GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer: 200.166.822/01 Zaaknummer / rolnummer rechtbank: C/09/453262 / HA ZA 13-1195 Arrest van 6 december 2016 In de zaak van [appellant] wonende te Den Haag, appellant in het principaal appel, geïntimeerde in het voorwaardelijk incidenteel appel, hierna te noemen: [appellant], advocaat: mr. M.W. Fakiri te Den Haag, tegen [geïntimeerde], wonende te Den Haag, geïntimeerde in het principaal appel, appellante in het voorwaardelijk incidenteel appel, hierna te noemen: [geïntimeerde], advocaat: mr. M. Stol te Den Haag. Het geding Voor het verloop tot dan toe verwijst het hof naar zijn tussenarrest van 19 mei 2015 waarbij een comparitie van partijen is gelast. Bij brief van 12 augustus 2015 is aan de zijde van [geïntimeerde] een productie overgelegd. De comparitie heeft plaatsgevonden en daarvan is proces-verbaal opgemaakt. Vervolgens heeft [appellant] een memorie van grieven (met producties) ingediend en daarin vijf grieven aangevoerd tegen het tussen partijen gewezen eindvonnis van 21 januari 2015 (hierna: het eindvonnis). [geïntimeerde] heeft de grieven bij memorie van antwoord in principaal appel tevens houdende memorie van grieven van voorwaardelijk incidenteel appel (met producties) bestreden en voorwaardelijk incidenteel appel ingesteld onder aanvoering van vijf grieven tegen het tussen partijen gewezen tussenvonnis van 9 april 2014 (hierna: het tussenvonnis). Daarop heeft [appellant] bij memorie van antwoord in voorwaardelijk incidenteel appel (met producties) gereageerd. Daarna heeft [geïntimeerde] een akte genomen en [appellant] een antwoordakte. Op 10 oktober 2016 hebben partijen de zaak voor het hof doen bepleiten aan de hand van aan het hof overgelegde pleitnotities. Op de zitting zijn door beide partijen (op voorhand toegezonden) producties ingediend. Ten slotte hebben partijen arrest gevraagd. Beoordeling in hoger beroep 1.1 In hoger beroep is niet opgekomen tegen de vaststelling van de feiten in het tussenvonnis zodat deze feiten ook voor het hof als uitgangspunt gelden. Met inachtneming van die feiten alsmede van hetgeen voorts als niet (voldoende gemotiveerd) bestreden, is komen vast te staan, gaat het in deze zaak om het volgende. 1.2 Partijen hadden in de periode van 2007 tot 10 april 2013 een affectieve relatie. [geïntimeerde] had in die tijd een eigen woning te Den Haag. Op 10 september 2007 heeft zij daarnaast, ten behoeve van verhuur, een appartement aan [adres] gekocht (hierna: het appartement). Zij heeft daartoe een hypothecaire geldlening afgesloten. Na de levering heeft [appellant], met behulp van door hem ingeschakelde derden, het appartement verbouwd. 1.3 In een stuk getiteld “Schuldbekentenis”, gedateerd 1 januari 2008 (hierna: de schuldbekentenis), is onder meer het volgende opgenomen: “(…) [geïntimeerde] (…) verklaart wegens een geldlening een bedrag van € 50.000,00 schuldig te zijn aan (…) [appellant] (…). Tegen een rente van 10%. De volgende bepalingen en bedingen gelden: 1. De hoofdsom wordt afgelost met een bedrag van € 916,67 per maand, ingaande op 01-01-2009 en vervolgens op de 1e van iedere maand (...). Deze bepaling vervalt op het moment dat de schuldeiser het bedrag onmiddellijk geheel opeist, zoals omschreven in bepaling 4. 2. De looptijd van de lening bedraagt 5 jaar, met ingang van 01-01-2009. (..) 3. De over de hoofdsom of het restant verschuldigde rente wordt maandelijks voldaan, tegelijk met de aflossing van die maand. 4. De hoofdsom of het restant daarvan is met rente en kosten dadelijk opeisbaar zonder voorafgaande opzegging als: - (…) - de schuldenaar de rente niet uiterlijk op de maandelijkse vervaldatum betaalt; - de schuldenaar andere verplichtingen tegenover de schuldeiser niet nakomt; (...). De schuldenaar is in gebreke als de termijn verloopt; er is geen bevel of andere akte van inverzuimstelling nodig. 5. (..) 