GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer : 200.171.222/01 Zaaknummer rechtbank : 2003293 CV EXPL 13-7209 arrest van 25 oktober 2016 inzake [appellant], wonende te Schiedam, appellant, hierna te noemen: [appellant], advocaat: mr. W.A. van Veen te Utrecht, tegen Van der Velden Rioleringsbeheer Rotterdam B.V., gevestigd te Rotterdam, geïntimeerde, hierna te noemen: Van der Velden, advocaat: mr. H.M. Kruitwagen te Arnhem. Het geding Voor het verloop van de procedure tot die datum wordt verwezen naar het tussenarrest van 30 juni 2015 waarbij een comparitie na aanbrengen is gelast. De comparitie heeft plaatsgevonden op 6 november 2015. Van de comparitie is proces-verbaal gemaakt. Bij memorie van grieven met producties heeft [appellant] vijf grieven aangevoerd. Bij memorie van antwoord met producties heeft Van der Velden de grieven bestreden. Vervolgens hebben partijen op 13 september 2016 de zaak doen bepleiten, [appellant] door mr. D. van Doorn, advocaat te Utrecht, en Van der Velden door mr. D.K. Baas, advocaat te Arnhem, beiden aan de hand van overgelegde pleitnotities. Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd en is arrest gevraagd. Beoordeling van het hoger beroep Feiten 1.1 De door de kantonrechter in het vonnis van 4 oktober 2013 vastgestelde feiten zijn niet in geschil. Ook het hof zal daar van uitgaan. 1.2 Het gaat in deze zaak om het volgende. 1.3 [appellant], geboren op [geboortedatum], heeft vanaf 4 februari 2002 bij Van der Velden gewerkt als rioolbeheerder. 1.4 Vanaf 1 november 2004 is [appellant] voor zijn werkzaamheden uitgevallen wegens long- en huidklachten. De bedrijfsarts achtte [appellant] in verband met die klachten niet langer geschikt voor zijn werk bij Van der Velden. Na een niet geslaagd re-integratietraject is het dienstverband van [appellant] bij Van der Velden per 1 november 2006 geëindigd. 1.5 [appellant] is door het UWV per 6 november 2006 voor minder dan 35% arbeidsongeschikt verklaard; een WIA-uitkering werd geweigerd. Bezwaar en beroep daartegen werden ongegrond verklaard. 1.6 In november 2010 heeft in opdracht van het UWV een nieuwe verzekeringsgeneeskundige rapportage plaatsgevonden in verband met een nieuwe ziekmelding van [appellant] wegens klachtentoename. Vervolgens is [appellant] met ingang van 17 november 2010 100% arbeidsongeschikt verklaard. Vordering, vonnis kantonrechter 2.1 [appellant] heeft bij inleidende dagvaarding van 1 februari 2013 gevorderd (naast vergoeding van buitengerechtelijke kosten en proceskosten) – samengevat – veroordeling van Van der Velden tot betaling van een voorschot van € 30.000, met verwijzing naar de schadestaat om de overige schade van [appellant] vast te stellen. 2.2 [appellant] legde aan zijn vordering ten grondslag – samengevat – dat Van der Velden op de voet van artikel 7:658 BW aansprakelijk is voor de gezondheidsschade die [appellant] lijdt doordat Van der Velden haar zorgplicht niet is nagekomen. Volgens [appellant] moest hij bij Van der Velden veelvuldig in krappe, vochtige kruipruimten werken, waarbij hij werd blootgesteld aan onder andere schimmels, ongedierte en rioolgas, hetgeen de huid- en longproblemen van [appellant] heeft veroorzaakt. 2.3 Van der Velden heeft als verweer onder meer gevoerd dat geen schade is geleden in de uitoefening van de werkzaamheden. 2.4 De kantonrechter heeft [appellant] toegelaten tot het bewijs van zijn stelling dat de schade is geleden in de uitvoering van de werkzaamheden, meer in het bijzonder door het werken in kruipruimten, ter uitvoering waarvan de kantonrechter een deskundigenbericht heeft gelast. 2.5 De deskundigen hebben op 26 september 2014 rapport uitgebracht. 2.6 In het eindvonnis van 9 januari 2015 heeft de kantonrechter de vorderingen van [appellant] afgewezen en [appellant] veroordeeld in de proceskosten. De kantonrechter heeft overwogen dat hij op grond van het deskundigenrapport niet tot het oordeel kan komen dat er causaal verband bestaat tussen de gezondheidsklachten van [appellant] en de werkzaamheden die hij voor Van der Velden heeft verricht. 