GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht meervoudige kamer nummer BK-16/00252 Uitspraak d.d. 2 november 2016 in het geding tussen: [X] te [Z] , belanghebbende, en de heffingsambtenaar van de gemeente [Y], de heffingsambtenaar, op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 14 april 2016, nummer SGR 15/7815, betreffende de onder 1.1 vermelde beschikking en aanslag. Beschikking, aanslagen, bezwaar en geding in eerste aanleg 1.1. De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde op 1 januari 2014 (hierna: de waardepeildatum) van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [A] te [Y] (hierna: de onroerende zaak), voor het kalenderjaar 2015 vastgesteld op € 1.187.000 (hierna: de beschikking). Met de beschikking is in één geschrift bekendgemaakt en verenigd de aan belanghebbende voor het jaar 2015 opgelegde aanslagen in de onroerendezaakbelastingen (hierna: de aanslagen) van de gemeente [Y] . 1.2. De heffingsambtenaar heeft het daartegen door belanghebbende gemaakte bezwaar gegrond verklaard en de waarde van de onroerende zaak nader vastgesteld op € 1.094.000 met dienovereenkomstige vermindering van de aanslagen. 1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de rechtbank. Er is een griffierecht geheven van € 45. 1.4. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard voor zover het is gericht tegen de proceskostenvergoeding in bezwaar, het beroep voor het overige ongegrond verklaard, de heffingsambtenaar veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.049,03 en de heffingsambtenaar opgedragen het betaalde griffierecht aan belanghebbende te vergoeden. Loop van het geding in hoger beroep 2.1. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 124. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. 2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 7 september 2016. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Vaststaande feiten Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde staat in hoger beroep het volgende vast: 3.1. Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaak. De onroerende zaak is een kantoorpand gebouwd in 1980 en bestaat uit zes bouwlagen: Bouwlaag In gebruik als Oppervlakte (circa) Begane grond Kantoor 464 m2 1e verdieping Kantoor 590 m2 2e verdieping Kantoor 651 m2 3e verdieping Kantoor 651 m2 4e verdieping Kantoor 619 m2 5e verdieping Kantoor 619 m2 Daarnaast beschikt het kantoorpand over een eigen parkeerterrein met 78 parkeerplaatsen. 3.2. Sinds 2005 staat het kantoorpand leeg. Het kantoorpand is op 6 maart 2014 door belanghebbende aangekocht op een executieveiling voor een bedrag van € 590.000. Oordeel van de rechtbank 4. De rechtbank heeft het volgende overwogen, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de heffingsambtenaar als verweerder. "4. Uit de door partijen overgelegde taxatierapporten en –verslagen blijkt dat de waarde van het kantoorgebouw op basis van de gecorrigeerde vervangingswaarde hoger is dan de waarde op basis van de huurwaardekapitalisatiemethode. De rechtbank is dan ook van oordeel dat op grond van artikel 17, derde lid, van de Wet WOZ voor de waardering van het kantoorgebouw dient te worden uitgegaan van de gecorrigeerde vervangingswaarde. 5. Verweerder dient aannemelijk te maken dat hij de waarde van het kantoorgebouw niet op een te hoog bedrag heeft vastgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder hierin geslaagd. Ter zake van de grondwaarde overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank acht de door verweerder aangedragen vergelijkingspanden gelet op de ligging ervan representatief. Verweerder heeft gemotiveerd aangegeven waarom de ligging van de panden vergelijkbaar is met die van het kantoorgebouw. Hetgeen eiser hier tegenover stelt, doet daar niet aan af. Voorts acht de rechtbank het door eiser aangedragen vergelijkingspand minder representatief vanwege de ligging (naast een autosloperij en een woonwagenkamp) en het feit dat voor dit pand geen sprake is van een verkoopcijfer, maar van een vraagprijs. De rechtbank gaat uit van de door verweerder vastgestelde grondwaarde van € 250 per m2. 6. De rechtbank stelt vervolgens vast dat, wat er zij van het totale grondoppervlak, zelfs indien wordt uitgegaan van de door eiser bepleite opstalwaarde van het kantoorgebouw en het door hem bepleite grondoppervlak van 2.882 m2, dit geen lagere waarde oplevert dan de door verweerder vastgestelde WOZ-waarde. Dit is gelegen in de omstandigheid dat de opstalwaarde door eiser op een aanzienlijk hogere waarde is gesteld dan door verweerder. 7. Verweerder heeft ter zitting het nadere standpunt ingenomen dat ten onrechte geen vergoeding is toegekend voor het bijwonen van de hoorzitting door de taxateur. Voor de kosten van een taxateur geldt dat deze niet volgens een vast bedrag per zaak, maar op een tarief per uur worden vastgesteld. Nu tijdens de hoorzitting de WOZ-waarden van twaalf objecten zijn behandeld, wordt 1/12 deel van het uurtarief toegekend. Partijen zijn het erover eens dat een vergoeding van € 5,42 (1 uur x € 65 exclusief BTW/12) voor de hoorzitting kan worden toegekend. De rechtbank acht voorts aannemelijk dat de taxateur de reiskosten, en de kosten voor de 2 uren die zijn besteed aan de voorbereiding van de hoorzitting heeft gerekend. De deskundigenvergoeding moet daarom worden gesteld op € 314,60 voor het taxatierapport, € 5,42 voor het bijwonen van de hoorzitting, € 10,83 (2 uur x € 65/12) en € 40,78 (retour Renkum – [Y] op basis van het openbaar vervoer 2e klasse) voor reiskosten, in totaal € 371,63. Hierbij merkt de rechtbank op dat de kosten van het taxatierapport ad € 314,60 in de bezwaarfase al door verweerder aan eiser zijn vergoed. 9. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de waarde van het kantoorgebouw en de daarop gebaseerde aanslag niet te hoog zijn vastgesteld. Het beroep dient in zoverre ongegrond te worden verklaard. Omdat in bezwaar bepaalde kosten ten onrechte niet zijn vergoed, dient het beroep in zoverre gegrond te worden verklaard. Proceskosten 10. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.049,03 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 496 en een wegingsfactor 1 en € 57,03 aan deskundigenvergoeding in bezwaar)." Geschil in hoger beroep en standpunten en conclusies van partijen 5.1. In geschil is of de in de uitspraak op bezwaar vastgestelde waarde van de onroerende zaak te hoog is. 5.2. Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de stukken van het geding. 5.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en de uitspraak op bezwaar, alsmede wijziging van de beschikking aldus dat de waarde van de onroerende zaak nader wordt vastgesteld op primair € 590.000, subsidiair € 803.000 en meer subsidiair € 988.000. Voorts verzoekt belanghebbende om vergoeding van proceskosten en griffierecht in hoger beroep. 5.4. De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank. Beoordeling van het geschil 6.1. De waarde van de onroerende zaak wordt in gevolge artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ bepaald op de waarde die daaraan dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom van de onroerende zaak zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de onroerende zaak in de staat waarin deze zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Deze waarde is naar de bedoeling van de wetgever "de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding", de waarde in het economische verkeer (MvT, Kamerstukken II 1992/93, 22 885, nr. 3, p. 44). 6.2. Volgens artikel 17, derde lid, Wet WOZ, voor zover hier van belang, wordt in afwijking in zoverre van het tweede lid de waarde van een onroerende zaak, voor zover die niet tot woning dient, bepaald op de vervangingswaarde, indien dit leidt tot een hogere waarde dan die ingevolge het tweede lid. Bij de berekening van de vervangingswaarde wordt rekening gehouden met (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.