GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel Recht Zaaknummer : 200.138.544/01 Zaak-/rolnummer rechtbank : C/09/425187/HA ZA 12-976 Arrest van 29 maart 2016 inzake 1. [appellant 1], wonende te [woonplaats] , 2. [appellant 2], wonende te [woonplaats] , appellanten, hierna te noemen: [appellant 1] en [appellant 2] , en gezamenlijk: [appellanten] , advocaat: mr. A.J. Fontijn te Emmen, tegen de publiekrechtelijke rechtspersoon DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Veiligheid en Justitie), zetelend te Den Haag, geïntimeerde, hierna te noemen: de Staat, advocaat: mr. A.Th.M ten Broeke te Den Haag. Het verloop van het geding Bij exploot van 15 oktober 2013 zijn [appellanten] in hoger gekomen van het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Den Haag van 17 juli 2013. Bij memorie van grieven, met producties, van 26 mei 2015 (hierna: MvG) hebben [appellanten] acht grieven tegen dat vonnis aangevoerd die door de Staat zijn bestreden bij memorie van antwoord (hierna: MvA). Hierna is arrest gevraagd. De beoordeling van het hoger beroep 1. Het hof neemt – deels in navolging van niet bestreden vaststellingen van de rechtbank – de volgende feiten als vaststaand aan. a. Begin 1993 (zie blz. 6, punt 4 MvG) hebben [appellanten] voor £ 30.000,- banden met geluidsopnamen van de Beatles gekocht van [O] (hierna: [O] ), een ex-werknemer van de platenmaatschappij van de Beatles, Apple. Deze opnamen zijn gemaakt in januari 1969 in Londen ten behoeve van de in mei 1970 uitgebrachte film “Let It Be’. Het gaat om ruim 500 banden met 80 uur opnamen. De banden worden wel aangeduid als: de Nagra-tapes, waarbij het woord Nagra verwijst naar het type van de gebruikte bandrecorder. b. Apple Films Limited – kortweg: Apple Films – is een vennootschap naar Engels recht die in eigendom is van (erfgenamen van) leden van de Beatles. De vennootschap is opgericht in 1963 en heeft in 1968 haar huidige naam gekregen. c. Op 23 december 2002 is door de Crown Prosecutor Head of London een rechtshulpverzoek opgemaakt dat is verstuurd naar de Nederlandse autoriteiten. In dat rechtshulpverzoek stond vermeld, samengevat, dat de Engelse politie [O] en [D] (hierna: [D] ) verdacht van diefstal en heling van de Nagra-tapes in de periode 1973-1995, dat deze tapes waarschijnlijk in bezit zijn van twee Nederlanders, onder wie [appellant 1] , en dat een geïnfiltreerde Engelse politieagent (’ [B] ’) met [D] naar Nederland zal komen om de Nagra-tapes van die twee Nederlanders te kopen. In het rechtshulpverzoek is onder meer verzocht om inbeslagname van de Nagra-tapes en teruggave daarvan aan de Engelse politie. d. Naar aanleiding van dit rechtshulpverzoek heeft op 10 januari 2003 een doorzoeking plaatsgevonden in het woonhuis aan de [adres] , waar de broer van [appellant 2] partner woonde. Daarbij zijn 571 Nagra-tapes in beslag genomen. Later op diezelfde dag zijn [appellant 1] en [appellant 2] aangehouden toen zij dat woonhuis wilden betreden. e. Op 14 en 17 juli 2006 heeft de Engelse Crown Court Southwark vonnis gewezen in de strafzaak tegen [O] en [D] . [O] – die aan schizofrenie lijdt – is op grond van heling voor twee jaar onder toezicht gesteld, [D] is wegens heling veroordeeld tot 4 maanden voorwaardelijke gevangenisstraf. In dit vonnis is onder meer het volgende te lezen: ‘The jury, by its determination, has found that (…) the tapes were stolen. (…). The tapes were removed at some stage between 1969 en 1973, but there is no determination as to who did that. Except that the jury found that they were indeed stolen; they belonged to Apple’. In dit vonnis – waartegen geen hoger beroep is ingesteld – is verder opgemerkt dat Apple Films de Nagra-tapes al terug had, doch dat was niet het geval. f. De in Nederland tegen [appellanten] ingestelde strafzaken zijn bij beslissing van 6 januari 2007 geseponeerd. g. Bij klaagschriften