GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Uitspraak : 5 oktober 2016 Zaaknummer : 200.191.046/01 en 200.109.046/02 Rekestnummer rechtbank : FA RK 14-6416 + JE RK 16-121 Zaaknummer rechtbank : C/09/471810 en C/09/504007 [appellante] , wonende te [woonplaats] , verzoekster in hoger beroep, hierna te noemen: de moeder, advocaat mr. M.L. van Leer te Amsterdam, tegen [geïntimeerde] , wonende te [woonplaats] , verweerder in hoger beroep, hierna te noemen: de man, advocaat mr. M.A. Heeringa te Den Haag. Als belanghebbende zijn aangemerkt: - [naam] in zijn hoedanigheid van bijzondere curator van de na te noemen minderjarige, kantoorhoudende te Katwijk, hierna te noemen: de bijzondere curator, - de Stichting Jeugdbescherming [vestigingsplaats] , hierna te noemen: de gecertificeerde instelling. Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: de raad voor de kinderbescherming [vestigingsplaats] , hierna te noemen: de raad. PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP De moeder is op 12 mei 2016 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 16 februari 2016 van de rechtbank Den Haag. De bijzondere curator heeft op 23 mei 2016 een verweerschrift ingediend. De man heeft op 13 juni 2016 een verweerschrift ingediend. Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen: van de zijde van de moeder: - op 27 mei 2016 een V-formulier van diezelfde datum met bijlagen; - op 22 augustus 2016 een V-formulier van diezelfde datum met bijlagen; van de zijde van de man: - op 22 augustus 2016 een brief van diezelfde datum met als bijlage een V-formulier van diezelfde datum met bijlagen; van de zijde van de gecertificeerde instelling: - op 30 augustus 2016 een brief van 29 augustus 2016 met bijlagen. De raad heeft bij brief van 26 mei 2016 zijn rapport van 25 september 2015 aan het hof overgelegd. De zaak is op 31 augustus 2016 mondeling behandeld. Ter zitting waren aanwezig: - de moeder, bijgestaan door haar advocaat; - de man, bijgestaan door zijn advocaat; - de bijzondere curator; - [naam] namens de raad; - [naam] namens de gecertificeerde instelling. De advocaat van de moeder heeft ter zitting pleitnotities overgelegd. PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de tussenbeschikking van 9 maart 2015 en de bestreden beschikking. In de tussenbeschikking heeft de rechtbank de behandeling pro forma aangehouden tot 1 augustus 2015 teneinde de raad in de gelegenheid te stellen om onderzoek te verrichten en rapport en advies uit te brengen over de vraag of de erkenning door de man van [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , hierna ook te noemen: de minderjarige, de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met de minderjarige of de belangen van de minderjarige zal schaden. Tevens is de raad verzocht om ook ten aanzien van de omgangsregeling tussen de man en de minderjarige en het gezag een onderzoek in te stellen. Iedere verdere beslissing ten aanzien van de vervangende toestemming tot erkenning, het gezag, de omgangsregeling en de informatie- en consultatieregeling is aangehouden. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de man vervangende toestemming verleend, welke toestemming de toestemming van de moeder vervangt, tot erkenning van de minderjarige. Voorts is bepaald, onder de voorwaarde dat de minderjarige door de man wordt erkend, dat de man voortaan samen met de moeder het gezag zal uitoefenen over de minderjarige, onder bepaalde voorwaarden. Daarnaast is de minderjarige, uitvoerbaar bij voorraad, onder toezicht gesteld van de gecertificeerde instelling van 16 februari 2016 tot 16 februari 2017. Het meer of anders verzochte, waaronder het verzoek van de man om een omgangs- dan wel zorgregeling vast te stellen, is afgewezen. Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP 1. In geschil zijn de werking van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de bestreden beschikking voor zover het de ondertoezichtstelling van de minderjarige betreft, de vervangende toestemming tot erkenning van de minderjarige door de man, het gezag over de minderjarige en de ondertoezichtstelling van de minderjarige. 