GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling civiel recht Zaaknummer : 200.167.108/01 Zaak-/rolnummer rechtbank : C/09/480095/ KG ZA 14-1576 arrest van 29 maart 2016 inzake KOZ PRODUCTS B.V., gevestigd te Goes, hierna te noemen: KOZ, appellante, advocaat: mr. R.M. van Rompaey te Utrecht, tegen ADINCO B.V., gevestigd te Geldermalsen, geïntimeerde, hierna te noemen: Adinco, advocaat: mr. R.M. Stark te Tiel. Het geding Bij exploot van 19 maart 2015 is KOZ in hoger beroep gekomen van het door de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag tussen partijen gewezen vonnis van 20 februari 2015. KOZ heeft bij memorie van grieven vijf grieven tegen het vonnis aangevoerd. Adinco heeft bij memorie van antwoord de grieven bestreden Vervolgens hebben partijen op 14 januari 2016 hun standpunten doen bepleiten door hun voormelde advocaten. Door het hof zijn op voorhand de volgende producties ontvangen: namens KOZ producties 6 tot en met 8 op 23 december 2015 en een nadere kostenopgave op 13 januari; namens Adinco een kostenoverzicht op 6 januari 2016 Het door Adinco overgelegde kostenoverzicht is geweigerd, voor zover het betrekking heeft op kosten die meer dan twee weken voor het pleidooi zijn gemaakt, nu daartegen door KOZ bezwaar is gemaakt en deze, gelet op artikel 2.17 van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven, te laat is ontvangen. Ten slotte is arrest gevraagd. Beoordeling van het hoger beroep 1. De door de rechtbank in rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.6 van het vonnis als voorshands vaststaand aangemerkte feiten zijn niet bestreden. Deze feiten, alsmede hetgeen overigens enerzijds is gesteld en anderzijds is erkend of niet gemotiveerd is betwist in aanmerking nemende, gaat het hof voorshands uit van het volgende. 1.1. KOZ ontwikkelt, produceert en verhandelt kabelklemmen en kabelblokken voor het boven en/of naast elkaar monteren van spanningskabels en hydraulische buizen. 1.2. In 2005 heeft KOZ een kabelblok ontworpen dat zij sinds dat jaar onder de naam ‘KOZ Uni’ op de markt brengt. In 2006 is het ontwerp aangepast in die zin dat er niet één maar drie aanhechtingen zijn aangebracht op de overkappingen die uitsteken boven de uitsparingen voor de kabels aan de onderzijde van het kabelblok. In het aangepaste ontwerp ziet de KOZ Uni er als volgt uit. De KOZ Uni is beschikbaar in zowel de hierboven afgebeelde variant voor vier kabels, als een variant voor drie kabels. 1.3. KOZ is rechthebbende op onder meer de volgende Gemeenschapsmodellen (hierna: de Gemeenschapsmodellen): Het Gemeenschapsmodel 000426283-0001, ingeschreven op 8 november 2005 voor kabelblokken. Onder meer de volgende afbeeldingen maken deel uit van de inschrijving: Het Gemeenschapsmodel 000426283-0002, ingeschreven op 8 november 2005 voor kabelblokken. Onder meer de volgende afbeeldingen maken deel uit van de inschrijving: 1.4. Adinco is blijkens haar inschrijving in het handelsregister een groothandel in meet- en regelapparaten. Adinco heeft tot eind 2014 als wederverkoper kabelblokken van KOZ verhandeld, waaronder de KOZ Uni. Tijdens de distributierelatie is Adinco gestart met de ontwikkeling, productie en het sinds 2014 op de markt brengen van eigen kabelblokken onder haar merk Fox Clamps. Nadat KOZ daarmee eind 2014 bekend was geworden, is de distributierelatie geëindigd 1.5. Een van de Fox Clamps-kabelblokken die Adinco op de markt brengt, is het hierna afgebeelde kabelblok, aangeduid als de Fox Uni: De Fox Uni is beschikbaar in zowel de hierboven afgebeelde variant voor vier kabels, als een variant voor drie kabels. 