2.7 Tegen dit vonnis is [appellant] in hoger beroep gekomen. Hij vordert vernietiging van het vonnis van de kantonrechter en toewijzing van het in eerste aanleg gevorderde. 2.8 Van der Velden heeft de grieven weersproken. Beoordeling in hoger beroep 3.1 De grieven richten zich tegen de afwijzing van de vorderingen van [appellant], waarmee in hoger beroep het geschil in volle omvang voorligt. De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling. 3.2 Ook in hoger beroep legt [appellant] aan zijn vordering ten grondslag dat hij als gevolg van zijn werkzaamheden bij Van der Velden schade heeft geleden, waardoor hij onder meer (volledig) arbeidsongeschikt is geraakt. Daarbij gaat het in hoger beroep alleen nog om schade in de zin van de longproblematiek (astma) van [appellant]. De huidproblemen die mede onderwerp van debat in eerste aanleg waren zijn in hoger beroep niet meer aan de orde. 3.3 Van der Velden betwist gehouden te zijn tot enige vergoeding; zij stelt zich onder meer op het standpunt dat de longproblemen van [appellant] niet zijn veroorzaakt door de werkzaamheden bij Van der Velden. 3.4 Ook het geschil in hoger beroep spitst zich derhalve (in de eerste plaats) toe op de vraag of de longproblemen van [appellant] in oorzakelijk verband staan tot de werkzaamheden bij Van der Velden. 3.5 In beginsel rusten de stelplicht en bewijslast ten aanzien van het causaal verband tussen de bij Van der Velden verrichte werkzaamheden en de longproblemen op [appellant]. Wanneer echter een werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden is blootgesteld aan voor de gezondheid gevaarlijke omstandigheden en schade aan zijn gezondheid heeft opgelopen, moet het door de werknemer te bewijzen oorzakelijk verband tussen de werkzaamheden en die schade in beginsel worden aangenomen indien de werkgever heeft nagelaten de maatregelen te treffen die redelijkerwijs nodig zijn om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden dergelijke schade lijdt. Voor de toepassing van deze regel is nodig dat [appellant] niet alleen stelt en zo nodig bewijst dat hij zijn werkzaamheden heeft moeten verrichten onder omstandigheden die schadelijk kunnen zijn voor zijn gezondheid, maar ook dat hij stelt en zo nodig aannemelijk maakt dat hij lijdt aan gezondheidsklachten die daardoor kunnen zijn veroorzaakt. Deze regel drukt het vermoeden uit dat de gezondheidsschade van de werknemer is veroorzaakt door de omstandigheden waarin deze zijn werkzaamheden heeft verricht. Dat vermoeden wordt gerechtvaardigd door hetgeen in het algemeen bekend is omtrent de ziekte en haar oorzaken, alsook door de schending door de werkgever van de veiligheidsnorm die beoogt een en ander te voorkomen. Gelet daarop is voor dit vermoeden geen plaats in het geval het verband tussen de gezondheidsschade en de arbeidsomstandigheden te onzeker of te onbepaald is. 3.6 Ter onderbouwing van zijn stelling dat zijn astma kan zijn veroorzaakt door de werkzaamheden bij Van der Velden, heeft [appellant] verwezen naar het in eerste aanleg uitgebrachte deskundigenrapport. Dit rapport vermeldt onder meer het volgende. Ten aanzien van de blootstelling aan voor de gezondheid schadelijke stoffen en gassen stelt de deskundige in algemene zin (naar aanleiding van een rapport van dr. ir. R. Houba) (p. 7): “Rioolwerkers worden potentieel blootgesteld aan giftige gassen, in het bijzonder zwavelwaterstof (H2S) en methaangas, aan micro-organismen (bacteriën, virussen, wormen, schimmels) en bacteriële endotoxinen, chemicaliën en andere stoffen die worden geloosd. Arbeidsgerelateerde klachten en aandoeningen binnen deze populatie zijn in de literatuur beschreven. Het betreft algemene gezondheidsklachten, irritatie van het oog- en neusslijmvlies, lagere luchtwegklachten waaronder astma, bronchitis, maag-darmklachten en infecties. Deze gezondheidseffecten