GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht meervoudige kamer nummer BK-16/00014 uitspraak d.d. 19 oktober 2016 in het geding tussen: N.V. [X] te [Z] , belanghebbende, en de heffingsambtenaar van de provincie Zuid-Holland, de heffingsambtenaar, inzake het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 30 november 2015, nummer SGR 15/1398, betreffende na te melden aanslag. Aanslag, bezwaar en geding in eerste aanleg 1.1. De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende voor het jaar 2014 een aanslag nazorgheffing opgelegd. 1.2. Bij uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar de bezwaren van belanghebbende ongegrond verklaard. 1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Loop van het geding in hoger beroep 2.1. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 503. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. 2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 13 juli 2016 te Den Haag. Beide partijen zijn verschenen. De onderhavige zaak is gezamenlijk behandeld met de zaak BK-16/00015 betreffende [Y] BV. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Vaststaande feiten Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door één van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, in hoger beroep komen vast te staan: 3.1. Belanghebbende is in het bezit van een omgevingsvergunning voor het exploiteren van de stortplaats voor afval, " [A] ", te [B] , provincie Zuid-Holland. 3.2. In 2007 heeft belanghebbende een plan voor vervroegde sluiting van de stortplaats [A] ingediend, omdat een deel van het terrein een andere bestemming had gekregen en niet meer werd benut voor stortactiviteiten. Bij besluit van Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland van 22 april 2008 is het door belanghebbende ingediende nazorgplan vastgesteld en het doelvermogen is daarin bepaald op € 3.589.000. Het deel dat feitelijk als stortterrein in gebruik is geweest, is in 2011 afgedicht. Het nazorgplan is nog niet in werking getreden omdat de overdracht van de stortplaats aan de Provincie nog niet heeft plaatsgevonden. De Provincie heeft nog geen sluitingsverklaring afgegeven. 3.3. In 2012 heeft de heffingsambtenaar vanwege de negatieve ontwikkelingen op de financiële markten besloten door middel van een ALM-studie na te gaan of de verwachte rendementen waar ten aanzien van het Fonds vanuit werd gegaan, nog reëel waren. Uit deze studie bleek dat dat niet het geval was. Naar aanleiding hiervan is op 18 april 2013 besloten tot herziening van de rekenrente voor de doelvermogens van 5,1% naar 3,99%. De exploitanten van de stortplaatsen in de provincie zijn er vervolgens van op de hoogte gebracht dat de doelvermogens zijn herrekend en dat de herrekening in de begroting en tarieventabel voor het jaar 2014 zou worden verwerkt. 3.4. Bij besluit van 6 november 2013 hebben provinciale staten van Zuid-Holland de begroting en het meerjarenplan van het provinciaal fonds nazorg gesloten stortplaatsen Zuid-Holland en de tarieventabel voor het jaar 2014 vastgesteld. Dit besluit is op 8 november 2013 gepubliceerd. De tarieventabel luidt als volgt. Locatie Aanvang Te bereiken doelvermogen (in € 1.000) Heffingen in 2014 (in € 1.000) 1. [C] 2015 6.017 2.744 2. [A] 2019 6.792 1.542 3/ (…) (…) (…) (…) 3.5. Met dagtekening 15 april 2014 heeft de heffingsambtenaar aan belanghebbende een aanslag nazorgheffing voor het jaar 2014 opgelegd van € 1.542.000. Belanghebbende heeft hiertegen bij brief van 27 mei 2014 bezwaar gemaakt. 3.6. De heffingsambtenaar heeft bij besluit van 24 oktober 2014 de op 15 april 2014 opgelegde aanslag nazorgheffing 2014 ingetrokken, omdat die aanslag was gebaseerd op een verordening die op dat moment niet (meer) gold. 3.7. Bij afzonderlijke beschikking van 24 oktober 2014 heeft de heffingsambtenaar aan belanghebbende de thans in geding zijnde aanslag nazorgheffing opgelegd van € 1.542.000. Verordening 4.1. Bij besluit van 17 september 2014 hebben Provinciale Staten van Zuid-Holland de Verordening nazorgheffing gesloten stortplaatsen provincie Zuid-Holland 2014 (Verordening 2014) vastgesteld. Deze verordening is met ingang van 1 oktober 2014 in werking getreden en werkt terug tot en met 1 januari 2014. De Verordening 2014 is bij besluit van 28 november 2014 gewijzigd. In de bijlage bij de Verordening 2014 is een tarieventabel opgenomen, die identiek is aan de tarieventabel vermeld onder 3.4. Geschil, standpunten en conclusies 5.1. In geschil is of aan belanghebbende voor het jaar 2014 terecht een aanslag nazorgheffing is opgelegd. 