GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht meervoudige kamer nummer BK-15/00474 Uitspraak van 6 januari 2016 het geding tussen: [X] te [Z] , belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Utrecht, de Inspecteur, inzake het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 7 september 2012, nummer AWB 12/376 IB/PVV, betreffende de onder 1.1 vermelde aanslag. Aanslag, bezwaar en voorafgaande gedingen 1.1. De inspecteur heeft met dagtekening 16 september 2011 aan belanghebbende voor het jaar 2010 een aanslag opgelegd in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van -/- € 471 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 151.735. 1.2. De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag gehandhaafd. 1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. 1.4. Het gerechtshof Amsterdam heeft bij uitspraak van 18 juli 2013, nr. 12/00779, ECLI:NL:GHAMS:2013:2042, de uitspraak van de rechtbank bevestigd. 1.5. De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie van belanghebbende bij arrest van 3 april 2015, nr. 13/04247, ECLI:NL:HR:2015:812, gegrond verklaard, de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam vernietigd en de zaak ter verdere behandeling en beslissing verwezen naar het gerechtshof Den Haag. Loop van het geding na verwijzing 2.1. Beide partijen hebben gebruik gemaakt van de gelegenheid een reactie naar aanleiding van het arrest in te dienen, belanghebbende bij reactie ingekomen op 7 juli 2015 en de Inspecteur bij reactie ingekomen op 9 juli 2015. De reacties zijn in kopie aan de wederpartij gezonden. 2.2. Voorafgaande aan de mondelinge behandeling heeft het Hof van de Inspecteur nadere stukken ontvangen op 5 oktober 2015 waarvan een afschrift is gezonden aan de belanghebbende. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 14 oktober 2015, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Vaststaande feiten 3.1. Belanghebbende bezit vijf onroerende zaken, gelegen aan de [A] en de [B] te [C] , en aan de [D] , de [E] en de [F] te [G] (hierna: de woningen). 3.2. De woningen worden door belanghebbende verhuurd. De huurders hebben recht op huurbescherming in de zin van afdeling 5 van titel 4 van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). 3.3. Voor de berekening van de rendementsgrondslag voor het jaar 2010 zijn de waarden van de woningen op grond van artikel 5.20, leden 1 en 3, Wet IB 2001 gesteld op de volgens hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) voor dat jaar vastgestelde waarden van de woningen, vermenigvuldigd met de bij artikel 17a, lid 2, Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 (hierna: UBIB 2001) vastgestelde leegwaarderatio. 3.4. De WOZ-waarde per waardepeildatum 1 januari 2009, de gecorrigeerde WOZ-waarde voor 2010 en de bruto jaarhuur voor 2010 is voor elk van de woningen als volgt: Woning WOZ waarde Gecorr WOZ-waarde Bruto jaarhuur [A] € 556.000 € 333.600 € 3.873 [B] € 556.000 € 333.600 € 3.912 [D] € 222.000 € 159.840 € 4.937 [E] € 222.000 € 159.840 € 5.096 [F] € 185.000 € 125.800 € 3.140. 3.5. De aanslag is vastgesteld overeenkomstig de door belanghebbende gedane aangifte. Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen 4.1. Na cassatie dient te worden onderzocht of belanghebbende aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde van de woningen die voortvloeit uit de toepassing van artikel 17a UBIB 2001 in betekenende mate (dat wil zeggen 10 percent of meer) hoger is dan de werkelijke waarde in het economische verkeer van de woningen in verhuurde staat op de WOZ-waardepeildatum 1 januari 2009. 4.2. Belanghebbende beantwoordt die vraag voor alle woningen bevestigend. De Inspecteur beantwoordt de vraag voor de woningen ontkennend met uitzondering van de woning [A] te [C] . Hij stelt dat de in de rendementsgrondslag opgenomen waarde dient te worden verlaagd van € 333.600 naar € 282.000 dan wel naar € 265.000 in het geval rekening wordt gehouden met de omstandigheid dat de inwonende dochter medehuurster zou zijn. In zoverre acht hij het hoger beroep gegrond. 