GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer : 200.174.212/01 Zaak- en rolnummer rechtbank : 4015977 / VV EXPL 15-188 arrest van 19 april 2016 inzake [appellant], wonende te Rotterdam, appellant, hierna te noemen: [appellant], advocaat: mr. J. Hemelaar te Leiden, tegen Stichting Woonstad Rotterdam, gevestigd te Rotterdam, geïntimeerde, hierna te noemen: Woonstad, advocaat: mr. R. van der Hoeff te Rotterdam. Het geding 1. Voor het verloop van het geding tot aan het tussenarrest van 25 augustus 2015 verwijst het hof naar dat arrest. De in het arrest bevolen comparitie heeft plaatsgevonden op 28 oktober 2015. Van die comparitie is een proces-verbaal opgemaakt dat zich bij de stukken bevindt. Bij memorie van grieven met producties heeft [appellant] vervolgens zeven grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en toegelicht. Bij memorie van antwoord, tevens houdende vermeerdering van eis, heeft Woonstad op de grieven gereageerd en haar eis vermeerderd. De zaak is vervolgens voor beraad partijen verwezen naar de rol van 16 februari 2016, bij welke gelegenheid Woonstad arrest heeft gevraagd. De zaak is nogmaals naar de rol verwezen voor beraad partijen, en wel die van 1 maart 2016. [appellant] heeft ook bij die gelegenheid geen instructie gegeven, waarop arrest is bepaald. Beoordeling van het hoger beroep 2. Het hof gaat uit van de volgende feiten: [appellant] huurt sinds 8 oktober 2012 van Woonstad de woning aan [adres] (hierna: “de woning”). De woning bevindt zich op de bovenste woonlaag in een portiek van 8 woningen. Op de huurovereenkomst zijn de algemene voorwaarden (versie juni 2009) van toepassing verklaard. Artikel 6.3 van de algemene voorwaarden luidt als volgt: “Het is huurder niet toegestaan overlast aan omwonenden en/of andere huurders te veroorzaken en/of te doen veroorzaken door huisgenoten, huisdieren of door derden die zich vanwege huurder in het gehuurde of de gemeenschappelijke ruimten bevinden. Huurder dient de woning dusdanig te stofferen dat hij geen geluidsoverlast veroorzaakt.” Bij brief van 19 december 2012 heeft Woonstad aan [appellant] medegedeeld dat zij “de afgelopen weken” meldingen van omwonenden heeft gehad over geluidsoverlast afkomstig van zijn woning. Woonstad heeft [appellant] verzocht rekening te houden met omwonenden en de overlast direct te staken. Bij e-mail van 25 januari 2013 heeft mevrouw [wijkagent], wijkagent, het volgende aan mevrouw [woonconsulente], woonconsulente van Woonstad, medegedeeld: “(…) Er woont een stel aan [adres] volgens mij staat alleen zij er ingeschreven. Dit is ene [partner]. Zij hebben heel vaak ruzie en met name ’s nachts. De buren zijn het behoorlijk zat. Ik denk ook wel dat er terecht geklaagd wordt Kunnen wij samen een keer langs gaan om de krijgsregels uit te leggen? (…)” Vanaf augustus 2014 heeft Woonstad diverse klachten ontvangen van verschillende bewoners van het portiek over [appellant] en [partner]. De klachten zien op geluidsoverlast als gevolg van nachtelijke ruzies waarbij wordt gescholden, geschreeuwd, gebonkt en met spullen wordt gegooid, alsmede bedreiging van de buren. Op 22 december 2014 heeft de heer [A] (hierna: “[A]”), bewoner van [adres], bij de politie aangifte gedaan van mishandeling, bedreiging en vernieling door [appellant] en [partner] in de nacht van vrijdag op zaterdag 19 en 20 december 2014. Vanaf 2012 is de politie verscheidene keren ingeschakeld bij incidenten met betrekking tot [appellant] en [partner]. Op 17 januari 2015 heeft mevrouw [waarnemend wijkagent] (hierna: “[waarnemend wijkagent]”), brigadier en waarnemend wijkagent, in een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal weergave gedaan van de betrokkenheid van de politie bij klachten over [appellant]. Daarbij heeft [waarnemend wijkagent] verklaard dat het haar bekend is dat [appellant] en [partner] regelmatig ruzie met elkaar maken en dat zij hierbij overlast veroorzaken voor omwonenden. In een (aanvullend) proces-verbaal van 25 maart 2015 heeft [waarnemend wijkagent] onder meer melding gemaakt van incidenten op 7 maart 2015 en 14 maart 2015. Door [woonconsulente] en de advocaat van Woonstad is een verklaring ondertekend van een bij hen bekende bewoner van de [locatie], die anoniem wil blijven, van 3 februari 2015. In die verklaring is onder meer opgenomen dat deze bewoner geluidsoverlast van [appellant] ondervindt sinds hij aan de [locatie] is komen wonen. In een schriftelijke verklaring van [A] van 11 februari 2015 is opgenomen dat [A] overlast van [appellant] ondervindt sinds hij aan de [locatie] woont. In een door de advocaat van Woonstad ondertekende verklaring van [B] van 26 februari 2015 is onder meer opgenomen dat hij “bizar veel overlast” heeft ondervonden van [appellant]. In een schriftelijke verklaring van [C 1] van 1 mei 2015 is onder meer opgenomen dat [A] tegen Medina vanaf het begin heeft gezegd dat hij zijn bovenbuurman niet mag en dat hij “schiet de man”. In een ongedateerde schriftelijke verklaring van [D] is opgenomen dat hij geen overlast van [appellant] heeft ondervonden. Datzelfde is neergelegd in een schriftelijke verklaring van [E] van 19 juli 2015. In mei 2015 heeft [appellant] de woning verlaten. 3. Woonstad heeft in eerste aanleg in kort geding de ontruiming van de woning gevorderd, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding. De kantonrechter heeft die vordering in het bestreden vonnis toegewezen. 4. Woonstad heeft haar vordering in hoger beroep vermeerderd met een bedrag van € 1.793,17, te vermeerderen met wettelijke rente, welk bedrag betrekking heeft op kosten verband houdende met de ontruiming van de woning. 5. [appellant] vordert de vernietiging van het bestreden vonnis en afwijzing van de vorderingen van Woonstad. Grief 1 houdt in dat de kantonrechter ten onrechte een aantal stellingen van Woonstad als vaststaand heeft aangenomen, hoewel zij door [appellant] werden betwist en Woonstad er geen bewijs voor heeft aangeboden. Met grief 2 komt [appellant] op tegen het oordeel van de kantonrechter dat niet onbegrijpelijk is dat omwonenden zich door het gedrag van [appellant] en zijn vriendin bedreigd voelden. Grief 3 is gericht tegen het oordeel dat [appellant] zijn stelling dat hij zelf door [A] wordt bedreigd, niet heeft onderbouwd en dat verder in het midden kan blijven of [appellant] zelf overlast van omwonenden ondervindt. Grief 4 bestrijdt het oordeel van de kantonrechter dat de door [appellant] veroorzaakte overlast ernstig is en dat hij daarmee structureel tekort schiet in zijn verplichtingen, terwijl grief 5 is gericht tegen de conclusie dat de vrees is gerechtvaardigd dat de overlast blijft voortduren. Met grief 6 voert [appellant] aan dat de uitzonderingsgrond van artikel 6:265, lid 1 BW moet worden meegewogen. Grief 7 is gericht tegen de veroordeling als zodanig. 6. De grieven zullen gezamenlijk worden behandeld. Daarbij neemt het hof tot uitgangspunt dat de woning inmiddels is ontruimd. Daarmee is een feitelijk onomkeerbare situatie ontstaan. Aangezien [appellant] in eerste aanleg is veroordeeld in de kosten van het geding, is zijn belang bij het hoger beroep in ieder geval daarin gelegen. Dat brengt mee dat het hof heeft te beoordelen of de kantonrechter op goede gronden tot de uitgesproken veroordeling is gekomen. 7. Daarbij heeft te gelden dat in een kort geding als het onderhavige moet worden beoordeeld of de kans dat de bodemrechter tot een veroordeling tot ontruiming zal komen, zodanig groot is dat het verantwoord is daarop in kort geding vooruit te lopen. 8. Uitgangspunt bij die beoordeling is dat [appellant], naar hij ook niet betwist, gehouden is zich als een goed huurder te gedragen en overlast aan omwonenden te voorkomen. Wanneer hij (ernstig) tekort schiet in de nakoming van die verplichting, is het aannemelijk dat de bodemrechter tot (ontbinding van de huurovereenkomst
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.