2. KOZ vordert, voor zover nog relevant in hoger beroep, een verbod van inbreuk op haar Gemeenschapsmodellen (uit 2005) in alle lidstaten van de Europese Unie en op haar auteursrecht op de KOZ Uni in Nederland en een verbod op slaafs nabootsen van de KOZ Uni in Nederland, met nevenvorderingen. In hoger beroep beroept KOZ zich, anders dan in eerste aanleg, niet langer op door haar in 2006 ingeschreven Gemeenschapsmodellen. 3. Aan haar vorderingen legt KOZ ten grondslag dat Adinco door het verhandelen van de Fox Uni inbreuk maakt op haar Gemeenschapsmodellen en haar voormelde auteursrechten en dat Adinco zich schuldig maakt aan onrechtmatig aanhaken en slaafs nabootsen. 4. Adinco heeft het gevorderde bestreden. Zij heeft aangevoerd dat de Gemeenschaps-modellen geen eigen karakter hebben, dat de KOZ Uni niet in aanmerking komt voor auteursrechtelijke bescherming en dat de FOX Uni niet onder de beschermingsomvang van de Gemeenschapsmodellen en/of een eventueel auteursrecht op de KOZ Uni valt. Ook is er geen sprake van een slaafse nabootsing of anderszins onrechtmatig handelen, aldus Adinco. 5. De voorzieningenrechte heeft het gevorderde afgewezen. Hij heeft daartoe overwogen: dat er een serieuze kans bestaat dat de Gemeenschapsmodellen in een bodemprocedure bij de rechtbank of het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (OHIM) – hierna gezamenlijk aan te duiden als een bodemprocedure – nietig zullen worden verklaard vanwege het ontbreken van een eigen karakter; de KOZ-Uni niet kan worden aangemerkt als een auteursrechtelijk beschermd werk; het beroep op slaafse nabootsing niet kan slagen, omdat, voor zover de KOZ Uni een eigen plaats inneemt op de markt voor kabelklemmen, Adinco naar zijn voorlopig oordeel voldoende heeft gedaan om te voorkomen dat door gelijkheid tussen de KOZ Uni en de Fox Uni verwarring ontstaat. 6. Grief 1 richt zich tegen het onder 5.1 vermelde oordeel van de voorzieningenrechter dat er een serieuze kans bestaat dat de Gemeenschapsmodellen in een bodemprocedure nietig zullen worden verklaard. Grief 2 richt zich tegen het onder 5.2 vermelde oordeel dat de KOZ uni niet kan worden aangemerkt als een auteursrechtelijk beschermd werk. Grief 3 richt zich tegen het onder 5.3 vermelde oordeel dat het beroep op slaafse nabootsing niet kan slagen. Inbreuk op de Gemeenschapsmodellen? 7. Adinco heeft het gevorderde bestreden met, kort gezegd, een beroep op de nietigheidsexceptie, stellende dat de Gemeenschapsmodellen geen eigen karakter hebben. Zij baseert dit met name op het hierna weergegeven kabelblok dat, onder meer in Nederland (via Merwetechniek B.V.), op de markt wordt gebracht door de Duitse onderneming Formzeug Formen- und Werkzeuggesellschaft GmbH & Co KG – hierna: Formzeug –, stellende dat daarin een groot aantal elementen van de Gemeenschapsmodellen voorkomt, terwijl de overige elementen uitsluitend door een technische functie zijn bepaald. 8. Geen grief is gericht tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat voorshands voldoende aannemelijk is dat dit kabelblok al op de markt was op de datum van de inschrijving van de Gemeenschapsmodellen, zodat het hof daarvan uitgaat. 9. KOZ erkent in (punt 23 van) de memorie van grieven dat het kabelblok van Formzeug een aantal van de uiterlijke kenmerken vertoont die ook in de Gemeenschapsmodellen voorkomt, namelijk een minimalistische industriële stijl, de aanwezigheid aan de boven- en onderzijde van drie of vier uitsparingen om kabels in op te vangen en de uit egaal materiaal gemaakte rechthoekige vorm. KOZ stelt dat de Gemeenschapsmodellen niettemin een eigen karakter hebben omdat de twee meest kenmerkende uiterlijke kenmerken van de gemeenschapsmodellen niet aanwezig zijn in het kabelblok van Formzeug, namelijk de overkappingen boven de uitsparingen aan de onderzijde van het kabelblok en de aanhechting aan de bovenzijde van de overkappingen. Adinco heeft erkend dat deze twee elementen in het “Umfeld” van 2005 niet voorkwamen (punt 30 memorie van antwoord). 