GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht meervoudige kamer nummer BK-16/00207 uitspraak van 19 oktober 2016 in het geding tussen: [X] te [Z] , belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Den Haag, de Inspecteur, inzake het hoger beroep van de Inspecteur tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 10 maart 2016, nummer SGR 15/7233, betreffende de onder 1.1 vermelde aanslag en beschikking. Aanslag, beschikkingen, bezwaar en geding in eerste aanleg 1.1. De Inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2010 een aanslag in de inkomstenbelasting opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 27.779. Tegelijkertijd is bij beschikking een verzuimboete opgelegd van € 226 en € 247 aan heffingsrente in rekening gebracht. 1.2. De Inspecteur heeft de aanslag en de beschikking heffingsrente bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd. De verzuimboete heeft hij verminderd tot € 49. 1.3. De rechtbank heeft bij haar uitspraak (ECLI:NL:RBDHA:2016:2852) het beroep van belanghebbende tegen de aanslag ongegrond verklaard. Loop van het geding in hoger beroep 2.1. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld. In verband daarmee is van belanghebbende een griffierecht geheven van € 124. 2.2. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft vervolgens een conclusie van repliek ingediend, waarop de Inspecteur heeft meegedeeld geen gebruik te maken van de gelegenheid een conclusie van dupliek in te dienen. 2.3. Voorafgaande aan de mondelinge behandeling heeft het Hof van belanghebbende op 22 augustus 2016 een nader stuk ontvangen. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 7 september 2016, gehouden te Den Haag. Partijen zijn verschenen. Van het ter zitting verhandelde is door de griffier een proces-verbaal opgemaakt. Vaststaande feiten 3. Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde gaat het Hof in hoger beroep uit van de volgende feiten. 3.1. Belanghebbende is geboren [in] 1956, heeft de Nederlandse nationaliteit en is gehuwd met mevrouw [Y] . In 2010 was belanghebbende gedurende het gehele jaar werkzaam bij het Europees Octrooibureau (hierna: EOB) in Rijswijk als beoordelaar van octrooiverzoeken. Hij heeft rang [… 1] en aan hem is door het ministerie van Buitenlandse Zaken de status BO toegekend. Deze status wordt volgens de Protocol Guide for International Organisations van dat ministerie toegekend aan “Members of the technical and administrative staff and their families”. 3.2. Belanghebbende heeft aangifte gedaan in de inkomstenbelasting voor het jaar 2010 en daarbij vermeld: - loon [EOB] € 130.472 - vrijgestelde inkomsten uit loondienst bij een Internationale organisatie € 130.472 - inkomsten eigen woning € 2.634 - betaalde rente hypothecaire geldlening € 2.519 - inkomen box 1 na vrijgesteld salaris € 115 - voordeel uit sparen en beleggen € 33.325 - ingehouden dividendbelasting € 939 - ingehouden bronbelasting op spaarrente € 609 - persoonsgebonden aftrek (giften en kosten levensonderhoud kinderen) € 8.741 - verzamelinkomen € 24.699. De echtgenote heeft geen inkomen aangegeven. 3.3. Op 26 februari 2014 heeft de Inspecteur belanghebbende meegedeeld dat hij voor een bedrag van € 3.195 geen recht heeft op persoonsgebonden aftrek ter zake van het levensonderhoud van kinderen jonger dan 30 jaar. De inspecteur heeft het verzamelinkomen na persoonsgebonden aftrek vastgesteld op € 27.779 en bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd. 3.4. Belanghebbende is over het salaris van het EOB geen inkomstenbelasting verschuldigd, aangezien de Europese Octrooiorganisatie, waartoe het EOB behoort intern heft over zijn salaris. Deze bevoegdheid vloeit voort uit het Europees Octrooiverdrag en uit artikel 16, eerste lid, van het 'Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Octrooiorganisatie', hierna: het Protocol. Belanghebbende is op grond van artikel 14, eerste lid, van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen niet verplicht verzekerd voor de volksverzekeringen. Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen 4.1. In geschil is of de inkomsten uit sparen en beleggen bij belanghebbende in de inkomstenbelastingheffing moeten worden betrokken. Meer in het bijzonder is in geschil of deze inkomsten evenals het salaris van het EOB zijn vrijgesteld op grond van regels van internationaal verdragsrecht of op grond van, naar belanghebbende stelt, door de minister van Binnenlandse Zaken gevoerd beleid met betrekking tot uit het buitenland afkomstige collega’s van belanghebbende. 4.2. Belanghebbende voert ter ondersteuning van zijn standpunt – zakelijk weergegeven – het volgende aan: Belanghebbende dient gelijk te worden behandeld aan de medewerkers van EOB die niet de Nederlandse nationaliteit hebben en die ten tijde van hun aanstelling niet in Nederland woonachtig waren maar na verloop van tijd wel duurzaam in Nederland verblijven. Zij zijn ingevolge artikel 10, eerste en zesde lid, van de Zetelovereenkomst EOB vrijgesteld omdat zij bij de aanvang van de aanstelling een andere code van het ministerie van Buitenlandse Zaken hebben gekregen terwijl ook zij na verloop van tijd duurzaam in Nederland verblijven. Belanghebbende doet in dit verband een beroep op het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht van 23 mei 1969, Trb 1972, 51 en Trb. 1985, 79. Ingevolge artikel 31, lid 1, van dit verdrag moet een verdrag te goeder trouw worden uitgelegd overeenkomstig de gewone betekenis van de termen van het Verdrag in hun context en in het licht van voorwerp en doel van het Verdrag. Een term dient in een bijzondere betekenis verstaan te worden als vaststaat dat dit de bedoeling van partijen is geweest. Voor de term 'duurzaam verblijf houden' in artikel 10, zesde lid, van de Zetelovereenkomst moet dus aan de woorden 'duurzaam verblijf houden' hun gewone betekenis worden toegekend aangezien uit niets blijkt dat het de bedoeling van verdragsluitende partijen is geweest om deze woorden in een bijzondere betekenis te verstaan. Belanghebbende doet voorts een beroep op de toelichting bij de Circulaire Gemeentefonds van 30 mei 2001. Daaruit zou blijken dat de werkenden bij internationale organisaties pas na tien jaar in de belastingheffing worden betrokken. Belanghebbende beroept zich ten slotte op het vertrouwensbeginsel. Bij de invoering van de Wet IB 2001 heeft de staatssecretaris van Financiën toegezegd dat niemand er op achter uit zal gaan. 4.3. De Inspecteur houdt de juistheid van de aanslag staande. 4.4. Voor verdere uiteenzetting van de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de gedingstukken. Conclusies van partijen 5.1. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, de uitspraak op bezwaar en tot het vaststellen van het inkomen uit sparen en beleggen op nihil dan wel tot vernietiging van de aanslag. 5.2. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak. Oordeel van de rechtbank 6. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en daartoe het volgende overwogen: “Gelijkheidsbeginsel 9. Artikel 10, eerste lid, van de Zetelovereenkomst bepaalt, voor zover van belang, dat personeelsleden van het EOB in de rang van [belanghebbende] dezelfde voorrechten en immuniteiten genieten als die welke door Nederland worden verleend aan diplomatieke ambtenaren van de diplomatieke vertegenwoordigingen die in Nederland zijn gevestigd overeenkomstig het Verdrag van Wenen. In het zesde lid is bepaald dat dit artikel 10 niet van toepassing is op personen die de Nederlandse nationaliteit bezitten of duurzaam verblijf houden in Nederland. 