2. De moeder verzoekt het hof: 1) de uitvoerbaarheid bij voorraadverklaring van de bestreden beschikking voor zover het de ondertoezichtstelling betreft voorlopig te schorsen tot dat een nieuwe beslissing is gegeven; 2) de bestreden beschikking te vernietigen en de verzoeken van de man om hem vervangende toestemming tot erkenning van de minderjarige te verlenen, hem mede te belasten met het gezag over de minderjarige, tot vaststelling van een zorg- dan wel omgangsregeling over te gaan, en de minderjarige onder toezicht te stellen, af te wijzen, met compensatie van de proceskosten. 3. De man verweert zich daartegen en verzoekt het hof de grieven van de moeder te verwerpen. Vervangende toestemming erkenning 4. De moeder voert, samengevat, het volgende aan. Zij heeft in eerste aanleg uitgebreid gemotiveerd dat een erkenning door de man van de minderjarige een negatief gevolg zal hebben voor haar psychische gesteldheid, wat vervolgens ook weer zijn weerslag zal hebben op de minderjarige. Hij loopt als gevolg daarvan het risico niet meer in een stabiele situatie bij de moeder te kunnen opgroeien. De rechtbank heeft derhalve ten onrechte de man vervangende toestemming verleend tot erkenning van de minderjarige, aldus de moeder. 5. De man heeft de stellingen van de moeder gemotiveerd weersproken. Hij kan zich vinden in het advies van de raad en meer in het bijzonder in het oordeel van de rechtbank dat niet aan te nemen valt dat de enkele erkenning van de minderjarige door de man de relatie tussen de moeder en de minderjarige althans de belangen van de minderjarige zal schaden. 6. De bijzondere curator is van mening dat de rechtbank terecht vervangende toestemming tot erkenning heeft verleend. Hetgeen de moeder aanvoert in hoger beroep is een herhaling van zetten. De moeder heeft volgens de bijzondere curator haar stelling dat er sprake is van een reëel risico dat de minderjarige als gevolg van de erkenning zou worden belemmerd in zijn sociaal-emotionele ontwikkeling onvoldoende onderbouwd. De bijzondere curator acht het in het belang van de minderjarige dat de man hem kan erkennen. 7. Het hof overweegt als volgt. Ingevolge artikel 1:204 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de rechtbank de toestemming tot erkenning van de moeder op verzoek van de man die het kind wil erkennen, vervangen. Dit kan echter alleen indien de erkenning de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind of de belangen van het kind niet zou schaden, en de man de verwekker is van het kind. De man en de moeder zijn het erover eens dat de man de verwekker is van de minderjarige. Voor de beantwoording van de vraag of de erkenning de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met de minderjarige of de belangen van de minderjarige zou schaden, zal het aankomen op een afweging van de belangen van de betrokkenen. Hierbij dient als uitgangspunt te worden genomen dat zowel de minderjarige als de man er aanspraak op hebben dat hun relatie rechtens wordt erkend als een familierechtelijke betrekking. Het belang van de man bij de totstandkoming van zulk een betrekking kan echter niet zo zwaar wegen dat de belangen van de minderjarige of die van de moeder bij een ongestoorde verhouding met de minderjarige geschaad zouden worden bij erkenning van de minderjarige door de man. Van schade aan de belangen van een kind is, volgens vaste rechtspraak, slechts sprake indien er ten gevolge van de erkenning voor hem reële risico’s zijn dat hij wordt belemmerd in een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling. Rekening houdend met de belangen van alle betrokkenen zijn er naar het oordeel van het hof onvoldoende aanwijzingen dat door de erkenning de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met de minderjarige of de belangen van de minderjarige worden geschaad. De moeder heeft naar het oordeel van het hof onvoldoende gesteld om van het uitgangspunt, dat zowel het kind als de verwekker er aanspraak op hebben dat hun relatie rechtens wordt erkend als een familierechtelijke betrekking, af