6. Alle kosten die de schuldeiser maakt om zijn rechten uit te oefenen of te behouden en alle verdere kosten die voortkomen uit deze geldlening, zijn voor rekening van de schuldenaar. (…) Schuldbekentenis voor een bedrag van vijftigduizend euro Ondertekening: [handtekening] Mevr. [geïntimeerde] [handtekening] Dhr. [appellant]” In de schuldbekentenis is de tekst “vijftigduizend euro” handgeschreven (in letters). De handtekeningen onder de schuldbekentenis zijn voor legalisatie gezien door de burgemeester van de gemeente Den Haag (namens hem, directeur dienst Burgerzaken). 1.4 Bij brief van 28 mei 2013 heeft de advocaat van [appellant] onder meer het volgende aan [geïntimeerde] meegedeeld: “Er is afgesproken dat de aflossing zal ingaan op 1 januari 2009 met een bedrag van € 916,67 per maand. Opvallend genoeg is deze aflossing nooit ingegaan. Conform een bepaling in diezelfde overeenkomst is het gehele bedrag thans ineens opeisbaar. Cliënt kan derhalve het bedrag van € 50.000,-, te vermeerderen met de rente, ineens van u vorderen. Graag verneem ik van u of u in staat bent dit bedrag ineens te betalen, dan wel of u een betalingsvoorstel wenst te doen. (...) NB: Indien en voor zover rechtens nog vereist stel ik u hierbij in gebreke met inachtneming van een termijn van 7 dagen na dagtekening van deze brief.” 1.5 In reactie hierop heeft [geïntimeerde] bij e-mail van 13 juni 2013, voor zover relevant, het volgende aan (de advocaat van) [appellant] medegedeeld: “(...) Naar aanleiding van uw brief d.d. 28 mei jongstleden waarin u mij namens uw cliënt dhr. [appellant] wijst op de overeenkomst met een bedrag van € 50.000, tegen een rente van 10%, bericht ik u als volgt: uw cliënt heeft op 6 juni 2013 toegezegd om de brief (...) in te trekken. Deze beslissing is genomen in aanwezigheid van en in overleg met zijn familie (…).” 1.6 Vervolgens heeft de advocaat van [appellant] bij brief van 24 juni 2013 aan [geïntimeerde] meegedeeld dat [appellant] niet heeft toegezegd dat hij de brief zou intrekken maar slechts heeft aangevoerd dat hij zou nadenken over een langere looptijd. In de brief is wederom verzocht om betaling van € 50.000,- dan wel om een betalingsvoorstel van [geïntimeerde]. 1.7 Bij e-mail van 1 juli 2013 heeft [geïntimeerde] het volgende aan de advocaat van [appellant] medegedeeld: “De familieomstandigheden betreft mijn moeder, zij ligt op sterven. Uw cliënt is hiervan op de hoogte. Enige menselijkheid in deze kwestie zou gewenst zijn. Tevens heb ik uw cliënt geïnformeerd dat wanneer zij overlijdt ik een grote som geld zal erven. Uw cliënt hoeft alleen maar te wachten op de dood van mijn moeder. N.a.v. uw brief van 24 juni wil ik een betalingsvoorstel doen. Zoals u weet is dit een groot bedrag dat ik niet in een keer kan betalen. Inmiddels heb ik mij aangemeld bij de schuldsanering. Ik vraag u hierbij nog even geduld te hebben. Ik moet met mijn schuldhulpverlener bespreken welk bedrag ik elke maand kan betalen.” 1.8 [geïntimeerde] heeft geen gehoor gegeven aan het verzoek om betaling. 2.1 [appellant] vordert - samengevat weergegeven en voor zover in hoger beroep van belang - dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld tot betaling aan hem van: - € 50.000,-, te vermeerderen met 10% rente per jaar vanaf 1 januari 2009; - € 1.275,- wegens buitengerechtelijke kosten, en - de proceskosten. [appellant] heeft ter onderbouwing van zijn vordering verwezen naar de schuldbekentenis. De achtergrond daarvan is, aldus [appellant] (o.a. memorie van grieven 4.1.7. e.v.), dat het appartement volledig moest worden gestript en verbouwd tot luxe appartement ten behoeve van de verhuur aan toeristen en dat [geïntimeerde] de kosten van de verbouwing niet kon betalen. Partijen zijn een overeenkomst aangegaan om de verbouwing te bekostigen en daarom hebben partijen de schuldbekentenis opgesteld. [appellant] heeft de verbouwing (van het appartement en de daarbij behorende tuin) uitgevoerd en bekostigd en daartoe vaklui ingehuurd en zwart uitbetaald. Hij heeft daarmee de kosten van de verbouwing voor [geïntimeerde] voorgeschoten. 