10. In het arrest van de Hoge Raad van 6 juni 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BD3187) is ten behoeve van de uitleg aan het begrip duurzaam verblijf in de Regeling aandacht besteed aan de Toelichting 2001. In het arrest is door de Hoge Raad – onder meer en voor zover van belang – opgenomen en geoordeeld: “3.6.2 (…) In die toelichting [Toelichting 2001] wordt over het begrip 'duurzaam verblijf' medegedeeld: "Onder het begrip 'duurzaam verblijf houden' wordt het volgende verstaan. Wanneer een persoon gaat werken bij een vertegenwoordiging of internationale organisatie, dan wordt de gemeente waar hij woonachtig is, hiervan op de hoogte gesteld door het ministerie van Buitenlandse Zaken. Daarbij wordt ook aangegeven welke status de persoon heeft. Wanneer in de statuscode de letters DV voorkomen, betekent dit dat de persoon is aangemerkt als duurzaam in Nederland verblijvend. In dat geval dient geen vrijstelling van gemeentelijke belastingen verleend te worden. Of een persoon in dit verband al dan niet als duurzaam in Nederland verblijvend wordt aangemerkt, wordt bepaald door het Ministerie van Buitenlandse Zaken, Directie Kabinet en Protocol. Voor de statusverlening door het Ministerie van Buitenlandse Zaken bij nieuwe aanmeldingen van administratief, technisch en bedienend personeel, alsmede particuliere bedienden, is met ingang van 1 januari 2000 niet langer de termijn van verblijf in Nederland voorafgaand aan indiensttreding bepalend, maar het feit of het betrokken personeelslid door de zendstaat is uitgezonden dan wel lokaal is geworven. Voor uitgezonden personeelsleden die thans als administratief, technisch en bedienend personeel op een missie werkzaam zijn, geldt dat zij na 10 jaar in Nederland werkzaam te zijn geweest door het Ministerie van Buitenlandse Zaken als duurzaam verblijf houdend in Nederland worden beschouwd. Indien er twijfels bestaan over de status van een persoon of wanneer niet geheel duidelijk is of een persoon al dan niet duurzaam verblijf houdt in Nederland, dan kan altijd navraag worden gedaan bij de Directie Kabinet en Protocol van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. (…) 3.7.2. De Regeling beoogt blijkens haar inhoud en de daarop gegeven toelichtingen uitvoering te geven aan het internationale gebruik, zoals dat voortvloeit uit verdragen en uit (zetel-)overeenkomsten die Nederland heeft gesloten met internationale organisaties die zich in Nederland hebben gevestigd. Dat brengt mede dat de in de Regeling vermelde begrippen dienen te worden uitgelegd overeenkomstig de betekenis die zij hebben in die verdragen en overeenkomsten, zoals ook in de toelichting bij de Regeling is vermeld. Daaraan hebben de in artikel 243 van de Gemeentewet bedoelde bewindslieden inhoud gegeven door de beslissing dienaangaande over te laten aan de Minister van Buitenlandse Zaken, die namens de Nederlandse Staat is betrokken bij de totstandkoming en naleving van de in de Regeling genoemde verdragen en (zetel-)overeenkomsten met internationale organisaties, alsmede is aangewezen als eerstverantwoordelijke voor de contacten met die organisaties en om bemiddelend op te treden in geval van problemen van de organisaties met overheden in Nederland. 3.7.3. Het vorenstaande brengt mee dat belanghebbende erop mag vertrouwen dat de heffingsambtenaar hem vrijstelling van onroerendezaakbelasting wegens het gebruik van de onroerende zaak verleent in het geval dat de Minister van Buitenlandse Zaken in overeenstemming met het voorgaande bepaalt dat hij niet duurzaam verblijf houdt in Nederland. (…)." 