GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Uitspraak : 31 augustus 2016 Zaaknummer : 200.170.916/01 Rekestnummer rechtbank : FA RK 14-7559 Zaaknummer rechtbank : C/10/459462 [appellant] , wonende te [woonplaats] , verzoeker in hoger beroep, hierna te noemen: de man, advocaat: mr. M.D. van Velthoven te Rotterdam, tegen [geïntimeerde] , wonende te [woonplaats] , verweerster in hoger beroep, hierna te noemen: de vrouw, advocaat: mr. W.J.G. Schröder te Rotterdam. In verband met het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (verder: Rv) is in de procedure gekend: de raad voor de kinderbescherming te [vestigingsplaats] , hierna te noemen: de raad. HET VERDERE PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP Het hof verwijst voor het verloop van het geding naar zijn tussenbeschikking van 16 december 2015, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast wordt beschouwd. Bij die beschikking is de verdere behandeling van de zaak aangehouden tot 26 maart 2016 pro forma, in afwachting van de resultaten van een DNA-onderzoek ter beantwoording van de vraag of de man de verwekker is van de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , hierna ook: de minderjarige, en zo ja, met welke mate van waarschijnlijkheid. Tot deskundige om voornoemd onderzoek op een door deze te bepalen plaats en tijd uit te voeren is [deskundige] , verbonden aan Verilabs Nederland B.V. benoemd. Op 22 januari 2016 is van [deskundige] van Verilabs Nederland B.V. het rapport van 21 januari 2016 van het verwantschapsonderzoek bij het hof ingekomen. Bij brief van 2 februari 2016 heeft het hof partijen in de gelegenheid gesteld op dit rapport te reageren. Op 29 februari 2016 is van de zijde van de man een V-formulier van diezelfde datum bij het hof ingekomen met als bijlage een brief van 29 februari 2016 waarin de advocaat van de man het hof verzoekt, nu het verwantschapsonderzoek heeft aangetoond dat de man ook daadwerkelijk de vader is van de minderjarige, de zaak verder te behandelen waarbij het onderwerp van de behandeling het verzoek tot het vaststellen van een omgangsregeling zal behoren te zijn. Op 1 maart 2016 is van de zijde van de vrouw een V-formulier van diezelfde datum bij het hof ingekomen met als bijlage een brief van 1 maart 2016 waarin de advocaat van de vrouw stelt dat nu met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid is komen vast te staan dat de man de verwekker is van de minderjarige de bestreden beschikking niet in stand kan blijven, nu hierin is bepaald dat de man niet in zijn verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling kan worden ontvangen. De vrouw meent dat de bestreden beschikking vernietigd moet worden en betoogt dat ter voorkoming van een verlies van instantie, het hof de zaak naar de rechtbank dient te verwijzen teneinde in eerste feitelijke instantie te beslissen over een omgangsregeling. VERDERE BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP Deskundigenrapport 1. Uit het rapport van 21 januari 2016 betreffende het verwantschapsonderzoek blijkt dat het verwantschapsonderzoek positief is en dat het praktisch bewezen is dat de man de biologische vader is van de minderjarige. Partijen hebben de uitkomst van het deskundigenrapport niet weersproken. 2. Het hof ziet in het bovenstaande aanleiding als vaststaand te beschouwen dat de man de verwekker is van de minderjarige. Omgangsregeling 3. De man stelt dat hij altijd omgang met de minderjarige heeft willen hebben, zodat wat hem betreft sprake is van intended family life. Door het toedoen van de vrouw is de omgang volgens hem nooit tot stand gekomen. De minderjarige is erkend door de echtgenoot van de vrouw en de man acht het van belang dat de minderjarige komt te weten wie zijn biologische vader is. De man respecteert het gezinsleven van de vrouw maar wil zijn kind af en toe zien. De man verzoekt het hof hem derhalve ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek en een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming te bepalen waarbij onderzoek wordt gedaan naar de wenselijkheid van contact indien het hof het vaststellen van een omgangsregeling thans prematuur vindt. Een andere optie voor de man is een lang traject van procedures (onder meer benoeming bijzondere curator, vernietiging erkenning, verzoek tot vervangende toestemming erkenning) om uiteindelijk op grond van het bepaalde in artikel 1:377a van het Burgerlijk Wetboek, hierna: BW, omgang te kunnen verzoeken. De man erkent dat hij geen bewijs heeft dat hij tot op heden betrokkenheid heeft getoond maar acht het van belang zijn zoon te leren kennen. 4. De vrouw betwist dat er sprake is van intended family life. De man heeft tijdens de zwangerschap, na de bevalling en de jaren daarna geen enkele interesse in de minderjarige getoond. Zijn enige interesse betreft de vraag of hij de verwekker van de minderjarige is. Zij vindt de benoeming van een bijzondere curator een brug te ver. Als het hof tot de conclusie komt dat wel sprake is van intended family life dan verzoekt de vrouw het hof een belangenafweging te maken. De vrouw staat te zijner tijd wel open voor statusvoorlichting maar de minderjarige heeft nu een stabiele omgeving, een wettige vader en volle zus en broer (heeft hof leest: halfzus en –broer). De grootouders weten niet dat de huidige partner van de vrouw niet de biologische vader van de minderjarige is en de minderjarige is nu nog niet gediend bij contactmomenten omdat daaraan voorafgaand eerst statusvoorlichting plaats zou moeten vinden. Er is rust, stabiliteit en er zijn zekerheden en de vrouw wil dat dat in stand blijft. 5. Het hof oordeelt als volgt. Ingevolge het bepaalde in artikel 8 EVRM en artikel 1:377a lid 1 BW hebben het kind en degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat recht op omgang met elkaar. Bij gebreke van zodanige betrekking vloeit hetzelfde voort uit het eveneens in artikel 8 EVRM gewaarborgde recht op private life. Uit het recht op private life, in het bijzonder het recht op persoonlijke identiteit, vloeit eveneens voort dat een kind het recht heeft te weten van wie het afstamt. Dat recht is tevens gewaarborgd in de artikelen 7 en 8 van het IVRK. Uit de jurisprudentie van het EHRM volgt inmiddels dat in gevallen waarin geen sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking een verzoek tot omgang van een verwekker van een kind niet zonder meer kan worden afgewezen, zeker niet in een situatie dat het aan de ouder(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.