2.2 [geïntimeerde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd en in voorwaardelijke reconventie (voor het geval dat de eis in conventie geheel of gedeeltelijk wordt toegewezen) - samengevat weergegeven - gevorderd: - betaling aan [geïntimeerde] van € 50.000,-, te vermeerderen met rente en kosten; - veroordeling van [appellant] tot meewerken aan de afwikkeling van de tussen partijen bestaande maatschap en de aanwijzing van een accountant in dat verband, - te verklaren voor recht dat [appellant] gehouden is de helft van de op het appartement geleden verlies, de waardevermindering en de transactiekosten waaronder overdrachtsbelasting, rekening houdend met de betaalde rente en aflossing, voor de helft voor zijn rekening te nemen, en - betaling van de proceskosten in voorwaardelijke reconventie, inclusief nakosten. [geïntimeerde] heeft hiertoe kort gezegd aangevoerd dat partijen, door de aankoop van het appartement en de verhuur daarvan, een onderneming zijn begonnen met het oogmerk om de daaruit voortvloeiende winst te delen. Deze gezamenlijke onderneming kwalificeert als een maatschap en [appellant] behoort de helft van de kosten daarvan te dragen. Daarom heeft [geïntimeerde] automatisch een tegenvordering op [appellant] voor al hetgeen [appellant] van haar te vorderen zou hebben. 2.3 Bij tussenvonnis heeft de rechtbank overwogen dat, gelet op de schuldbekentenis, behoudens tegenbewijs is komen vast te staan dat [geïntimeerde] uit hoofde van een geldlening € 50.000,- aan [appellant] verschuldigd is, vermeerderd met een jaarrente van 10% vanaf 1 januari 2009. De rechtbank heeft [geïntimeerde] in de gelegenheid gesteld tegenbewijs te leveren. Zij heeft voorts overwogen dat, indien [geïntimeerde] niet in dat tegenbewijs slaagt en de voorwaarde voor de reconventionele vordering is vervuld, deze vordering moet worden afgewezen omdat geen sprake is van een maatschap. De rechtbank heeft bij eindvonnis geoordeeld dat [geïntimeerde] is geslaagd in het door haar te leveren tegenbewijs en heeft de vorderingen van [appellant] afgewezen. Daartoe heeft de rechtbank, samengevat weergegeven, het volgende overwogen: - [geïntimeerde] heeft gemotiveerd betwist dat [appellant] € 50.000,- aan [geïntimeerde] heeft geleend ten behoeve van de verbouwing van het appartement (r.o. 2.5 van het eindvonnis). De gemotiveerde betwisting is met stukken onderbouwd, waarbij de rechtbank doelt op het door [geïntimeerde] overgelegde overzicht van de belangrijkste inkopen voor de verbouwing, de daarbij behorende facturen en het door [geïntimeerde] overgelegde rapport waarin de materiaalkosten van de verbouwing worden getaxeerd op € 12.500 à € 15.000,-; - De kosten van de verbouwing zijn niet door de bank meegefinancierd (r.o. 2.5 van het eindvonnis). De in de schuldbekentenis opgenomen jaarrente van 10% maakt het ongeloofwaardig dat [geïntimeerde] de verbouwing door middel van een geldlening bij [appellant] heeft gefinancierd; - [geïntimeerde] heeft gemotiveerd betwist dat [appellant] € 35.000,- aan spaargeld beschikbaar had en € 15.000,- bij een vriend had geleend (r.o. 2.6 van het eindvonnis). Volgens de rechtbank blijkt (onder meer) uit de door [geïntimeerde] overgelegde belastingaanslagen dat [appellant] in 2007 tot en met 2012 geen box 3 vermogen had en heeft [appellant] onbetwist gelaten de stellingen van [geïntimeerde] dat [appellant] sinds 1993 een beroep doet op de Ziektewet en vanaf 6 maart 1995 een WAO-uitkering ontvangt. Volgens de rechtbank zijn er daarom grote vraagtekens te plaatsen bij de stelling van [appellant] dat hij een fors bedrag aan contanten heeft kunnen opbouwen. Ter comparitie heeft [appellant] nauwelijks iets kunnen verklaren over de vriend waarbij hij € 15.000,- zou hebben geleend. Het principaal appel 3.1 Het hoger beroep strekt tot de vernietiging van het eindvonnis en tot toewijzing van de