11. In het arrest van de Hoge Raad van 9 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:22, lag de uitleg van het begrip duurzaam verblijf in het kader van de Zetelovereenkomst voor bij een werknemer van het EOB met rang [… 1] . Door de Hoge Raad is – onder meer en voor zover van belang – geoordeeld: “2.3.4. Bij het verlenen van voorrechten en immuniteiten aan personeel met een andere dan de Nederlandse nationaliteit pleegt een onderscheid te worden gemaakt tussen personeelsleden die bij de aanvang van hun werkzaamheden uit het buitenland afkomstig zijn en personeelsleden die op dat tijdstip reeds duurzaam in Nederland verblijven. Aan laatstbedoelde categorie wordt door het Ministerie van Buitenlandse Zaken de zogenoemde DV-status toegekend (vgl. HR 6 juni 2008, nr. 41769, ECLI:NL:HR:2008:BD3159, BNB 2008/211, en HR 6 juni 2008, nr. 43788, ECLI:NL:HR:2008:BD3187, BNB 2008/212). Die categorie wordt voor de toepassing van een aantal voorrechten op gelijke wijze behandeld als Nederlandse onderdanen. 2.3.5. De onder 2.3.4 bedoelde regeling voor diplomatieke ambtenaren wordt op overeenkomstige wijze toegepast in de Zetelovereenkomst. Ook daarbij geldt, zoals bij diplomatieke ambtenaren waaraan artikel 10, lid 1, van de Zetelovereenkomst refereert, dat de beoordeling of een personeelslid van het EOB in de zin van die bepaling duurzaam in Nederland verblijf houdt door het Ministerie van Buitenlandse Zaken wordt beoordeeld, en wel naar de situatie ten tijde van de aanvang van de werkzaamheden voor het EOB. 2.3.6. Belanghebbendes opvatting dat hij ten onrechte ongelijk wordt behandeld ten opzichte van buitenlandse collega’s die inmiddels zo lang bij het EOB werkzaam zijn dat zij duurzaam in Nederland verblijven, berust derhalve op een misvatting omtrent de betekenis van het begrip duurzaam verblijf bij de toepassing van regelingen die gelden voor diplomatieke ambtenaren, waarnaar artikel 10, lid 1, van de Zetelovereenkomst verwijst. Van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen is dan ook geen sprake. Ook de daarop gerichte klacht faalt daarom. 2.3.7. Hetgeen het Hof, veronderstellenderwijs uitgaande van een andere rechtsopvatting dan hierboven is uiteengezet, in onderdeel 5.6.1 tot en met 5.6.5 van zijn uitspraak ten overvloede heeft overwogen, draagt ’s Hofs beslissing niet. De daarop betrekking hebbende klacht kan daarom evenmin tot cassatie leiden.” 12. Uit de voornoemde arresten van de Hoge Raad volgt dat de Minister van Buitenlandse Zaken beoordeelt of iemand duurzaam in Nederland verblijf houdt. 13. De Hoge Raad oordeelt in voornoemd arrest uit 2015 vervolgens ook dat de Minister van Buitenlandse Zaken beoordeelt of een werknemer van de EOB (met rang [… 1] ) duurzaam verblijf houdt in Nederland en dat deze beoordeling plaats vindt op het moment voor aanvang van de werkzaamheden. De Hoge Raad heeft bij dat oordeel meegenomen dat de Zetelovereenkomst op dezelfde wijze uitgelegd moet worden als de Regeling. Nu de Toelichting 2001 kan worden aangemerkt als een nadere verduidelijking van de Regeling, is hetgeen daarin is opgenomen (impliciet) meegenomen bij de uitleg die volgens de Hoge Raad aan het begrip duurzaam verblijf moet worden gegeven in de situatie dat sprake is van een werknemer van het EOB die onder de reikwijdte van de Zetelovereenkomst valt. In zoverre behoeft de stelling van [belanghebbende] – dat het voornoemde arrest uit 2015 niet van toepassing is, omdat daar geen aandacht is besteed aan de Toelichting 2001 – geen behandeling meer. 14. Ter zitting heeft [de Inspecteur] gemotiveerd betoogt geen beleidsvrijheid te hebben om af te wijken van de beoordeling van de Minister van Buitenlandse Zaken, maar dat hij gehouden is om deze beoordeling te volgen. De Rechtbank stelt vast dat dit in overeenstemming is met het oordeel van de Hoge Raad als opgenomen in het in 10 hiervoor opgenomen arrest uit 2008, waarin is aangegeven dat een belastingplichtige er op mag vertrouwen dat [de Inspecteur] de beoordeling van de Minister van Buitenlandse Zaken volgt. Hieruit vloeit voort dat [de Inspecteur] inderdaad gebonden is aan de beoordeling van de Minister van Buitenlandse Zaken. 