10. Modelbescherming geldt niet voor de uiterlijke kenmerken van een voortbrengsel die uitsluitend door een technische functie worden bepaald (artikel 8 lid 1 van Verordening (EG) 6/2002 betreffende Gemeenschapsmodellen, hierna: GModVo). Zulke elementen kunnen niet bijdragen aan het eigen karakter van een Gemeenschapsmodel. Van een technische functie kan gesproken worden als de vormgeving het betreffende voortbrengsel beter geschikt doet zijn voor zijn gebruiksfunctie. 11. Adinco heeft zich beroepen op toepassing van de zogenoemde apparaatsgerichte leer, welke leer volgens haar inhoudt dat elk uiterlijk kenmerk dat in hoofdzaak door een technische functie wordt bepaald van bescherming is uitgesloten, ook al zou dat technisch effect ook door een alternatieve vormgeving kunnen worden verkregen. Daarvan uitgaande zou een element ook uitsluitend door een technische functie bepaald zijn indien er vele alternatieven bestaan in de vormgeving van dezelfde technische oplossing (zoals bijvoorbeeld bij een oor van een kopje, vergelijk hierover C.J.J.C. van Nispen, J.L.R.A. Huydecoper en T. Cohen Jehoram, Industriële eigendom, deel 3, pagina 99 ev.). 12. Het hof, in het midden latend of de (al niet erg aansprekende) term apparaatsgerichte leer alleen ziet op andere technische oplossingen of ook op andere vormgevingen binnen dezelfde technische oplossing, deelt voormelde opvatting niet. Als wordt aangevoerd dat er alternatieven zijn, geldt naar het oordeel van het hof het volgende. Het hof is van oordeel dat een element van een model dat door een technische functie is bepaald in beginsel uitsluitend door een technische functie is bepaald, I. als er slechts één of een aantal alternatieve technische oplossingen is waarmee hetzelfde technische effect kan worden bereikt of II. als er slechts één of een beperkt aantal reële alternatieven is in de vormgeving van dezelfde technische oplossing; zo’n alternatief is niet reëel als het slechts zou inhouden: a. een toevoeging van een (technisch gezien) zinloos element (zoals een versiering of een verdikking) aan het technisch bepaalde element; b. een afwijking in de vormgeving van het technisch bepaalde element die zo futiel is dat zij ten opzichte van het model geen eigen karakter geeft (waardoor dit alternatief dus onder de beschermingsomvang van het model valt). Een ander oordeel zou er toe leiden dat er (vrijwel) nooit sprake zou zijn van een uitsluitend door een technische functie bepaald element daar zinloze en futiele toevoegingen (vrijwel) altijd mogelijk zijn. In dit verband merkt het hof op dat het modelrecht niet gebruikt mag worden om een bepaald technisch effect te laten monopoliseren door één of een beperkt aantal marktdeelnemers en daarmee anderen te beletten van technische verworvenheden gebruik te maken. 