen stukken overgelegd en is arrest gevraagd. Beoordeling van het hoger beroep
- Het hof gaat in deze zaak van het volgende uit. 1.1 De Gemeente heeft op 28 december 2012 een perceel bouwgrond, gelegen in de Gemeente en bestemd voor de bouw van een woning met bijbehoren (verder: het perceel), verkocht aan twee belangstellenden (verder: de kopers). De kopers hebben de koopprijs niet kunnen voldoen en de levering van het perceel heeft nooit plaatsgevonden. 1.2 de Gemeente heeft op 23 juli 2013 aan de kopers een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een woning op het perceel. Op de vergunningaanvraag hadden de kopers aangegeven eigenaar van het perceel te zijn. 1.3 Op 24 september 2013 hebben de kopers met Breda Bouw een aannemingsovereenkomst gesloten voor de bouw van de woning op het perceel. Op 15 oktober 2013 hebben landmeters van de Gemeente het perceel uitgezet en de rooilijn aangegeven. Op 11 november 2013 is Breda Bouw met de bouw van de woning begonnen. Ambtenaren van de Gemeente hebben de bouwwerkzaamheden gecontroleerd. 1.4 Op 24 januari 2014 heeft de Gemeente aan Breda Bouw aangezegd dat zij niet verder mag bouwen op het perceel. Op 27 januari 2014 heeft Breda Bouw haar retentierecht ingeroepen en in de openbare registers doen inschrijven. 1.5 De kopers hebben facturen van Breda Bouw tot een bedrag van € 145.200,- onbetaald gelaten Bij arbitraal vonnis van 16 juli 2014 zijn de kopers veroordeeld aan Breda Bouw in hoofdsom € 338.998,52 te betalen, vermeerderd met rente, instandhoudingskosten, expertisekosten en proceskosten. De voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam heeft op 12 augustus 2014 verlof verleend voor de tenuitvoerlegging van het arbitrale vonnis. 1.6 Breda Bouw heeft op 21 januari 2015 aan de Gemeente medegedeeld dat zij op korte termijn een deurwaarder opdracht zal geven de executie van bovengenoemd arbitraal vonnis aan te zeggen en over te gaan tot verkoop van de opstal en het perceel.
- De Gemeente heeft bij de voorzieningenrechter in de rechtbank gevorderd dat deze Breda Bouw zal verbieden het arbitrale vonnis ten uitvoer te leggen voor zover daarbij tevens het perceel wordt verkocht, met rente en kosten. De voorzieningenrechter heeft de vordering van de Gemeente toegewezen.
- De eerste grief van Breda Bouw heeft betrekking op een onjuiste datumvermelding in het vonnis van de voorzieningenrechter. Het hof heeft daarmee rekening gehouden bij de vaststelling van de feiten waarvan het uitgaat. De grief leidt niet tot vernietiging van het vonnis.
- De tweede tot en met tiende grief richten zich alle tegen de wijze waarop de voorzieningenrechter in het onderhavige geval toepassing heeft gegeven aan artikel 3:291 BW en tegen de daarop gebaseerde beslissing. Zij lenen zich voor gezamenlijke behandeling. De elfde grief betreft de vergoeding van buitengerechtelijke kosten; zij bouwt op de eerdere grieven voort.
- Het hof ziet aanleiding om een comparitie van partijen te bevelen teneinde verdere inlichtingen van partijen te verkrijgen en een schikking te beproeven, en wel, gelet op de omstandigheid dat het om een kort geding gaat, op korte termijn. Het zal elke verdere beslissing aanhouden. Beslissing Het hof: - beveelt partijen, deugdelijk vertegenwoordigd door een persoon die van de zaak op de hoogte is en bevoegd is om een schikking aan te gaan, vergezeld van hun raadslieden, voor het verstrekken van inlichtingen en het beproeven van een minnelijke regeling voor de meervoudige kamer van het hof te verschijnen in één der zalen van het Paleis van Justitie, Prins Clauslaan 60 te Den Haag op 16 februari om 14:30 uur; bepaalt dat, indien één der partijen binnen veertien dagen na heden, onder gelijktijdige opgave van de verhinderdata van beide partijen in de maanden februari en maart van 2016, opgeeft dan verhinderd te zijn, het hof (in beginsel eenmalig) een nadere datum en tijdstip voor de comparitie zal vaststellen; verstaat dat het hof reeds beschikt over een kopie van twee volledige procesdossiers in eerste aanleg en in hoger beroep, inclusief producties, zodat appellant uiterlijk twee weken vóór de comparitie nog twee kopieën van het volledige procesdossier dient over te leggen; - bepaalt dat partijen de bescheiden waarop zij voor het overige een beroep zouden willen doen, zullen overleggen door deze uiterlijk twee weken vóór de comparitie in kopie in viervoud aan de griffie handel, alsmede aan de wederpartij te zenden; - houdt iedere verdere beslissing aan. Dit arrest is gewezen door mrs. A. Dupain, M.A.F. Tan-de Sonnaville en A.V. van den Berg en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 januari 2016 in aanwezigheid van de griffier.