GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Uitspraak : 21 december 2016 (bij vervroeging) Zaaknummer : 200.199.614/02 Rekestnummer rechtbank : FA RK 15-7019 Zaaknummer rechtbank : C/09/495892 [appellant] , wonende te [woonplaats] , verzoeker in hoger beroep, hierna te noemen: de man, advocaat mr. M.P.J. Frederiks te 's-Gravenhage, tegen [geïntimeerde] , wonende te [woonplaats] , verweerster in hoger beroep, hierna te noemen: de vrouw, advocaat mr. W.M. Vermeijden te Vlaardingen. PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP De man is op 22 september 2016 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 23 juni 2016 van de rechtbank Den Haag. Dit hoger beroep is ingeschreven onder zaaknummer 200.199.614/01. Bij dat beroep heeft de man tevens een verzoek tot schorsing van de werking van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van die beschikking ingediend, ingeschreven bij dit hof onder zaaknummer 200.199.614/02. De vrouw heeft op 13 oktober 2016 een verweerschrift ingediend. Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen: van de zijde van de man: op 6 oktober 2016 een V6-formulier, met als bijlage het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 26 mei 2016 bij de rechtbank Den Haag; op 19 oktober 2016 een V-formulier, waarin de man aangeeft dat het schorsingsverzoek op basis van de stukken kan worden afgedaan; van de zijde van de vrouw: - op 9 november 2016 een V-formulier, waarin de vrouw aangeeft dat het schorsingsverzoek op de stukken kan worden afgedaan. PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking. Bij die beschikking heeft de rechtbank – voor zover thans van belang – bepaald dat de man voor de verzorging en opvoeding van de minderjarigen: [minderjarige 1] , geboren [in] 2002 te [geboorteplaats] en [minderjarige 2] geboren [in] 2009 te [geboorteplaats] (hierna tezamen te noemen: de minderjarigen), aan de vrouw zal betalen voor de periode van 9 september 2015 tot 1 juli 2016 een bedrag van € 385,-- per maand per kind en vanaf 1 juli 2016 een bedrag van € 351,-- per maand per kind. Deze beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. BEOORDELING VAN HET VERZOEK TOT SCHORSING VAN DE WERKING VAN DE UITVOERBAARVERKLARING BIJ VOORRAAD 1.In geschil is de werking van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de bestreden beschikking. en het treffen van een voorlopige voorziening. 2. De man verzoekt het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en kosten rechtens, de verleende uitvoerbaarverklaring bij voorraad ten aanzien van de bijdrage in de kosten verzorging en opvoeding van de minderjarigen, hierna ook: kinderalimentatie, gedurende de loop van de procedure in hoger beroep te schorsen op grond van artikel 351 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (het hof leest: artikel 360 Rv). 3. De vrouw verzoekt het hof, naar het hof begrijpt, het schorsingsverzoek van de man af te wijzen, met dien verstande dat de man met ingang van 1 november 2016 in ieder geval € 60,-- per maand per kind zal betalen onder de voorwaarde dat er voor de vrouw geen terugbetalingsverplichting zal ontstaan ongeacht de uitkomst van de hoger beroep procedure. 4. De man stelt dat de tenuitvoerlegging van de bestreden beschikking een onmiddellijke noodtoestand zou doen ontstaan aan zijn zijde, omdat die beschikking op juridische en feitelijke misslagen berust. Daartoe voert hij aan dat de rechtbank de stukken van de man, die hij op 25 mei 2016 heeft overgelegd, niet in haar beoordeling en berekening van de verschuldigde kinderalimentatie heeft betrokken, terwijl de beschikking wel vermeldt dat de rechtbank heeft kennis genomen van deze stukken. In de bestreden beschikking overweegt de rechtbank dat zij het in strijd met de goede procesorde acht dat de man nog altijd geen actuele inkomensgegevens heeft overgelegd. De rechtbank overweegt vervolgens dat deze omstandigheid voor eigen rekening en risico van de man komt. Volgens de man bevatten de door hem op 25 mei 2016 overgelegde stukken onder meer een met stukken onderbouwde berekening van de kosten van de kinderen, waaruit volgt dat de kosten van de kinderen geen € 617,-- per maand per kind bedragen – zoals de vrouw stelt – maar € 158,-- per maand per kind. Deze berekening alleen al leidt tot een geheel andere bijdrage van de man in de kosten van de minderjarigen dan door de vrouw was verzocht en door de rechtbank in eerste aanleg is vastgesteld, aldus de man. 5. De man heeft naar eigen zeggen niet de financiële middelen om de door de rechtbank vastgestelde kinderalimentatie te voldoen. De vrouw is er genoegzaam mee bekend dat de door de rechtbank vastgestelde kinderalimentatie niet voldoet aan de wettelijke maatstaven, ten gevolge waarvan het ten uitvoer leggen van de door de rechtbank vastgestelde kinderalimentatie door de vrouw misbruik van bevoegdheid zou opleveren, aldus de man. 6. Voorts stelt de man dat hij niet over jaarstukken van zijn onderneming van na 2014 beschikt, aangezien hij momenteel niet de financiële middelen heeft om de hiermee gepaard gaande kosten van zijn boekhouder te voldoen. 7. De vrouw erkent dat de man op 25 mei 2016 – dus één dag voor de mondelinge behandeling bij de rechtbank – stukken heeft overgelegd. Volgens de vrouw betroffen die financiële stukken de jaren 2012 en 2013, en niet de jaren 2014 en 2015. Die laatste stukken zijn nodig om de huidige en toekomstige financiële mogelijkheden van de man te bekijken, aldus de vrouw. De man heeft nagelaten om een helder inzicht te geven in zijn financiële situatie, hetgeen voor zijn rekening en risico dient te komen. 8. Het hof overweegt dat een partij die een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking heeft verkregen in beginsel bevoegd is deze te executeren, ook indien tegen de beschikking hoger beroep is ingesteld. Bij de beoordeling van de vraag of, in afwijking van voornoemd uitgangspunt, de tenuitvoerlegging van een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking moet worden geschorst, worden de navolgende maatstaven aangelegd (vgl. HR 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:688 en 30 mei 2008, nr. 07/12668, ECLI:NL:HR:2008:BC5012): (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.