GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer: 200.160.065/01 Rolnummer rechtbank: 1168733 \ RL EXPL 12-13372 Arrest van 27 september 2016 Inzake [appellant] , wonende te Den Haag, appellant, hierna te noemen: [appellant] advocaat: mr. M.M.C. van der Sanden te Den Haag, tegen [geïntimeerde] , wonende te Den Haag, geïntimeerde, hierna te noemen: [geïntimeerde] , advocaat: mr. N.E.P. Gustings te Den Haag. Het geding Voor het verloop van het geding tot dan toe verwijst het hof naar zijn tussenarrest van 13 januari 2015 waarbij een comparitie van partijen is gelast. De comparitie heeft plaatsgevonden en daarvan is proces-verbaal opgemaakt. Vervolgens heeft [appellant] een memorie van grieven (met producties) ingediend en daarin tien grieven aangevoerd tegen de tussen partijen gewezen (en hierna nader te noemen) vonnissen van de rechtbank ’s-Gravenhage, Team kanton Den Haag (hierna ook: de kantonrechter). [geïntimeerde] heeft de grieven bij memorie van antwoord (met producties) bestreden. Vervolgens heeft [appellant] een akte (met productie) ingediend en [geïntimeerde] een antwoordakte. Ten slotte hebben partijen arrest gevraagd. Beoordeling in hoger beroep 1.1 In hoger beroep is niet opgekomen tegen de juistheid van de vaststelling van de feiten in het tussen partijen gewezen vonnis van de kantonrechter van 21 november 2012 (hierna: tussenvonnis I), zodat deze feiten ook voor het hof als uitgangspunt dienen. Met inachtneming daarvan alsmede van hetgeen voorts (als niet voldoende gemotiveerd bestreden) is komen vast te staan, gaat het in deze zaak om het volgende. 1.2 [appellant] heeft vanaf eind 1995 een Turks restaurant geëxploiteerd in het pand op het adres [adres] te [plaats] (hierna: het pand c.q. het adres), dat destijds zijn eigendom was. Blijkens het uittreksel van de kamer van koophandel exploiteerde [appellant] het restaurant aanvankelijk als vennoot van een vof, vervolgens als eigenaar van een eenmanszaak en uiteindelijk als (indirect) aandeelhouder van de vennootschap Istanbul B.V. waar hij tevens beheerder was. Op 20 april 2005 is [appellant] uitgeschreven als beheerder. Istanbul B.V. is op 5 oktober 2005 failliet verklaard. 1.3 Van 15 juni 2005 tot 20 maart 2006 stond op het adres nog steeds een Turks restaurant ingeschreven, doch op naam van [O.] . [appellant] heeft het pand in de loop van 2005 verkocht aan een derde. 1.4 Van 1 april 2006 tot 2 oktober 2007 is bij de kamer van Koophandel geregistreerd dat [geïntimeerde] op het adres een Arabisch specialiteiten restaurant heeft gedreven. [geïntimeerde] was in die tijd fulltime elders werkzaam als kok en was overdag niet of nauwelijks beschikbaar voor het restaurant. [appellant] beschikte in deze periode over een pinpas van de bankrekening van het restaurant. Hij heeft daarmee uitgaven ten behoeve van het restaurant gedaan en voorts diverse privébetalingen. Ook heeft hij overeenkomsten namens het restaurant gesloten. [geïntimeerde] heeft [appellant] op 27 juli 2007 schriftelijk gemachtigd om het restaurant te vertegenwoordigen. 1.5 Partijen waren in de hiervoor besproken periode zwagers van elkaar; [geïntimeerde] was toen (nog) gehuwd met de zus van [appellant] , [naam zus] (hierna: [zus van appellant] ). In de periode dat het restaurant op naam van [geïntimeerde] stond, hebben gesprekken in de familie [naam famillie] plaatsgehad over de schulden van het restaurant. 2.1 [geïntimeerde] heeft, samengevat weergegeven, gevorderd dat [appellant] wordt veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde] van: - € 14.461,61 , vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 oktober 2007, ter zake van door [geïntimeerde] voor [appellant] betaalde schulden; - € 1.500,- smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 mei 2012; - € 952,- buitengerechtelijke kosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 mei 2012, en - veroordeling van [appellant] in de proceskosten. [geïntimeerde] heeft, samengevat weergegeven, het volgende aan zijn vordering ten grondslag gelegd: [appellant] heeft het restaurant dat hij exploiteerde na het faillissement