4.3. Voor hetgeen partijen ter ondersteuning van hun standpunt hebben aangevoerd verwijst het Hof naar de gedingstukken. Conclusies van partijen 5.1. Belanghebbende heeft in hoger beroep geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot vermindering van de aanslag inkomstenbelasting tot een naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen waarbij rekening wordt gehouden met de volgende waarden van de panden […] , […] en het pand […] (vermeld zijn de postcodes en huisnummers van de desbetreffende panden): [A] € 60.000 of € 75.000 [B] € 60.000 of € 75.000 [D] € 95.000 [E] € 95.000 [F] € 50.000 5.2. De Inspecteur heeft in hoger beroep geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en de uitspraak op bezwaar en vermindering van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 149.671 respectievelijk € 148.991, waarbij de ter bepaling van dat inkomen aan het pand [A] toegekende waarde wordt gesteld op € 282.000 dan wel € 265.000. Oordeel van de rechtbank 6. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en daartoe het volgende overwogen, waarbij de rechtbank belanghebbende als eiseres en de Inspecteur als verweerder heeft aangeduid: “4.1.1. Artikel 5.20 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet IB 2001) bepaalt – voor zover hier van belang – dat de waarde van een woning op de volgens de Wet waardering onroerende zaken voor die woning vastgestelde waarde voor dat kalenderjaar wordt gesteld. Indien die woning wordt verhuurd en op de verhuur de bepalingen over huurbescherming van toepassing zijn, wordt de waarde gesteld op een volgens artikel 17a van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 (hierna: het Besluit; tekst 2010) bepaald percentage van de WOZ-waarde. Dat percentage wordt de leegwaarderatio genoemd. 4.1.2. Artikel 17a, tweede lid, van het Besluit luidt – voor zover hier van belang – als volgt: “(…) Bij een voor het enkele gebruik van de woning verschuldigde jaarlijkse huur als percentage van de WOZ-waarde van de WOZ-waarde van: meer dan maar niet meer dan bedraagt de leegwaarderatio 0% 1,0% 60% 1,0% 1,5% 64% 1,5% 2,0% 68% 2,0% 2,5% 72% (…)” 4.2. Gelet op de onder 2.3 vermelde WOZ-waarden van de panden en de respectievelijke huurinkomsten, is de rechtbank van oordeel dat de waarde van de panden in overeenstemming met de toepasselijke wettelijke bepalingen juist is vastgesteld. Dat volgens eiser bij de waardering van de panden geen rekening wordt gehouden met het feit dat deze panden verhuurd zijn, is, gelet op voornoemde bepalingen, onjuist. 4.3. Eiser heeft aangevoerd dat voornoemde waarderingsmethodiek in zijn geval ongunstig uitpakt. Het werkelijke rendement is nu namelijk nihil of zelfs negatief, terwijl de wet vier procent rendement voorschrijft. Eiser staat daarom een lagere waarde van de panden voor, waarbij – samengevat – dient te worden uitgegaan van een rendement van vier procent en de netto huurinkomsten. 4.4. De rechtbank stelt voorop dat het in de Wet IB 2001 genoemde percentage van vier procent een forfaitair rendement is en niet – zoals eiser meent – een vereist rendement. Onder de Wet IB 2001 wordt geen rekening gehouden met de in werkelijkheid behaalde (huur)opbrengsten, die hoger of lager kunnen uitvallen dan het forfaitaire rendement. Met het oog op eenvoud van uitvoering van de belastingheffing heeft de wetgever voor dit systeem gekozen waarbij is aanvaard dat dit zowel in het voordeel als in het nadeel van een belastingplichtige kan werken. 4.5. Anders dan eiser kennelijk veronderstelt, kan de rechtbank niet voorbijgaan aan de – volgens eiser – administratieve berekeningswijze van de waarde van de panden. Deze berekeningswijze is namelijk de wettelijk voorgeschreven berekeningswijze en ook de rechtbank is gehouden volgens de wet- en regelgeving recht te spreken. Dienaangaande bepaalt artikel 11 van de Wet van 15 mei 1829, houdende algemeene bepaalingen der wetgeving van het Koninkrijk, dat de rechter volgens de wet en de daarop gebaseerde besluitgeving moet rechtspreken. De rechter mag in geen geval de innerlijke waarde of billijkheid van de wet en de daarop gebaseerde besluitgeving beoordelen. Met zijn grieven dient eiser zich derhalve tot de wetgever te wenden. 