te wijken. Het hof verenigt zich dan ook met de bestreden beschikking op dit punt en is, met de rechtbank, van oordeel dat het van essentieel belang is voor de sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van de minderjarige dat de juridische situatie in overeenstemming wordt gebracht met de feitelijke afstammingssituatie. Zeker nu de minderjarige nog jong is en daardoor snel met de nieuwe situatie vertrouwd kan raken. Het hof neemt daarbij voorts nog in aanmerking dat de moeder weliswaar heeft aangevoerd dat zij emotionele weerstand heeft tegen de erkenning als gevolg van de gebeurtenissen uit het verleden en dat dit spanning met zich brengt, maar zij niet, althans onvoldoende, aannemelijk heeft gemaakt dat deze spanningen zodanig zijn dat die de relatie tussen haar en de minderjarige in negatieve zin beïnvloeden. Naar het oordeel van het hof zijn er geen reële risico’s dat de minderjarige door een erkenning zal worden belemmerd in een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling. Het hof zal de bestreden beschikking dan ook in zoverre bekrachtigen. Gezag Ontvankelijkheid 8. De moeder betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte de man ontvankelijk heeft verklaard in zijn verzoek hem mede met het gezag over de minderjarige te belasten nu de vervangende toestemming tot erkenning wel is toegewezen, maar de erkenning zelf nog niet heeft plaats gevonden. Om die reden kan de man niet worden aangemerkt als vader van de minderjarige in de zin van artikel 1:253c lid 1 BW. De rechtbank heeft derhalve de man ten onrechte ontvankelijk verklaard ten aanzien van zijn verzoek om hem eveneens met het gezag te belasten. 9. De man betwist de stellingen van de moeder gemotiveerd. 10. Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat nu het verzoek van de man tot vervangende toestemming tot erkenning wordt toegewezen, de man ontvankelijk is in zijn verzoek ten aanzien van het gezag. Uitgekleed gezag 11. De vrouw kan zich niet verenigen met de beslissing van de rechtbank om de man mede met het gezag te belasten onder beperkingen. Volgens haar vereist een gezamenlijke uitoefening van het gezag dat de ouders het mogelijk maken dat beslissingen over de verzorging en opvoeding van de minderjarige tot stand komen op een wijze die niet belastend is voor de minderjarige. De rechtbank heeft erkend dat er thans geen enkele vorm van communicatie tussen de man en de moeder plaatsvindt en dat de moeder emotioneel ernstige belemmeringen ondervindt in het contact met de man. Ook de raad heeft in het rapport, onder meer, opgemerkt dat de draagkracht van de moeder beperkt is en dat van haar niet kan worden gevergd dat zij investeert in het verbeteren van haar relatie met de man. Ter zitting bij de rechtbank heeft de raad gesteld dat een uitgekleed gezag wel tot de mogelijkheden behoort. Volgens de moeder is er sprake van het klemcriterium en had de rechtbank het verzoek van de man af moeten wijzen. Daarnaast betoogt de moeder dat de wet de situatie van uitgekleed gezag niet kent. Verder is feitelijk geen sprake van uitgekleed gezag omdat de moeder alle beslissingen die verder strekken dan de dagelijkse verzorging en opvoeding van de minderjarige blijkens de uitspraak van de rechtbank in onderling overleg met de man dient te nemen, aldus de moeder. 12. De man kan zich vinden in de uitspraak van de rechtbank en de overwegingen omtrent het zogenoemde “uitgekleed gezag”. De man zou het liefst “gewoon” gezamenlijk gezag hebben, maar legt zich bij de beslissing van de rechtbank neer. Het belang van de minderjarige wordt op die manier gewaarborgd. 13. Het hof overweegt als volgt. Ingevolge artikel 1:253c lid 1 BW kan de tot het gezag bevoegde vader van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag dan wel hem alleen met het gezag over het kind te belasten. Ingevolge het tweede lid wordt het verzoek, indien het verzoek ertoe strekt de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten en de andere ouder met gezamenlijk gezag niet instemt, slechts afgewezen (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.