ECLI:NL:GHDHA:2016:2954
GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Uitspraak : 14 september 2016 Zaaknummer : 200.196.651/01 Zaaknummer rechtbank : 5221978 BM VERZ 16-4284 Dossiernummer : BM 4380 [appellant] , in zijn hoedanigheid van bewindvoerder over alle goederen die (zullen) toebehoren aan [rechthebbende] , geboren op [geboortedatum] , wonende te [woonplaats] , verzoeker in hoger beroep, hierna te noemen: de verzoeker, tevens optredend als advocaat.
Als belanghebbende zijn aangemerkt:
PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP De verzoeker is op 3 augustus 2016 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 19 juli 2016 van de rechtbank Rotterdam, sector kanton.
Op 18 augustus 2016 heeft de verzoeker een faxbericht van diezelfde datum ingediend, waarin is medegedeeld dat de rechthebbende en de broer van de verzoeker het eens zijn met het verzoek in eerste aanleg tot uitkering van het vaderlijk erfdeel. Als blijk van instemming is voormeld faxbericht mede ondertekend door de broer van de verzoeker en als bewindvoerder heeft de verzoeker het faxbericht mede namens de rechthebbende ondertekend. Verzocht is uitspraak te doen op basis van de stukken, zodat er geen mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden.
PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.
Bij die beschikking heeft de rechtbank het verzoek van de verzoeker, strekkende tot het verkrijgen van toestemming om aan de kinderen van de rechthebbende de wettelijke erfdelen uit de nalatenschap van [naam] (geboren op [geboortedatum] en overleden op [datum] ) uit te keren, afgewezen.
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen.
BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP 1. In geschil is het verzoek van de verzoeker tot het verkrijgen van toestemming om de erfdelen uit de nalatenschap van wijlen [naam] uit te mogen keren aan de kinderen van de rechthebbende, in casu [belanghebbende] en de verzoeker.
De verzoeker stelt dat de verzochte bijdrage zonder meer kan worden voldaan uit het bestaande vermogen, ongeveer € 300.000,-, temeer nu er geen vooruitzicht is dat ten laste van dit vermogen in de toekomst substantiële bedragen ten behoeve van de rechthebbende uitgekeerd dienen te worden.
Daarnaast is de uitkering van het erfdeel (het hof begrijpt: betaling van de geldvordering) van belang nu de rechthebbende sinds januari 2015 in een woonzorgcentrum woont en zij twee jaar na het overlijden van haar echtgenoot een hogere bijdrage in de zorgkosten zal moeten voldoen die is gebaseerd op een bepaald percentage van het Box 3-vermogen. In afwijking van het verzoek in eerste aanleg – waarbij een uit te keren erfdeel van € 48.985,- per kind is verzocht – verzoekt de verzoeker thans het uit te keren erfdeel te bepalen op € 37.229,- per kind, zulks in overeenstemming met het bedrag van de verkrijging.
BESLISSING OP HET HOGER BEROEP Het hof: vernietigt de bestreden beschikking en opnieuw beschikkende: wijst het verzoek van de verzoeker toe en machtigt de verzoeker in zijn hoedanigheid van bewindvoerder om zowel aan [belanghebbende] als aan hemzelf een bedrag van € 37.229,- uit te keren, zijnde hun geldvorderingen uit hoofde van de wettelijke verdeling van de nalatenschap van [naam] ; bepaalt dat de verzoeker de eigen proceskosten van het geding in hoger beroep draagt.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.A. van Kempen, A.H.N. Stollenwerck en P.B. Kamminga, bijgestaan door A.J. Suderée als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 september 2016.