Rolnummer: 22-000607-16 Parketnummer: 10-184510-15 Datum uitspraak: 5 januari 2017 TEGENSPRAAK Gerechtshof Den Haag meervoudige kamer voor strafzaken Arrest gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Rotterdam van 26 januari 2016 in de strafzaak tegen de verdachte: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 2002, [adres]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 16 juni 2016 en 22 december 2016. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. Procesgang In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het ten laste gelegde veroordeeld tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van 20 uren, subsidiair 10 dagen jeugddetentie, voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is een beslissing genomen omtrent de vordering van de benadeelde partij als nader omschreven in het vonnis waarvan beroep. Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 23 april 2015 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard [benadeelde partij] heeft mishandeld door deze -(met kracht) in/tegen het gezicht te stompen en/of slaan en/of duwen en/of -op/tegen het lichaam te schoppen. Vordering van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd. Het vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt. Vrijspraak Op grond van de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep kan worden vastgesteld dat er op 23 april 2015 te Spijkenisse een incident heeft plaatsgevonden tussen de aangeefster en de verdachte, als gevolg waarvan bij aangeefster pijn en letsel aan haar gebit is ontstaan. Naar het oordeel van het hof kan echter niet worden vastgesteld op welke wijze dat letsel bij aangeefster is ontstaan. Het hof overweegt daartoe als volgt. Blijkens het proces-verbaal van aangifte heeft aangeefster daarover verklaard dat zij op haar rechterschouder werd geklopt, waarop zij zich omdraaide en waarna de verdachte haar een harde vuistslag in het gezicht gaf. Naar het oordeel van het hof is deze verklaring van aangeefster echter in een ander daglicht komen te staan als gevolg van de nadere verklaringen die door de aangeefster en door de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] bij de raadsheer-commissaris zijn afgelegd. Op grond van die verklaringen bij de raadsheer-commissaris gaat het hof er dan ook vanuit dat het in de aangifte geschetste scenario niet de werkelijke toedracht is geweest. Ten aanzien van de toedracht kan naar het oordeel van het hof dan ook niet worden uitgegaan van de verklaring van aangeefster bij de politie. Daarmee is een element dat voor de beoordeling van de aan de verdachte verweten gedraging(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.