13. KOZ heeft erkend dat de overkapping (enigszins) bijdraagt aan de drukverdeling over de kabel (door de vergroting van het oppervlak dat contact maakt met de kabel) waardoor het in de kabel snijden van het blok wordt tegengegaan en dus dat sprake is van een element dat door een technische functie is bepaald. Zij betwist echter dat sprake is van een uitsluitend technisch bepaald kenmerk, stellende dat de overkapping in het Gemeenschapsmodel genoeg ruimte laat voor alternatieven waarmee, begrijpt het hof, dezelfde technische functie kan worden verwezenlijkt. Zij heeft in dit verband gesteld dat de overkapping net zo goed bovenop vlak had kunnen aflopen, dat zij een andere dikte, lengte of kleur zou kunnen hebben en anders dan glad aan de bovenzijde (geribbeld of met een structuur) zou kunnen zijn (de eerste alternatieven). Voorts heeft zij gesteld dat hetzelfde effect bereikt zou kunnen worden door het kabelblok aan de onderzijde/binnnenzijde (deels) dicht te maken op de plaats waar het blok op de kabel rust, hetgeen de facto neer komt op het aan de binnenzijde plaatsen/naar binnen schuiven van de overkappingen, zoals ook bij kabelblokken van derden het geval is en zoals het geval is op de als productie 5 bij de memorie van grieven overgelegde “computer-tekeningen” (het tweede alternatief). 14. Het tweede alternatief (het (deels) dichtmaken van de binnenzijde bij de kabeldoorgang) moet naar het voorlopig oordeel van het hof worden aangemerkt als een andere technische oplossing, waarmee hetzelfde technische effect kan worden bereikt, en kan, zoals blijkt uit het in rechtsoverweging 12, aanhef en onder I, overwogene, er niet aan af doen dat de overkappingen uitsluitend door een technisch effect zijn bepaald. 15. De door KOZ genoemde eerste alternatieven houden mogelijke alternatieve vormgevingen van dezelfde technische oplossing in (zie rechtsoverweging 12, onder II). Adinco heeft betwist dat dit reële alternatieven zijn. Niet gemotiveerd betwist is de stelling van Adinco dat de halfronde vorm van de overkappingen noodzakelijk is omdat zij de vorm van de kabel moeten volgen. Het hof acht dit, gelet op de functie van de overkappingen, ook aannemelijk. Dat de overkappingen ook een andere kleur hadden kunnen hebben maakt niet dat deze niet als uitsluitend technisch bepaald aangemerkt moeten worden. Nu (vrijwel) alle kabelklemmen in zwart zijn uitgevoerd, kan de zwarte kleur niet bijdragen aan een eigen karakter. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt naar het voorlopig oordeel van het hof niet in te zien dat de genoemde alternatieven (zoals een verdikking of verlenging van de overkappingen of het aanbrengen van een zinloze “versiering” op de overkappingen of een kleur), nog daargelaten of al deze alternatieven technisch gezien wel even effectief zouden zijn, meer inhouden dan een toevoeging van een (technisch gezien) zinloos element aan de overkappingen, die bovendien extra kosten zouden meebrengen, dan wel een futiele afwijking in de vormgeving die ten aanzien van het model geen eigen karakter geeft. Er is dan ook in zoverre geen sprake van reële alternatieven. 16. Wat betreft de op elke overkapping aangebrachte aanhechting heeft Adinco gesteld dat de aanhechting bovenop de overkapping bestemd/nodig is om ondersteuning te bieden aan de overkapping om de druk op de overkapping zo goed mogelijk te weerstaan. Dit is door KOZ niet voldoende gemotiveerd betwist. Haar niet onderbouwde stelling dat deze aanhechtingen geen enkel technisch doel dienen omdat er geen extra druk op de overkapping komt te staan als het kabelblok is gemonteerd, is daartoe onvoldoende, al omdat daarmee niet betwist is dat er druk op de overkapping staat, welke druk bovendien wellicht groter is tijdens het aanbrengen van de kabels. Het hof is derhalve voorshands van oordeel dat de aanhechting op de overkapping door een technische functie bepaald is. KOZ heeft ook hier gesteld dat er een aantal alternatieven is, zodat de aanhechting niet uitsluitend door een technische functie wordt bepaald. De genoemde alternatieven komen er op neer dat de aanhechting(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.