5.2. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de Verordening 2014 onverbindend is omdat aan deze Verordening terugwerkende kracht is verleend, de materiële belastingschuld hier niet uit volgt en er sprake is van onredelijke en willekeurige belastingheffing. Voorts stelt belanghebbende dat zij ten onrechte als belastingplichtige is aangemerkt, dat de aanslag in strijd met de artikelen 14 en 16 van de Algemene wet inzake rijksbelasting (Awr) is opgelegd en dat het bestreden besluit in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. 5.2. De heffingsambtenaar heeft de stellingen van belanghebbende gemotiveerd weersproken. 5.3. Voor de gronden waarop partijen hun standpunten doen steunen verwijst het Hof naar de gedingstukken. 5.4. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en van de uitspraak op bezwaar, alsmede de aanslag. 5.5. De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank. Oordeel van de rechtbank 6. De rechtbank heeft het volgende overwogen, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de heffingsambtenaar als verweerder: “Terugwerkende kracht 14. Eiseres stelt dat de Verordening 2014 onverbindend is omdat deze terugwerkende kracht heeft en daarmee in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel, nu er geen bijzondere omstandigheden aanwezig zijn die deze inbreuk rechtvaardigen, in het bijzonder niet omdat de terugwerkende kracht betrekking heeft op 10 maanden van het belastingtijdvak 2014. 15. Artikel 139 van het Provinciewet bepaalt dat bekendgemaakte besluiten in werking treden met ingang van de achtste dag na die van de bekendmaking, tenzij in deze besluiten daarvoor een ander tijdstip is aangewezen. 16. Vaststaat dat de Verordening 2014 is vastgesteld op 17 september 2014 en dat de bekendmaking heeft plaatsgevonden op 17 september 2014. De Verordening 2014 is derhalve op 25 september 2014 in werking getreden. Op grond van de Verordening 2014 wordt de heffing met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2014 geheven. 17. De rechtbank is van oordeel dat de onderhavige heffing voor eiseres in zodanige mate voorzienbaar was, dat er sprake is van bijzondere omstandigheden die rechtvaardigen af te wijken van het op de eisen van rechtszekerheid berustende rechtsbeginsel dat wetgevende maatregelen alleen voor de toekomst behoren te gelden (Hoge Raad 24 oktober 1984, nr. 22 456, BNB 1985/59, ECLI:NL:HR: 1984:AC8569). Hierbij is het volgende in aanmerking genomen. Vast staat dat in 2008 voor eiseres een nazorgplan met een doelvermogen is vastgesteld. In april 2013 is aan de exploitanten van de stortplaatsen bericht dat het doelvermogen vanwege een rentewijziging is herrekend en de herrekening in de begroting en tarieventabel 2014 zullen worden verwerkt. In november 2013 is de tarieventabel 2014 vastgesteld en gepubliceerd (zie onder 5.). De te betalen belasting krachtens de Verordening 2014 is ten opzichte deze kenbare tarieventabel ongewijzigd gebleven. 18. Verder acht de rechtbank het volgende van belang. Verweerder heeft in beroep gesteld dat al eerder, te weten in november 2013, een verordening voor 2014 was vastgesteld, maar dat deze anders dan de bijbehorende tarieventabel (zie onder 5.) destijds niet is bekend gemaakt Daarom is in september 2014 deze verordening opnieuw vastgesteld en bekend gemaakt. Eiseres heeft deze verklaringen van verweerder niet weersproken. Hoewel verweerder hierover geen gegevens heeft overgelegd, ziet de rechtbank mede gezien de eerdere bekendmaking van de tarieventabel geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van verweerder. 