4.6. Eiser heeft gewezen op het feit dat de WOZ-waarde zowel bij de heffing van lokale belastingen als bij de heffing van de rijksbelastingen een rol speelt. Dat hierdoor sprake is van onbehoorlijk bestuur en waar dat onbehoorlijk bestuur dan in is gelegen, heeft eiser evenwel niet onderbouwd. Niet is gebleken dat in strijd is gehandeld met enig beginsel van behoorlijk bestuur. Deze grief wordt derhalve verworpen. “ Arrest Hoge Raad Voor zover van belang in het geding na verwijzing heeft de Hoge Raad overwogen: “2.3. Bij de beoordeling van de daartegen gerichte klachten moet het volgende worden vooropgesteld. 2.3.1. De heffing van inkomstenbelasting over de inkomsten uit sparen en beleggen vindt met ingang van 2001 op forfaitaire wijze plaats in box 3. Bij de bepaling van die inkomsten wordt uitgegaan van een forfaitair rendement van vier percent, berekend over de waarde in het economische verkeer (hierna: WEV) van het positieve saldo van de bezittingen en de schulden. Aanvankelijk werd dit saldo berekend naar het gemiddelde aan het begin en het einde van het kalenderjaar, vanaf 2011 naar het saldo aan het begin van het kalenderjaar. Dit forfaitaire stelsel is naar de opzet van de wetgever ‘robuust’ en daardoor enigszins ruw, aangezien het niet afhankelijk is gesteld van het werkelijke rendement van de bezittingen gedurende het jaar. De wetgever achtte dat uitgangspunt gerechtvaardigd omdat: “daarmee op een globale maar aanvaardbare wijze zou kunnen worden aangesloten bij de rendementen die belastingplichtigen in de praktijk, indien dit over een langere periode wordt bezien, gemiddeld zouden moeten kunnen behalen zonder dat zij daar (veel) risico voor hoeven te nemen. In zoverre kan derhalve niet worden gesteld dat in het concept van de forfaitaire rendementsheffing geen rekening wordt gehouden met de omvang van de werkelijk genoten inkomsten uit vermogen.” (Kamerstukken II 1999/2000, 26 727, nr. 7, blz. 263). 2.3.2. Van dit forfaitaire stelsel kan, gelet op voormelde uitgangspunten, niet worden gezegd dat het elke redelijke grond ontbeert. Gelet op de ruime beoordelingsmarge die de wetgever op het terrein van het belastingrecht toekomt, is dit stelsel niet in strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM (hierna: het EP) (vgl. HR 28 oktober 2012, nr. 10/03727, ECLI:NL:HR:2011:BR0664, BNB 2011/297). Dit stelsel zou slechts dan in strijd komen met artikel 1 van het EP indien zou komen vast te staan dat het destijds door de wetgever voor een lange reeks van jaren veronderstelde rendement van vier percent voor particuliere beleggers niet meer haalbaar is en belastingplichtigen, mede gelet op het toepasselijke tarief, zouden worden geconfronteerd met een buitensporig zware last. Dit een en ander is in dit geding niet gesteld of gebleken. (…) 2.3.7. Uit de zojuist weergegeven wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever heeft beoogd de werkelijke waarde van verhuurde woningen te benaderen door aan de hand van de huuropbrengst een zogenoemde leegwaarderatio vast te stellen, uitgedrukt in een percentage van de WOZ-waarde. Een dergelijke forfaitaire regeling ter vaststelling van de werkelijke waarde van verhuurde woningen, teneinde duidelijkheid te scheppen “voor de burger en de Belastingdienst over de te hanteren waardering”, is op zichzelf aanvaardbaar. Wanneer echter de uitwerking van dit forfait in het UBIB 2001 leidt tot resultaten die de wetgever met het bepaalde in artikel 5.20, lid 3, Wet IB 2001 niet voor ogen kan hebben gehad, moet die uitwerking buiten toepassing blijven omdat dan de door de wetgever gedelegeerde bevoegdheid is overschreden. 2.3.8. Bij de beoordeling of zich een dergelijk resultaat voordoet dat de wetgever niet voor ogen kan hebben gehad, heeft het volgende te gelden. Zoals hiervoor in 2.3.1 en 2.3.2 is weergegeven wordt het belastbare inkomen uit sparen en beleggen berekend naar forfaitaire maatstaven, waarbij het aanvaardbaar is dat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.