van Istanbul B.V. onverkort voortgezet en heeft daartoe een derde ingeschakeld. Toen deze derde dat niet meer wilde heeft [appellant] [geïntimeerde] gevraagd het restaurant op zijn naam te zetten. Dat zou voor korte duur zijn omdat [appellant] bezig was met de verkoop. [geïntimeerde] heeft hier (gelet op de familierelatie) aan meegewerkt en daarbij is afgesproken dat [appellant] de schulden betreffende het restaurant zou betalen. [geïntimeerde] heeft in de periode daarna meermalen aangegeven dat hij wilde dat het restaurant van zijn naam werd gehaald. [appellant] gaf toen echter aan dat dan ook de vergunning van het restaurant zou vervallen, en daarmee de regeling met de koper, en dat [geïntimeerde] in dat geval de schulden van het restaurant zou moeten betalen. Uiteindelijk is [geïntimeerde] geconfronteerd met alle schulden van het restaurant en is er te zijner laste loonbeslag gelegd. [geïntimeerde] heeft het restaurant toen laten opheffen. Volgens [geïntimeerde] is (onder meer) sprake van wanprestatie aan de zijde van [appellant] wegens schending van de afspraak dat [appellant] de schulden van het restaurant zou betalen. [geïntimeerde] heeft voorts aangevoerd dat hij immateriële schade heeft geleden omdat hij te boek staat als schuldenaar en vele overuren heeft moeten maken om de schulden te betalen. Voorts heeft [geïntimeerde] angst ondervonden omdat [appellant] heeft gedreigd [geïntimeerde] te doden als hij het restaurant van zijn naam zou laten halen. 2.2 [appellant] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Hij betwist dat hij het restaurant dat hij heeft gehad, feitelijk is blijven exploiteren. [appellant] stelt dat hij zijn restaurant aan een derde heeft verkocht en dat deze derde het later heeft doorverkocht aan [geïntimeerde] . [appellant] heeft vervolgens uit coulance (gelet op de familierelatie) getracht om [geïntimeerde] bij de bedrijfsvoering van het restaurant te helpen. Hij betwist ook dat is afgesproken dat hij de schulden betreffende het restaurant zou betalen. 2.3 In tussenvonnis I heeft de kantonrechter [geïntimeerde] in de gelegenheid gesteld te bewijzen (samengevat) dat hij op verzoek van [appellant] eraan heeft meegewerkt het restaurant op zijn naam te zetten, dat partijen hebben afgesproken dat de exploitatie en de financiële zaken betreffende het restaurant via [appellant] zouden blijven lopen en dat [appellant] de schulden van het restaurant zou betalen. Bij tussenvonnis van 19 februari 2014 (hierna: tussenvonnis II), gewezen na getuigenverhoor, heeft de kantonrechter, samengevat weergegeven, [geïntimeerde] onder meer op grond van de volgende bewijsmiddelen geslaagd geacht in het bewijs: - de getuigenverklaringen van [getuige E.] (hierna: [getuige E.] ) en [geïntimeerde] (r.o. 2.2 van tussenvonnis II); - de in de faillissementsprocedure van [appellant] afgelegde getuigenverklaring van [zus van appellant] (r.o. 2.3 van tussenvonnis II), en - de vertaling van het verslag van de familie-bijeenkomst (r.o. 2.5 van tussenvonnis II, dat kennelijk doelt op het bij conclusie na enquête overgelegde gespreksverslag). Voorts heeft de kantonrechter in het kader van de bewijswaardering meegewogen dat uit niets blijkt dat [geïntimeerde] opbrengsten uit het restaurant heeft genoten dan wel zelf de beschikking had over de bankrekening van het restaurant, terwijl vaststaat dat [appellant] wel over de bankrekening kon beschikken en dat ook daadwerkelijk heeft gedaan voor het doen van tal van uitgaven, en bovendien ten behoeve van het restaurant overeenkomst met derden is aangegaan (zie r.o. 2.4 van tussenvonnis II). Tot slot heeft de kantonrechter meegewogen dat [appellant] zelf, als enige getuige in de contra-enquête, onder meer heeft verklaard dat hij het niet meer precies weet, dat hij [geïntimeerde] slechts op zijn verzoek heeft willen helpen in het restaurant toen [geïntimeerde] dat had overgenomen en dat hij niet heeft toegezegd om in die tijd ontstane schulden voor zijn rekening te nemen, maar dat aanvullend tegenbewijs ontbreekt. Omdat [geïntimeerde] zijn vordering aanvankelijk had gebaseerd op