worden in verband gebracht met de blootstelling, maar een causale relatie met een specifieke stof is zelden vastgesteld. Gegevens over de invloed van arbeidsomstandigheden, de taken die worden verricht, de hoogte en de duur van blootstelling op de kans dat gezondheidseffecten optreden is beperkt.” Over de specifieke werksituatie van [appellant] staat in het rapport (p. 8): “De taak-functie en arbeidsomstandigheden van [appellant] zijn maar gedeeltelijk vergelijkbaar met die van rioolwerkers in zuiveringsinstallaties of openbare riolen. Ook de omschrijving van de functie rioolreparateur door het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten (…) komt niet goed overeen met de werkzaamheden van [appellant]. In de laatste beschrijving worden behalve H2S geen specifieke risico’s van rioolwater benoemd. Uit de arbocatalogus afvalbranche, besloten ruimten (B) blijkt dat kruipruimtes bij particulieren, onder kantoorgebouwen en rioolsleuven in de praktijk besloten ruimten zijn met een beperkt risico indien dit blijkt uit een LMRA (Laatste Minuut Risico Analyse). Informatie omtrent door [appellant] uitgevoerde LMRA’s ontbreekt. Wel is de LMRA opgenomen in de procedure Algemene KAM regels Business Unit C. Een kruipruimte bij particulieren is dus niet zonder meer veilig, maar pas als dit blijkt uit de LMRA van de alleenwerker. Werknemers mogen een besloten ruimte niet betreden (en dit is ook strafbaar) bij het vermoeden van mogelijke blootstelling aan gevaar voor verstikking, bedwelming of vergiftiging, zonder dat eerst onderzoek naar deze gevaren is gedaan (…). Van der Velden stelt dat uit metingen was gebleken dat kruipruimten in woningen nooit een gevaar opleverden (…). Niet duidelijk wordt aan welke metingen (en meetmethode) wordt gerefereerd en of dit algemeen kan gelden voor alle kruipruimten van woningen en een LMRA daarmee overbodig maakt.” Over (de relatie tussen) de blootstelling en de astma van [appellant] staat in het deskundigenrapport het volgende: (p. 9) “Dat [appellant] werk verrichte aan rioleringen in besloten, slecht geventileerde, vochtige en verontreinigde ruimten en dat hij daarbij is blootgesteld aan rioolwater gerelateerde stoffen en gassen kan niet worden uitgesloten. Omdat het voornamelijk kruipruimten in woningen betroffen zal het risico en de blootstelling beperkt zijn geweest, als wordt uitgegaan van de duur en frequentie van de werkzaamheden zoals [appellant] opgeeft.” (p. 10): “Thans 53 jarige man, ex-roker. Hij zou gestopt zijn in 2008, het aantal pakjaren dat wordt opgegeven loopt uiteen van 4 pakjaren tijdens het deskundigenonderzoek tot 26 pakjaren door collega Braunstahl. Geen atopie en geen pulmonale voorgeschiedenis. Betrokkene ontwikkelde in 2000 voor het eerst luchtwegklachten, waarvoor hij werd onderzocht door de longarts in het Vlietland Ziekenhuis, waarbij geen aanwijzingen voor astma of andere longaandoeningen werden gevonden. In 2006 wordt hij opnieuw gezien door de longarts. Sindsdien wordt een variabele luchtwegobstructie gevonden passend bij astma, waarbij alle waarden op een lager niveau liggen in vergelijking met de waarden uit de periode 2000 en 2001. Rekening houdend met een afgenomen blaastechniek, die betrouwbare metingen tijdens het deskundigenonderzoek verhinderde, laten de flow-volume curves vanaf 2007 echter een variabele luchtwegobstructie zien, duidelijk toegenomen vanaf 2000 en 2001. Het beeld past bij astma. Omdat de longarts in 2000 een voorgeschiedenis van luchtwegklachten afwezig achtte en bij onderzoek, ondanks luchtwegklachten, geen enkele aanwijzing vond voor een longaandoening, in het bijzonder astma, dient te worden uitgegaan van een astma dat is ontstaan op volwassen leeftijd. Dit wordt versterkt door de maag- darmklachten, die een alternatieve verklaring kunnen vormen voor ervaren klachten vóór 2000, door de huisarts mogelijk geduid als astmatisch. Zelfs als een astma aanwezig zou zijn tussen 1992 en 2000, dan is het verschil