hiervoor weergegeven vorderingen van [appellant]. Grief I richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat [geïntimeerde] de stelling van [appellant] (dat hij € 50.000,- aan [geïntimeerde] heeft geleend ten behoeve van de verbouwing van het appartement) gemotiveerd en met stukken onderbouwd heeft betwist. Grief II richt zich tegen r.o. 2.6 van het eindvonnis en heeft betrekking op de vraag of [appellant] de beschikking had over geld om aan [geïntimeerde] uit te lenen. Met grief III wordt aangevoerd dat de rechtbank de e-mail van 1 juli 2013 van [geïntimeerde] niet in haar oordeel heeft betrokken. Volgens grief IV heeft de rechtbank [appellant] ten onrechte niet tot getuigenbewijs toegelaten. Grief V ziet op de proceskostenveroordeling en heeft geen zelfstandige betekenis. Het hof zal de grieven gezamenlijk beoordelen. 3.2 De schuldbekentenis is een onderhandse akte waarin een eenzijdige verbintenis van [geïntimeerde] jegens [appellant] is vastgelegd. Aangezien de geldsom voluit in letters is vermeld levert de schuldbekentenis dwingend bewijs op van het bestaan van een schuld van € 50.000,- van [geïntimeerde] aan [appellant], tegen een rente van 10%, wegens een geldlening (artikel 158 lid 1 Rv. jo. artikel 157 lid 2 Rv.). Dit betekent dat de rechter verplicht is de inhoud van de schuldbekentenis als waar aan te nemen, behoudens tegenbewijs, dat volgens art. 152 lid 1 Rv. door alle middelen mag worden geleverd (tenzij de wet anders bepaalt). De rechtbank heeft [geïntimeerde] terecht in de gelegenheid gesteld om tegenbewijs te leveren. Het gaat in dit hoger beroep in de kern om de vraag of [geïntimeerde] daarin is geslaagd. Daarbij dient als uitgangspunt dat het tegenbewijs geslaagd mag worden geacht als het door de akte geleverde bewijs is ontzenuwd (HR 16 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ0613, NJ 2008, 219). 3.3 Vast staat dat de hypothecaire geldlening van [geïntimeerde] geheel is aangewend voor de voldoening van de koopsom van het appartement en dus niet (mede) heeft gediend voor de financiering van de verbouwing. Vast staat ook dat het appartement daadwerkelijk is verbouwd en dat die verbouwing is uitgevoerd door [appellant], die als lasser werkzaam is geweest, en door derden die door hem zijn ingeschakeld. Zoals [appellant] heeft aangevoerd en [geïntimeerde] niet (voldoende gemotiveerd) heeft bestreden, en voorts blijkt uit de door partijen overgelegde foto’s van het appartement van voor, tijdens en na de verbouwing, heeft de verbouwing onder meer bestaan uit sloopwerkzaamheden, het aanleggen van nieuwe leidingen, een nieuwe cv-installatie, het plaatsen van een nieuwe keuken (inclusief wand- en vloerbetegeling), een nieuwe badkamer (inclusief wand- en vloerbetegeling), nieuwe muren en nieuwe vloeren. Ook de tuin is -in de woorden van [appellant]- verbouwd. Het hof stelt op grond van de foto’s en de opsomming van werkzaamheden vast dat sprake is geweest van een ingrijpende verbouwing. 3.4 [geïntimeerde] stelt zich kort gezegd op het standpunt dat de verbouwing geen € 50.000,- heeft gekost en deze ook niet voor rekening van [appellant] heeft kunnen plaatsvinden. Zij wijst er in dit verband op dat [appellant] reeds sinds lange tijd een uitkering geniet en geen andere inkomsten of vermogensbestanddelen bij de fiscus heeft opgegeven. Hiermee is naar het oordeel van het hof de schuldbekentenis echter niet ontzenuwd. [appellant] heeft in hoger beroep onder meer gesteld dat hij naast zijn WAO-uitkering andere (zwarte) inkomsten heeft genoten, hetgeen [geïntimeerde] niet (voldoende gemotiveerd) heeft betwist. Uit het feit dat [appellant] reeds lange tijd en uitkering genoot en geen inkomsten bij de belastingdienst heeft opgegeven, volgt daarom nog niet dat hij niet over financiële middelen beschikte (al dan niet via een lening bij een vriend) om de verbouwing te bekostigen. Aangezien vast staat dat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.