van 9 februari 2007 hebben [appellant 1] en [appellant 2] op de voet van artikel 552a Wetboek van Strafvordering (Sv) verzocht om teruggave aan hen van de op 10 januari 2003 in beslag genomen Nagra-tapes. Bij klaagschrift ex artikel 552a Sv van 2 mei 2007 heeft Apple Films om teruggave van de Nagra-tapes aan haar verzocht. Op 24 mei 2007 heeft de rechtbank Amsterdam drie afzonderlijke beschikkingen op deze klaagschriften gegeven, in twee daarvan is het beklag van [appellant 1] en dat van [appellant 2] ongegrond verklaard, in de derde is het beklag van Apple Films gegrond verklaard en is de teruggave van de Nagra-tapes aan Apple Films gelast. h. Tegen de ongegrondverklaringen van hun klaagschriften hebben [appellant 1] en [appellant 2] cassatieberoep ingesteld. De Hoge Raad (HR) heeft op 20 januari 2009 in deze twee zaken de beschikkingen van de rechtbank Amsterdam van 24 mei 2007 vernietigd en de zaken verwezen naar het Gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en afdoening. Daartoe heeft de HR kort gezegd het volgende overwogen: - er moet vanuit worden gegaan dat ten tijde van de beoordeling van de klaagschriften de termijn van 3 jaren als bedoeld in artikel 3:86 lid 3 BW (voor opeising door de eigenaar die het bezit door diefstal heeft verloren) was verstreken; - derhalve heeft lid 1 zijn volle werking hernomen, zodat geen betekenis meer toekomt aan de regel van lid 3; - dit betekent dat voor de beantwoording van de vraag of klager redelijkerwijs als eigenaar kan worden beschouwd, beslissend is of hij de geluidsbanden anders dan om niet en te goeder trouw heeft verkregen; - nu de rechtbank hierom onvoldoende heeft vastgesteld zijn haar beschikkingen niet naar behoren met redenen omkleed. i. Bij beschikkingen van 17 februari 2010 heeft het Gerechtshof te Amsterdam, oordelend na verwijzing, het beklag van [appellant 1] en dat van [appellant 2] ongegrond verklaard. Ook van deze beschikkingen hebben [appellant 1] en [appellant 2] cassatieberoep ingesteld. j. Inmiddels was de beslissing van de rechtbank Amsterdam van 24 mei 2007, waarbij het beklag van Apple Films gegrond was verklaard en de teruggave van de geluidsbanden aan haar was gelast, onherroepelijk geworden. k. In zijn op 6 september 2011 gewezen arresten in de cassatieberoepen op de beslissingen van het Amsterdamse hof van 17 februari 2010 heeft de HR geoordeeld dat – omdat gelet op de in rov. 1.j vermelde feiten, de beslagen reeds waren beëindigd ten tijde van die beslissingen – het hof [appellant 1] en [appellant 2] niet-ontvankelijk had moeten verklaren in hun klaagschriften, in plaats van deze ongegrond te verklaren. De HR heeft de beslissingen van het Amsterdamse hof vernietigd en alsnog die niet ontvankelijk-verklaring uitgesproken. 2. Stellende dat (zie de punten 22, 30 en 36-39 van de inleidende dagvaarding, hierna: ID, en het proces-verbaal van de comparitie in de eerste aanleg, hierna: PV-C): i. zij de meest gerede partijen waren aan wie de geluidsbanden door het Openbaar Ministerie (OM) hadden moeten worden teruggegeven, in aanmerking ook nemende dat zij deze in 1993 tegen betaling van een fors geldbedrag van een beschikkingsbevoegde rechtsgeldig hebben gekregen, althans daarbij te goeder trouw zijn geweest; ii. de ‘teruggave’ aan de in Engeland gevestigde vennootschap Apple Films dus onrechtmatig was – ook omdat daardoor [appellanten] de mogelijkheid is ontnomen om een beroep te doen op het ‘Nederlandse’ artikel 3:86 BW dat, anders dan het Engelse recht, ook bij diefstal een bezitter te goeder trouw kan beschermen – zodat de rechterlijke macht/het OM in strijd met het recht aan hen (feitelijk) de eigendom van de geluidsbanden heeft ontnomen, die hen rechtens toekomt, en inbreuk wordt gemaakt op artikel 8 EVRM, het recht op fair trial en artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM, hebben [appellanten] gevorderd een verklaring voor recht, dat de Staat jegens hen een onrechtmatige daad heeft gepleegd waardoor hij verplicht is de door hen geleden schade te vergoeden, met veroordeling van de Staat tot betaling van een schadevergoeding van € 650.000,- althans een in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met wettelijke rente en kosten van rechtsbijstand. 