19. Nu de eerder vastgestelde verordening is vervangen door de Verordening 2014 kan niet kan niet worden geoordeeld dat er geen sprake is van terugwerkende kracht maar kan naar het oordeel van de rechtbank daarin wel een bevestiging gezien worden dat sprake is van bijzondere omstandigheden die deze terugwerkende kracht rechtvaardigen. De materiële belastingschuld 20. Eiseres stelt dat de Verordening 2014 onverbindend is omdat zij onvoldoende gegevens bevat om een materiële belastingschuld te doen ontstaan, nu daaruit niet volgt hoe het tarief tot stand is gekomen. 21. De rechtbank is van oordeel dat het tarief (de te betalen belasting) is opgenomen in de bijlage behorende bij (artikel 6 van) de Verordening 2014. De stelling van eiseres dat de Verordening 2014 onvoldoende gegevens bevat om een materiële belastingschuld te doen ontstaan, vindt geen steun in het recht. Verweerder is niet gehouden de totstandkoming van het tarief in de Verordening op te nemen. Willekeurige en onredelijke belastingheffing 22. De aanslag nazorgheffing is overeenkomstig de bij de Verordening 2014 behorende tarieventabel vastgesteld. Bij de vaststelling van het voor eiseres geldende tarief is rekening gehouden met het te bereiken doelvermogen van € 3.589.000, zoals dit voor het door eiseres ingediende nazorgplan is vastgesteld. Tegen dit besluit zijn geen rechtsmiddelen ingesteld en het staat dan ook onherroepelijk vast. 23. Tussen partijen is niet in geschil dat bij dit doelvermogen de kosten van de nazorg zullen worden gedekt. Evenmin is in geschil dat de heffing met een aanpassing van de rekenrente en met de gehanteerde beleggingsmix rekeningkundig juist is vastgesteld. Eiseres stelt dat deze aanpassingen leiden tot een onredelijke en willekeurige belastingheffing. 24. Deze beroepsgrond treft geen doel. Volgens vaste jurisprudentie is de belastingrechter niet bevoegd te oordelen over de in de verordening bepaalde tarieven, tenzij sprake is van een zodanige onredelijke en/of willekeurige heffing, dat moet worden geoordeeld dat de wetgever deze niet op het oog kan hebben gehad. Niet gebleken is dat provinciale staten in deze hebben gehandeld in strijd met het verbod van willekeurige en onredelijke belastingheffing-dan wel enig ander algemeen rechtsbeginsel. Wat eiseres hiervoor heeft aangevoerd, overtuigt de rechtbank niet. 25. Het bedrag van de heffing dient, op grond van artikel 15.45, tweede lid, van de Wet milieubeheer (Wmb) zodanig te worden vastgesteld dat met de opbrengst van de heffing en de daarover verkregen rentebaten en beleggingsopbrengsten de kosten van de nazorg kunnen worden gedekt. Het gaat hier om een flexibel heffingssysteem. Zoals verweerder terecht heeft gesteld, kunnen de rentebaten en beleggingsopbrengsten fluctueren. De provinciale wetgever mag bij het vaststellen van de heffing hier rekening mee houden. 26. De stelling van eiseres dat het doorvoeren van de renteverlaging en het doorberekenen daarvan in de heffing in strijd is met de Wbm, vindt geen steun in het recht. De stelling dat dit in strijd zou zijn met het principe 'de vervuiler betaalt', leidt niet tot het oordeel dat sprake is van een onredelijke en willekeurige belastingheffing. De stelling dat de beleggingsopbrengst onredelijk en willekeurig is vastgesteld omdat de "stille reserves" - te weten: de huidige marktwaarde van de aandelenportefeuille - niet zijn meegenomen, doet de rechtbank niet anders oordelen: Bij de beleggingsopbrengsten is rekening gehouden met de verwachtingen over langlopend rendement en het staat de provinciale wetgever vrij om dit te doen. Belastingplicht 27. Eiseres stelt dat zij ten onrechte als belastingplichtige is aangemerkt aangezien de stortplaats niet meer wordt geëxploiteerd. De stortplaats Crayestein-West is reeds 2011 gesloten en de afdichting is in dat jaar afgerond. De stortplaats wordt dan ook niet meer gebruikt. Weliswaar is ondanks de al aangebrachte bovenafdichting de omgevingsvergunning nog van kracht, het feit dat eiseres de stortplaats niet meer gebruikt moet tot het oordeel leiden dat zij ten onrechte is aangemerkt als drijver van de stortplaats. 