GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Uitspraak : 11 januari 2017 Zaaknummer : 200.201.781/02 Rekestnummer rechtbank : FA RK 16-1569 en FA RK 16-3628 Zaaknummer rechtbank : C/10/496004 en C/10/500805 [appellant] , wonende te [woonplaats] , verzoeker in hoger beroep, hierna te noemen: de man, advocaat mr. S. Kara te Rotterdam, tegen [geïntimeerde] , wonende te [woonplaats] , verweerster in hoger beroep, hierna te noemen: de vrouw, advocaat mr. M. Soytekin te Rotterdam. PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP De man is op 20 oktober 2016 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 22 juli 2016 van de rechtbank Rotterdam. Dit hoger beroep is bij het hof ingeschreven onder zaaknummer 200.201.781/01. Bij dat beroep heeft de man tevens een verzoek tot schorsing van de werking van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de beschikking ingediend. Dit schorsingsverzoek is bij het hof ingeschreven onder zaaknummer: 200.201.781/02. De vrouw heeft op 22 november 2016 een verweerschrift in deze schorsingszaak ingediend. Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen: van de zijde van de man op 10 november 2016 een brief met bijlagen en op 7 november 2016 een brief met bijlagen; van de zijde van de man is op 6 december 2016 een V-formulier van diezelfde datum ingekomen met het bericht dat de zaak op stukken kan worden afgedaan. van de zijde van de vrouw is op 5 december 2016 een faxbericht van diezelfde datum ingekomen met het bericht dat de vrouw akkoord gaat met afdoening van de zaak op de stukken. PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking. Bij die beschikking heeft de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en heeft de rechtbank voorts, onder meer en uitvoerbaar bij voorraad: - bepaald dat de man aan de vrouw met ingang van het tijdstip waarop de echtscheidingsbeschikking is of zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen: o [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ; o [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ; o [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , en o [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (hierna gezamenlijk te noemen: de minderjarigen), telkens bij vooruitbetaling, zal uitkeren € 150,- per maand per kind; ten laste van de man aan de vrouw een uitkering tot levensonderhoud toegekend van € 600,- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen voor het eerst op de dag dat de echtscheidingsbeschikking is of zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand; de wijze van verdeling gelast. Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. BEOORDELING VAN HET VERZOEK TOT SCHORSING VAN DE WERKING VAN DE BESTREDEN BESCHIKKING 1.In geschil is thans het verzoek tot het schorsen van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de bestreden beschikking. 2. De man verzoekt te bepalen dat het verzoek van de man tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beschikking wordt toegewezen. Het hof begrijpt uit het verzoek dat dit uitsluitend ziet op de door de rechtbank bepaalde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding en de uitkering tot levensonderhoud. 3. De vrouw bestrijdt het beroep en verzoekt de man in zijn verzoek tot schorsing van de uitvoerbaar bij voorraadverklaring van de bestreden beschikking niet-ontvankelijk te verklaren, althans het verzoek van de man af te wijzen en de man te veroordelen in de kosten van dit geding. 4. De man voert ten aanzien van dit verzoek aan dat hij aantoonbaar geen financiële draagkracht heeft om enige bijdrage te leveren. Hij verwacht dat de echtscheiding eind oktober 2016 zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Hij komt door een betaling van de bijdragen aantoonbaar in de problemen. De man betwist de behoefte van de vrouw aan een uitkering tot levensonderhoud. Hij meent daarom dat zijn belang bij het niet hoeven voldoen van de opgelegde onderhoudsbijdragen zwaarder weegt dan het belang van de vrouw bij het ontvangen daarvan. 5. De vrouw voert gemotiveerd verweer. Zij stelt de echtscheidingsbeschikking op 9 november 2016 te hebben aangeboden ter inschrijving in de registers van de burgerlijke stand, maar op het moment van indiening van het verweerschrift had zij nog geen bericht ontvangen van de inschrijving. De vrouw bestrijdt dat de man in een noodtoestand verkeert of dreigt te geraken indien de beschikking ten uitvoer wordt gelegd. In eerste aanleg heeft de man geen financiële gegevens overgelegd; de in hoger beroep door de man overgelegde en verouderde stukken roepen de nodige vragen op. 6. Het hof stelt voorop dat een partij die een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking heeft verkregen in beginsel bevoegd is deze te executeren, ook indien tegen de beschikking hoger beroep is ingesteld. Bij de beoordeling van de vraag of, in afwijking van voornoemd uitgangspunt, de tenuitvoerlegging van een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking moet worden geschorst, worden de navolgende maatstaven aangelegd (vgl. Hoge Raad 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:688 en 30 mei 2008, nr. 07/12668, ECLI:NL:HR:2008:BC5012): (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.