onrechtmatige daad heeft de kantonrechter partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de vraag of sprake is van wanprestatie. [geïntimeerde] heeft vervolgens ook wanprestatie aan zijn vordering ten grondslag gelegd. Bij eindvonnis van 14 mei 2014 (hierna: het eindvonnis) heeft de kantonrechter geoordeeld dat [appellant] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichting om de financiën van het restaurant voor zijn rekening te nemen. Ook is geoordeeld dat onvoldoende gemotiveerd verweer is gevoerd tegen de stelling van [geïntimeerde] dat sprake is van gederfde levensvreugde en aantasting van de eer en goede naam van [geïntimeerde] . De kantonrechter heeft alle vorderingen toegewezen. 3.1 De grieven 1 tot en met 7 richten zich in de kern tegen de bewijswaardering door de kantonrechter. Voorts wordt met grief 7 naar voren gebracht dat de vader van [appellant] reeds een deel van de vordering heeft voldaan. Grief 8 richt zich tegen de toegewezen immateriële schadevergoeding en grief 9 tegen de toewijzing van de buitengerechtelijke kosten. Grief 10 heeft geen zelfstandige betekenis en zal niet afzonderlijk worden besproken. Het hof zal de andere grieven hierna beoordelen (wegens hun samenhang ten dele gezamenlijk). Grieven 1 tot en met 7 3.2 De grieven stellen de vraag aan de orde of [geïntimeerde] is geslaagd in het door hem te leveren bewijs. 3.3 Ten aanzien van de waardering van de verklaringen van de door de kantonrechter gehoorde getuigen [getuige E.] en [geïntimeerde] sluit het hof zich aan bij de overwegingen van de kantonrechter, die heeft geoordeeld dat met name de stellige verklaring van [getuige E.] (dat hij [appellant] heeft horen zeggen dat [geïntimeerde] , in verband met de toenmalige problemen van [appellant] , slechts huurder zou zijn op papier en [appellant] zelf financieel verantwoordelijk bleef) bewijs vormt voor de stellingen van [geïntimeerde] terwijl de verklaring van [geïntimeerde] als aanvulling op die verklaring kan dienen. [appellant] heeft met grief 1 niet (voldoende specifiek) tegen deze overwegingen gegriefd. 3.4 [appellant] heeft (met grief 2) wel specifiek gegriefd tegen de waardering door de kantonrechter van de in de faillissementsprocedure afgelegde getuigenverklaring van [zus van appellant] . Hij stelt dat deze verklaring zes jaar vóór het eindvonnis is afgelegd, in de faillissementsprocedure van [appellant] , terwijl [zus van appellant] toen nog helemaal niet bekend was met de standpunten in deze procedure noch met de vordering van [geïntimeerde] . Voorts voert [appellant] aan dat [zus van appellant] destijds acht maanden zwanger was en [geïntimeerde] een dienst wilde bewijzen. 3.5 Anders dan [appellant] betoogt, leiden de hiervoor genoemde argumenten er niet toe dat aan de verklaring van [zus van appellant] geen bewijskracht kan worden toegekend. Het hof is (met de kantonrechter) van oordeel dat de verklaring van [zus van appellant] relevant is nu zij in detail (en niet alleen “van horen zeggen”) heeft verklaard over het restaurant dat op naam van (haar toenmalige man) [geïntimeerde] was gezet maar werd gerund door (haar broer) [appellant] , en dat [geïntimeerde] daarvoor niet betaald heeft gekregen. Het feit dat [zus van appellant] niet van het geschil tussen [appellant] en [geïntimeerde] op de hoogte was, en dat zij haar verklaring begin 2008 heeft afgelegd, dus zeer kort na de voor dit geschil relevante gebeurtenissen, maakt haar verklaring juist betrouwbaar. De stelling dat de verklaring ongeloofwaardig is omdat [zus van appellant] (die destijds acht maanden zwanger was) “ [geïntimeerde] een dienst wilde bewijzen” is niet onderbouwd en zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt ook niet in te zien hoe [zus van appellant] [geïntimeerde] met haar verklaring - die in de faillissementszaak van [appellant] is afgelegd - een dienst heeft bewezen. 3.6 Naast de hiervoor besproken verklaringen acht het hof, evenals de kantonrechter (in r.o. 2.4 van tussenvonnis II), in het kader van de bewijswaardering van belang dat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.