28. De rechtbank is van oordeel dat eiseres terecht is aangemerkt als degene die de stortplaats Crayestein-West drijft. Uit de artikelsgewijze toelichting van de Verordening 2014 volgt dat onder degene die de stortplaats drijft, wordt verstaan de vergunninghouder van de stortplaats. Niet in geschil is dat eiseres houder is van de vergunning op basis waarvan de stortplaats is geëxploiteerd. Dat de stortplaats in 2011 is afgedicht en dat sindsdien feitelijk geen afval is gestort, doet hieraan niet af. De hoogte van de aanslag 29. De rechtbank is van oordeel dat de hoogte van de aanslag rechtstreeks uit de tarieventabel voortvloeit en dat de aanslag naar een juist bedrag is vastgesteld. Aanslag in strijd met artikel 14 en 16 van de AWR 30. De beroepsgrond van eiseres dat de aanslag in strijd met de artikelen 14 en 16 van de AWR is opgelegd, kan haar niet baten. Verweerder heeft op grond van het bepaalde in artikel 14 AWR dan \vel artikel 11 van de Verordening 2014 de mogelijkheid om een voorlopige aanslag op te leggen. Het staat verweerder vrij een voorlopige aanslag of een aanslag op te leggen. De onderhavige aanslag is geen navorderingsaanslag. maar een aanslag zodat het bepaalde in artikel 16 AWR niet van toepassing is. Wat eiseres hierover verder heeft aangevoerd kan niet tot een ander oordeel leiden. Algemene beginselen van behoorlijk bestuur 31. Eiseres stelt dat gedeputeerde staten van Zuid-Holland bij brief van 6 juli 2009 hebben toegezegd dat de rekenrente vanwege fluctuatie in de rentestanden verlaagd is naar 5, 1 % voor een periode van tien jaar. Naar het oordeel van de rechtbank kan eiseres hieraan niet een rechtens te beschermen vertrouwen ontlenen. Niet gebleken is dat verweerder (de heffingsambtenaar van de provincie Zuid-Holland) hierover een uitdrukkelijk standpunt heeft ingenomen. Het beroep op het vertrouwensbeginsel, treft geen doel. 32. Naar het oordeel van de rechtbank is de uitspraak op bezwaar naar behoren gemotiveerd. De rechtbank volgt eiseres niet in haar opvatting dat verweerder bij het doen van de uitspraak op bezwaar het motiveringsbeginsel en artikel 7:12 Awb heeft geschonden. Ook overigens kan niet worden staande gehouden dat verweerder, door de aanslag op te leggen en in stand te houden, in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel, het fair play beginsel, het evenredigheidsbeginsel, dan wel met andere door eiseres genoemde algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft gehandeld. 33. Gelet op wat hiervoor is overwogen dient het beroep ongegrond te worden verklaard. Proceskosten 34. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.” Juridisch kader 7. De Wet Milieubeheer houdt – voor zover van belang – het volgende in: “Artikel 15.44 1. Provinciale staten stellen een heffing in ter bestrijding van de kosten die gemoeid zullen zijn met: a. de in artikel 8.49 bedoelde zorg voor de in de betrokken provincie gelegen stortplaatsen; b. een voor de betrokken provincie geldende verplichting tot afdracht aan een fonds als bedoeld in artikel 15.48; c. de door de provincie uitgevoerde inventarisatie van plaatsen waar afvalstoffen zijn gestort en waar dat storten vóór 1 september 1996 is beëindigd, en het onderzoek naar en systematische controle van aanwezigheid, aard en omvang van eventuele verontreiniging aldaar. 2 De in het eerste lid bedoelde heffing kan mede betrekking hebben op de kosten die gemoeid zullen zijn met de dekking van de aansprakelijkheid, bedoeld in artikel 176 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek. 3 Met betrekking tot de heffing en invordering zijn de artikelen 227 tot en met 232h van de Provinciewet van overeenkomstige toepassing. Artikel 15.45 1. De heffing wordt geheven van degene die een stortplaats drijft. 