GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer : 200.201.947/01 Rolnummer rechtbank : 5299605/16-22300 arrest in kort geding van 7 februari 2017 in de zaak van [naam], wonende te [woonplaats], appellant in de hoofdzaak, eiser in het incident, hierna te noemen: [appellant], advocaat: mr. D. Matadien te Rotterdam, tegen Stichting VESTIA, gevestigd te Rotterdam, geïntimeerde in de hoofdzaak,gedaagde in het incident, hierna te noemen: Vestia, advocaat: mr. M.A. van Kleef te Den Haag. Het geding Bij exploot van 14 oktober 2016 is [appellant] in hoger beroep gekomen van het vonnis in kort geding van 6 oktober 2016, door de kantonrechter van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Den Haag gewezen tussen partijen. [appellant] heeft in het exploot twee grieven aangevoerd en een incidentele vordering ex artikel 351 Rv ingesteld. Op de rolzitting van 8 november 2016 heeft Vestia een memorie van antwoord in het incident genomen. Bij tussenarrest van 15 november 2016 is een comparitie van partijen gelast. De comparitie heeft plaatsgevonden op 21 december 2016. Hiervan is proces-verbaal opgemaakt. Afgesproken is toen dat de memorie van antwoord in het incident tevens als memorie van antwoord in de hoofdzaak kan gelden. Vervolgens is ter zitting op verzoek van partijen zowel in de hoofdzaak als in het incident arrest bepaald. Beoordeling van het hoger beroep De feiten waarvan de kantonrechter in rechtsoverweging 1 (1.1 tot en met 1.10) is uitgegaan worden niet bestreden, zodat het hof hier ook vanuit gaat. De nuanceringen die [appellant] hieraan in zijn memorie van grieven geeft, zullen hierna, voor zover van belang, worden besproken. Kort gezegd gaat het geschil in deze kort geding procedure om het volgende.(2.1) [appellant] huurt sinds 6 oktober 2011 van Vestia woonruimte in het flatgebouw ‘het Strijkijzer’ aan het [adres] in [plaats] (hierna ook: het gehuurde). Vestia heeft [appellant] vanaf 27 juli 2012 diverse malen (schriftelijk en mondeling) aangesproken op zijn gedrag jegens medewerkers en omwonenden. Hierbij gaat het met name om schelden, discrimineren, geluidsoverlast, vernielingen en bedreigingen. Uiteindelijk heeft Vestia, in verband met bedreiging van eigen medewerkers, aan [appellant] een pand- en contactverbod opgelegd betreffende twee van haar kantoren (waarvan een in het flatgebouw). Voorts heeft Vestia toen aangekondigd de huurovereenkomst te willen beëindigen. Op 28 juli 2016 heeft een medewerker van Vestia aangifte gedaan bij de politie wegens bedreiging, een en ander met een inhoud zoals weergegeven in het bestreden vonnis in rechtsoverweging 1.7. (2.2) Op vordering van Vestia heeft de kantonrechter bij het thans bestreden, uitvoerbaar bij voorraad verklaarde, vonnis [appellant] veroordeeld tot ontruiming van het gehuurde. Het gehuurde is inmiddels ontruimd. [appellant] heeft hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis en daarbij een vordering ex artikel 351 Rv (tot schorsing van de tenuitvoerlegging ervan) ingesteld. Vestia heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Zoals uit het hierna volgende blijkt, zal het hof het vonnis bekrachtigen. Dit betekent dat het hof niet meer toekomt aan een beslissing in het incident, omdat het belang daaraan met dit arrest in de hoofdzaak is komen te ontvallen.Het spoedeisend belang? [appellant] klaagt er in hoger beroep in de eerste plaats over dat de kantonrechter spoedeisend belang heeft aangenomen. Deze klacht wordt verworpen. Vestia heeft onder aanvoering van een aantal voorbeelden (met producties onderbouwd) naar voren gebracht dat het gedrag van [appellant] naar omwonenden en Vestia-medewerkers dusdanig was dat Vestia maatregelen moest nemen om hen te beschermen. Vestia heeft daarom per 1 augustus 2016 een beveiligingsbedrijf ingeschakeld. Het kan volgens Vestia onder deze omstandigheden niet meer van haar gevergd worden om de huurovereenkomst met [appellant] voort te zetten. Hiermee is naar het oordeel van het hof het spoedeisend belang in eerste aanleg gegeven. Thans in hoger beroep bestaat het belang met name uit het proceskostenbelang.Ontruiming gerechtvaardigd? De kantonrechter heeft als maatstaf gehanteerd dat het in hoge mate waarschijnlijk moet zijn dat de bodemrechter ontbinding van de huurovereenkomst zal uitspreken, zodat het verantwoord is daarop bij wijze van ordemaatregel vooruit te lopen. Volgens de kantonrechter is dit het geval, gelet op de waarnemingen van Vestia, genoemd onder de feiten, de klachten van omwonenden en aangiftes bij de politie. De kantonrechter overweegt in dit verband verder: “Dat gedaagde [hof: [appellant]] zelf klachten heeft over omwonenden en eiseres [hof: Vestia] maakt niet dat hij zich kan gedragen als onder de feiten vermeld. In feite erkent hij dat hij zich niet correct uitlaat. Frustratie en boosheid, zo al daarvan sprake is, wettigen niet voormeld gedrag. Ook afweging van de betrokken belangen (gedaagde heeft een woonbelang) leidt niet tot een ander oordeel. Doorslaggevend is dat eiseres dient te zorgen voor een veilige werkomgeving voor haar medewerkers en bovendien overlast jegens andere huurders dient aan te pakken.”. Het hof deelt voormeld oordeel van de kantonrechter en neemt dit over. Hetgeen [appellant] hierover in hoger beroep heeft gesteld, maakt dit niet anders, zoals hierna zal worden toegelicht. (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.