GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht meervoudige kamer nummer BK-15/00776 Uitspraak van 12 januari 2016 in het geding tussen: [X] te [Z] , belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Den Haag, de Inspecteur, op het verzoek van belanghebbende tot herziening van de uitspraak van het gerechtshof Den Haag van 23 september 2014, nummer BK-14/00077, betreffende de hierna vermelde aanslag. Aanslag, beschikking, bezwaar en geding in eerste en tweede aanleg 1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2010 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 19.082. 1.2. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar afgewezen. 1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. 1.4. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 118. Het verschuldigde griffierecht is niet voldaan. Het Hof heeft na vereenvoudigde behandeling bij de hiervoor vermelde uitspraak van 23 september 2014 het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. Loop van het geding in het herzieningsverzoek 2.1. Belanghebbende heeft herziening verzocht van laatst vermelde uitspraak. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 118. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 1 december 2015, gehouden te Den Haag. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. De Inspecteur is wel, doch belanghebbende is niet verschenen. Belanghebbende is door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op 6 oktober 2015 aan de gemachtigde van belanghebbende, [Y] , op het adres [A] te [Z] ter attentie van de heer [B] , onder vermelding van plaats, datum en tijdstip uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Blijkens bij PostNL ingewonnen informatie, welke aan het dossier is toegevoegd, is de vorenbedoelde brief op 7 oktober 2015 aan de heer [B] op het voormelde adres uitgereikt. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het verzoek tot herziening 3.1. De griffier van het Hof heeft belanghebbende bij aangetekende brief van 10 september 2015, die blijkens bij PostNL ingewonnen informatie, welke aan het dossier is toegevoegd, is afgeleverd op het door belanghebbende opgegeven adres, herinnerd aan de verschuldigdheid van griffierecht ter zake van het verzoek tot herziening en voor de betaling een termijn van vier weken gesteld. Het griffierecht is niet voldaan. 3.2. Belanghebbende heeft onder verwijzing naar het arrest (van de civiele kamer) van de Hoge Raad van 19 september 2014, nr. 13/06217, ECLI:NL:HR:2014:2741 en het arrest van de Hoge Raad 17 oktober 2014, nr. 14/02168, ECLI:NL:HR:2014:3001, V-N 2014/59.1.6 betoogd dat voor het in behandeling nemen van het herzieningsverzoek vooraf geen griffierecht verschuldigd is. Dit betoog faalt, aangezien het in strijd is met het bepaalde in artikel 8:119, derde en vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, waaruit volgt dat het griffierecht verschuldigd is ten tijde van de indiening van het verzoek tot herziening. Uit de hiervoor bedoelde arresten kan de door belanghebbende voorgestane conclusie evenmin worden afgeleid. In het als eerst vermelde arrest is de verzoekster in de betreffende herzieningsprocedure door de Hoge Raad niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek op de gronden vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3. Uit punt 3 van de conclusie volgt dat
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.