15. [ Belanghebbende]s standpunt – dat hij ongelijk wordt behandeld ten opzichte van zijn collega’s met dezelfde rang zonder de Nederlandse nationaliteit die langer dan tien jaar bij het EOB in Nederland werken, maar niet duurzaam in Nederland verblijven volgens de Minister van Buitenlandse Zaken – volgt de rechtbank, gelet op overweging 2.3.6 van het arrest van de Hoge Raad van 9 januari 2015, niet. Van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen is geen sprake. Het beroep van [belanghebbende] is in zoverre ongegrond. Vertrouwensbeginsel 16. De rechtbank verwerpt het beroep van [belanghebbende] op het vertrouwensbeginsel. Een beroep op het vertrouwensbeginsel kan slechts slagen indien aannemelijk is dat er ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezeggingen zijn gedaan, waaraan [belanghebbende] het gerechtvaardigd vertrouwen mocht ontlenen dat hij over zijn box 3-vermogen geen inkomstenbelasting verschuldigd is. [Belanghebbende] stelt dat jegens hem een toezegging is gedaan aan de hand van de volgende uitspraak van Minister Zalm tijdens de behandeling van het Wetsvoorstel: “Het punt is het volgende: als je kijkt naar de inkomenseffecten van het belastingplan, dan is dat over de hele linie positief. Dat is natuurlijk al iets prachtigs.” 17. Wat er van deze uitspraak ook zij en nog daargelaten het antwoord op de vraag of de toelichtende opmerkingen van een minister als mede-wetgever in het kader van de behandeling van een wetsvoorstel überhaupt kunnen worden opgevat als in rechte te honoreren toezeggingen – van een ongeclausuleerde toezegging jegens [belanghebbende] dat hij in 2010 over zijn box 3-vermogen geen inkomstenbelasting verschuldigd is, is geen sprake. Te minder, wanneer de omstandigheden waaronder en het moment waarop de uitspraak in 2000 bij de behandeling van het Wetsvoorstel in algemene bewoordingen is gedaan, in ogenschouw worden genomen. Het is naar het oordeel van de rechtbank voldoende duidelijk dat de bedoeling van de uitspraak niet is – zoals [belanghebbende] de uitspraak ten onrechte interpreteert – dat niemand er meer, ook jaren na dato, op achter uit kan gaan. Daarnaast heeft te gelden dat de Zetelovereenkomst tot stand is gekomen na de uitspraak van Minister Zalm en de uitspraak om die reden ook geen betrekking kan hebben op de Zetelovereenkomst. Het beroep van [belanghebbende] op het vertrouwensbeginsel slaagt derhalve niet. Onvoldoende motivering 18. De rechtbank is van oordeel dat [de Inspecteur] in de uitspraak op bezwaar alle relevante feiten en omstandigheden heeft meegewogen en dat de uitspraak op bezwaar niet onbegrijpelijk of onvoldoende is gemotiveerd. Deze beroepsgrond van [belanghebbende] faalt derhalve. Verzuimboete en heffingsrente 19. De rechtbank moet ook de vraag beantwoorden of de verzuimboete en de heffingsrente terecht en tot de juiste bedragen zijn vastgesteld. 20. De aan [belanghebbende] opgelegde boete is een verzuimboete wegens het niet (tijdig) doen van aangifte. [Belanghebbende] heeft geen gronden tegen de verzuimboete aangevoerd. De rechtbank is niet gebleken van feiten die zouden kunnen leiden tot het oordeel dat de verzuimboete ten onrechte of tot een onjuist bedrag is opgelegd. Evenmin zijn feiten gesteld of gebleken die aanleiding zouden kunnen geven de verzuimboete verder te matigen dan [de Inspecteur] reeds heeft gedaan. De rechtbank acht de verzuimboete passend en geboden. Voor zover het beroep moet worden geacht mede te zijn gericht tegen de boetebeschikking is het ongegrond. 21. Gesteld noch gebleken is dat [de Inspecteur] de heffingsrente ten onrechte of op een onjuist bedrag heeft berekend. 22. Gelet op wat hiervoor is overwogen dient het beroep ongegrond te worden verklaard. Proceskosten 23. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.” Verdragsrechtelijk kader 7.1. In artikel 34 van the Vienna Convention on Diplomatic Relations is bepaald: A diplomatic agent shall be exempt from all dues and taxes, personal or real, national, regional or municipal, except: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.