in longfuncties tussen 2000/2001 en longfuncties na 2007 dermate groot, dat gesproken kan worden van een opnieuw ontstaan of verergerd astma. (…) Tussen 2002 en 2006 heeft hij gewerkt als rioleringsbeheerder/monteur, waarbij hij potentieel is blootgesteld aan stoffen, gassen en dampen die in de literatuur in verband zijn gebracht met astma. De aard, de hoogte en de duur van de blootstelling is niet vastgesteld en onzeker. Op basis van evaluatie van de blootstelling moet rekening worden gehouden met blootstelling aan irriterende stoffen, micro-organismen en chemicaliën in rioolwater evenals irriterende stoffen en allergenen in producten die worden toegepast bij reparatie. Daarnaast geeft [appellant] aan te zijn blootgesteld aan metaalslijpstof (ijzer). Adembescherming was aanwezig, maar het type masker dat [appellant] zegt te hebben gebruikt en de frequentie van verschonen was niet adequaat en zal de blootstelling aan gassen en dampen, voor zover aanwezig, niet effectief hebben verminderd. (…) Behalve beroepsmatige blootstelling zijn roken en het familiair voorkomen van astma belangrijke risicofactoren voor het ontstaan en/of onderhouden van astma. In 2001 schrift De Goeij, longarts, dat [appellant] fors rookt en zijn vader bekend is met astma. Bij mijn onderzoek geeft [appellant] op dat hij in 1995 is gestart met het roken van 7 sigaretten/dag (dat niet als fors maar eerder als licht tot matig roken moet worden beschouwd) en dat in de familie geen longaandoeningen voorkomen. Ook het aantal opgegeven pakjaren dat hij heeft gerookt wisselt.” (p. 11) “Conclusie: niet-allergisch astma, ontstaan vanaf 2000, waarbij beroepsmatige blootstelling, roken en mogelijk ook familiair voorkomen als oorzakelijke factoren worden overwogen. De ervaren ziektelast is hoog bij een beperkte energetische, inhalatoire, mentaal perceptieve en psychosociale belastbaarheid.” (p. 22) “5. Huidige mate van functieverlies, uitgedrukt in een percentage conform de AMA Guide 6e editie, aangevuld met de richtlijnen van de beroepsvereniging) (…) De AMA Guidelines fort he evaluation of permanent impairment 6e editie hanteert de waarden van longfunctie na optimale behandeling én na het direct effect van bronchodilatatie. Op basis van de meest recente longfunctie uitgevoerd in het kader van het deskundigenonderzoek is dan sprake van een beperking klasse 2: 11-23% van de gehele persoon. (…) Betrokkene is echter niet optimaal behandeld en blaast technisch matig, waardoor het percentage lager zou kunnen uitvallen, namelijk in klasse 1: 2-10%. Anderzijds is de ziektelast hoog, hetgeen de mate van beperking verhoogt. Als het gemiddelde tussen de 2 uiterste waarden, 2% uit klasse 1 en 23% uit klasse 2, wordt genomen dan komt het percentage op 10%.” (p. 24) “15. Klachten en afwijkingen die er ook zouden zijn geweest of op enig moment hadden kunnen ontstaan zonder blootstelling van betrokkene aan de belastende werkomstandigheden Roken en het familiair voorkomen van astma zijn belangrijke risicofactoren voor het ontstaan en/of onderhouden van astma. Het klachtenpatroon en de beperkingen zouden niet verschillen van het actuele beeld. Voor het vaststellen van de kans dat het astma bij [appellant] zou optreden zonder beroepsmatige blootstelling, dient de invloed van de beroepsmatige blootstelling te worden afgewogen tegen de invloed van roken en het familiair voorkomen van astma. Omtrent al deze factoren bestaat een vrij grote mate van onzekerheid, zodat de kans arbitrair op 50% kan worden gesteld.” (p. 26) “2d. Eigen opvatting Indien eenduidige veiligheidsprocedures voor het werken in kruipruimten van woningen ontbraken en uitgaande van de duur en frequentie van de werkzaamheden zoals [appellant] opgeeft, dan wordt gezondheidsrelevante blootstelling aan schadelijke gassen plausibel geacht en is een relatie met het ontstaan van zijn astma reëel.” 3.7 Partijen verschillen van mening over (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.