3. In haar vonnis van 17 juli 2013 heeft de rechtbank deze – door de Staat betwiste – vorderingen afgewezen. 4. Tegen deze beslissing en de daartoe gebezigde motivering richten zich de grieven van [appellanten] . Daarbij hebben zij de in rov. 2 weergegeven grondslagen van hun vorderingen nader uitgewerkt, onder meer – in het kader van hun grief IV (zie blz. 9-11 MvG) – met de stelling dat hen geen effectieve rechtsbescherming is geboden, aangezien zij, vanwege artikel 552d lid 2 Sv, geen rechtsmiddel hebben kunnen instellen tegen de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 24 mei 2007 op het beklag van Apple Films, en het onherroepelijk worden van deze beschikking ertoe heeft geleid dat zij in hun beroep tegen de ongegrondverklaring van hun beklag door de HR niet ontvankelijk zijn verklaard (zie de rovv. 1.j en k). Er is, aldus [appellanten] , derhalve sprake van een leemte in de regelgeving en (daardoor) gebrekkige rechtspraak, die zich niet laat rijmen met de eisen van behoorlijke rechtspleging. Verder hebben [appellanten] in hoger beroep betwist dat de banden zijn gestolen: John Lennon zou deze ‘restpartij’ aan Beatles-fanaat [O] cadeau hebben gedaan. 5. Het hof acht allereerst het volgende van belang. Bij gelegenheid van zijn verhoor door de politie op 11 januari 2003 heeft [appellant 2] verklaard dat hij de tapes in 1993 heeft laten kopen door de vennootschap Silverlux Music S.a.r.l. (hierna: Silverlux S.a.r.l.) te Luxemburg, waarvan hij directeur was, en dat Silverlux S.a.r.l. dus eigenaar is (politie-PV blz. 0102; productie 5 bij conclusie van antwoord, hierna: CvA). In hun afzonderlijke artikel 552a Sv-procedures hebben [appellant 2] en [appellant 1] bevestigd dat de banden waren gekocht voor hun bedrijf Silverlux S.a.r.l. (producties 19 en 20 bij CvA). In de eerste aanleg heeft de Staat naar aanleiding hiervan het verweer gevoerd dat hooguit Silverlux S.a.r.l eigenaar van de banden kan zijn, en dat [appellanten] derhalve geen vorderingsrecht hebben (punten 3.2-3.6 CvA en PV-C). 6. In hoger beroep – in het kader van hun grief II (blz. 2 bij B, 3 bij D en 5/6 MvG) – hebben [appellanten] geconcretiseerd dat tot medio 1997 Silverlux S.a.r.l. eigenaar was van alle banden waar het in dit geding om gaat. Volgens [appellanten] hebben zij vervolgens de eigendom van die banden verkregen ‘door verrekening in rekening-courant met de vennootschap’. Ter onderbouwing hiervan hebben zij een schriftelijke verklaring d.d. 27 maart 2014 overgelegd van [K] , die als volgt luidt: ‘Ich (…) Steuerberater in den Jahren 1991 bis 1998 und damals im Besitz einer Vollmacht für (…) SILVERLUX MUSIC s.à.r.l, (…) erkläre hiermit dass die ganze Buchführung sowie das Inventar und der Warenbestand, sowie das Bankguthaben nach Luxemburger recht abgeslossen wurde (teilweise durch den Konkursverwalter Rechtanwalt Dominique Farys) am 31. März 1999 und abgeslossen Ende 2005. Wegen der Änderung der Urheberrechtsgesetzgebung (Mitte 1997) wurden die etwa mehr als 500 Tonbänder (Beatlesaufnahmen) verrechnet mit dem Kontokorrent der Gesellschafter (den Herren [appellant 2] und [appellant 1] ). Demzufolge gehörten alle Tonbänder (…) seit Mitte 1997 nicht mehr zum Inventar der Konkursmasse, sondern zum persönlichem Eigentum der Gesellschafter, den Herren [appellant 2] und [appellant 1] . (…)’. 7. In de punten 1.6 t/m 1.9 MvA heeft de Staat het in rov. 6 vermelde betoog van [appellanten] bestreden met twee argumenten, te weten: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.