2 Het bedrag van de heffing wordt zodanig vastgesteld dat uit de opbrengst van de heffing en de daarover verkregen rentebaten en beleggingsopbrengsten de kosten kunnen worden bestreden, die naar verwachting gemoeid zullen zijn met de uitvoering van het in artikel 8.49, derde en vierde lid, bedoelde nazorgplan waarmee gedeputeerde staten hebben ingestemd, of, indien geen nazorgplan geldt, de in artikel 8.49, eerste lid, bedoelde zorg voor die stortplaats. Indien na de vaststelling blijkt dat de opbrengst van de heffing hoger dan wel lager is dan het bedrag dat nodig is om de kosten te bestrijden die naar verwachting met die zorg van die stortplaats gemoeid zullen zijn, kan het bedrag van de heffing opnieuw worden vastgesteld. Het reeds betaalde bedrag van de heffing wordt hierop in mindering gebracht. 3 In afwijking van het tweede lid kan de heffing terzake van de niet-bedrijfsgebonden stortplaatsen in de betrokken provincie worden vastgesteld aan de hand van de hoeveelheid en de aard van de afvalstoffen die op de stortplaats zijn afgegeven. Het bedrag wordt zodanig vastgesteld dat uit het totaal van de opbrengsten van de heffing en de daarover verkregen rentebaten en beleggingsopbrengsten voor de niet-bedrijfsgebonden stortplaatsen in die provincie de kosten kunnen worden bestreden die naar verwachting gemoeid zullen zijn met de zorg voor die stortplaatsen. De kosten, bedoeld in de tweede volzin, worden berekend met inachtneming van de voor die stortplaatsen geldende nazorgplannen waarmee gedeputeerde staten hebben ingestemd. 4 Het derde lid is niet van toepassing op stortplaatsen waar baggerspecie is gestort.” De Verordening 2014, na het besluit van 28 november 2014 en voor zover hier van belang, luidt: "Artikel 1 Begripsomschrijvingen In deze verordening wordt verstaan onder: a. de wet: de Wet milieubeheer; b. storten van afvalstoffen: op of in de bodem brengen van afvalstoffen, al dan niet in verpakking, om deze stoffen daar te laten; c. stortplaats: inrichting waar na 1 september 1996 afvalstoffen zijn of worden gestort, dan wel het gedeelte van een inrichting waar afvalstoffen worden gestort, indien in de inrichting niet uitsluitend afvalstoffen worden gestort; d. gesloten stortplaats: stortplaats ten aanzien waarvan de in artikel 8.47, derde lid, van de wet, bedoelde verklaring is afgegeven; e. bedrijfsgebonden stortplaats: stortplaats waar uitsluitend afvalstoffen worden gestort, die afkom-stig zijn van binnen de inrichting waartoe de stortplaats behoort; f. doelvermogen: het voor de eeuwigdurende nazorg benodigde vermogen, dat op het moment van aanvang van de nazorg moet zijn opgebracht; g. sluitingsverklaring: verklaring als bedoeld in artikel 8.47, derde lid, van de wet. Artikel 2 Aard van de heffing Onder de naam 'nazorgheffing’ wordt bij wijze van een directe provinciale belasting een hcffing geheven ter bestrijding van de kosten gemoeid met: a. de in artikel 8.49, eerste lid, van de wet bedoelde zorg voor de in de provincie Zuid-Holland gelegen stortplaatsen; b. de dekking van de aansprakelijkheid, bedoeld in artikel 6:176, vierde lid, van het Burgerlijk Wet-boek. Artikel 3 Belastingplicht De nazorgheffing wordt geheven van degene die een stortplaats drijft. Artikel 4 Vrijstellingen De nazorgheffing wordt niet geheven ter zake van baggerspeciestortplaatsen, die worden gedreven of mede worden gedreven door de minister van Verkeer en Waterstaat. Artikel 5 Maatstaf van de heffing De nazorgheffing wordt geheven per stortplaats, Artikel 6 Tarieven 1. De nazorgheffing wordt zodanig vastgesteld dat uit de opbrengst van de heffing en de daarover verkregen rentebaten en beleggingsopbrengsten de kosten kunnen worden bestreden, die naar verwachting gemoeid zullen zijn met de uitvoering van het in artikel 8.49, derde en vierde lid van de wet bedoelde nazorgplan waarmee Gedeputeerde Staten hebben ingestemd, of indien geen nazorgplan geldt, de in artikel 8.49 van de wet bedoelde zorg voor die stortplaats. 2. De nazorgheffing wordt geheven naar de tarieven opgenomen in de bij deze verordening behorende tarieventabel. 3. In het jaar dat de sluitingsverklaring wordt afgegeven is het tarief van de heffing gelijk aan het verschil tussen (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.