← Nederland

ECLI:NL:GHDHA:2016:981

GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer : 200.177.106/01 Zaak-en rolnummer rechtbank : 2277926 / 13-5041 Arrest van 29 maart 2016 inzake [appellant] , wonende te [geïntimeerde] , appellant, hierna te noemen: [appellant] , advocaat: mr. P.J.W. de Water te Katwijk, tegen [geïntimeerde] , wonende te [woonplaats] , geïntimeerde, hierna te noemen: [geïntimeerde] , advocaat: mr. V.L.T. van Roy te Leiden. Het geding Voor het procesverloop tot aan 20 oktober 2015 verwijst het hof naar zijn tussenarrest van die datum. Bij dat tussenarrest werd een comparitie van partijen gelast. Van deze comparitie, die op 22 januari 2016 werd gehouden, is proces-verbaal opgemaakt. Ter comparitie is de mogelijkheid van de Second Opinion-procedure besproken. Na een aanhouding van twee weken voor beraad daarover hebben de behandelend advocaten een ingevuld en ondertekend SO-formulier als bedoeld in het Second Opinion Reglement (SOR) toegezonden. Voornoemd verzoek is toegestaan, waarna arrest is bepaald. Beoordeling van het hoger beroep volgens de Second Opinion-procedure

  1. Met de namens hen verrichte invulling en ondertekening van de SO-formulieren hebben partijen ingestemd met het SOR en worden zij geacht de conclusies als bedoeld in artikel 347 lid 1 Rv te hebben genomen (zie ook de artikelen 3.3 en 3.4 SOR). De enige grief van [appellant] bestaat eruit dat de rechtbank Den Haag (team kanton Leiden/Gouda, locatie Leiden) in het tussenvonnis van 26 februari 2014 en het vonnis van 10 juni 2015 (hierna: de bestreden vonnissen) niet heeft beslist overeenkomstig hij in eerste aanleg had gevorderd.
  2. Het hof - dat kennis heeft genomen van de door [appellant] ten behoeve van de comparitie overgelegde stukken in eerste aanleg, en het nagezonden tussenvonnis van 26 februari 2014 - neemt de overwegingen van de kantonrechter over en maakt deze tot de zijne. Derhalve zullen de bestreden vonnissen worden bekrachtigd. Dit behoeft, gezien artikel 4.2 SOR, geen nadere motivering.
  3. Als de in hoger beroep in het ongelijk gestelde partij zal [appellant] worden veroordeeld in de daarop gevallen kosten, die ingevolge artikel 4.4 SOR beperkt zijn tot het door [geïntimeerde] betaalde griffierecht van € 311,- en, nu een comparitie heeft plaatsgevonden, één punt volgens het toepasselijke liquidatietarief, € 894,-. Beslissing Het hof: - bekrachtigt de bestreden vonnissen; - veroordeelt [appellant] in de kosten van de procedure in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 311,- aan griffierecht en € 894,- voor salaris advocaat; - verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dit arrest is gewezen door mrs. M.A.F. Tan-de Sonnaville, E.J. van Sandick en M.E. Honée en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 maart 2016 in aanwezigheid van de griffier.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.