GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer: 200.125.526/02 Zaak-/rolnummer rechtbank: 1076363/CV RXPL 10-3017 arrest van 16 mei 2017 inzake Marcan Vastgoed B.V., gevestigd te Rotterdam, appellante in het principaal appel, geïntimeerde in het incidenteel appel, hierna te noemen: Marcan, advocaat: mr. B.J. de Deugd te Nieuwerkerk ad IJssel, tegen WOM Vastgoed B.V., gevestigd te Rotterdam, geïntimeerde in het principaal appel, appellante in het incidenteel appel, hierna te noemen: WOM, advocaat: mr. M.P.H. van Wezel te Utrecht. Het verdere verloop van het geding Voor het verloop van het geding tot 7 juni 2016 verwijst het hof naar het tussenarrest van die datum. Bij dat arrest is Marcan in de gelegenheid gesteld een akte te nemen. Marcan heeft vervolgens een akte na tussenarrest met producties genomen. WOM heeft daarop gereageerd met een akte uitlating. Vervolgens hebben partijen de aanvullende stukken overgelegd en arrest gevraagd. De verdere beoordeling van het hoger beroep 1. Bij tussenarrest van 7 juni 2016 heeft het hof Marcan nogmaals in de gelegenheid gesteld om bij akte een berekening van de schade conform het tussenarrest van 22 december 2015 over te leggen. Marcan heeft vervolgens een berekening overgelegd die uit vier schadeposten bestaat. Schadepost 1 betreft het verschil tussen de daadwerkelijk ontvangen huur in de garantieperiode en het pro rato daaraan toe te kennen garantiebedrag (€ 108.939,19). Schadepost 2 ziet op derving van huurinkomsten ten opzichte van de pro rato garantie, bij gedwongen vroegtijdige beëindiging van de huur wegens wanprestatie van de huurder, tot de regelmatige einddatum van de huur of tot wederverhuur of tot 1 november 2015. Schadepost 3 heeft betrekking op de derving van huurinkomsten ten opzichte van de pro rato garantie wegens leegstand na vertrek van een huurder, tot wederverhuur, of tot 1 november 2015, doch steeds ten hoogste voor 12 maanden, waarbij de leegstandsperiode in post 2 in mindering strekt. Schadepost 4 betreft de door Marcan bestede, niet verhaalbare kosten ter zake incasso-, proces- en executiekosten. 2. Partijen zijn het er over eens dat de huurgarantie ziet op een bedrag voor het gehele complex zodat dit bedrag moet worden vertaald naar een deelgarantie per winkelruimte. Partijen zijn echter verdeeld over de vraag, nu de overeenkomst met garantiebepaling daarover geen uitsluitstel geeft, welke verdeelsleutel daarbij moet worden gehanteerd. Marcan heeft betoogd dat moet worden aangesloten bij een verdeling pro rato naar verhouding van de huurprijzen per 1 november 2005, terwijl WOM daarbij de huurprijzen per 1 november 2010 tot uitgangspunt neemt. 3. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft Marcan erop gewezen dat zij op 1 november 2005 de eigendom heeft verworven. Voorts heeft zij gesteld dat de onderlinge verhouding van de huurprijzen van 1 november 2010 scheef is komen te liggen doordat WOM in het zicht van het einde van de huur een aantal overeenkomsten heeft gesloten waarbij de huurprijs ruimschoots boven de marktwaarde is gesteld, maar de huurder in ruil daarvoor een ongebruikelijk lange huurprijsvrije periode verkreeg en/of een verbouwing op kosten van WOM. Indien sprake is van een aantal huurprijzen binnen het geheel, dat evident niet marktconform is, zal dit tot gevolg hebben dat de toedeling van de garantie aan de panden (pro rata) ook een scheef beeld geeft, aldus Marcan. WOM heeft betwist dat zij overeenkomsten is aangegaan met prijzen die ruimschoots boven de marktwaarde lagen. WOM heeft daarbij aangevoerd dat Marcan haar stelling dat sprake is van kunstmatig hoge huurprijzen niet heeft onderbouwd en daarvan ook geen bewijs heeft aangeboden. 4. Naar het oordeel van het hof heeft Marcan haar stelling dat bij de te hanteren verdeelsleutel de huurprijzen op 1 november 2005 in plaats van 1 november 2010 tot uitgangspunt moeten dienen onvoldoende onderbouwd mede in het licht van het feit dat de huurgarantie zelf ook ziet op de datum van 1 november 2010. Voor de berekening van de deelgarantie per winkelruimte dient derhalve te worden uitgegaan van de huurprijzen op 1 november 2010. WOM heeft in productie 52 bij haar akte van 22 maart 2016 de percentages uitgaande van die huurprijzen genoemd. Marcan heeft de juistheid van die percentages niet betwist zodat het hof van die percentages uitgaat. 5. Marcan is bij de berekening van haar schade uitgegaan van de daadwerkelijk ontvangen huur en heeft aan de hand van de gegarandeerde huuropbrengst berekend hoeveel huur zij ten opzichte van die garantie te weinig heeft ontvangen. Volgens WOM moet echter niet van de daadwerkelijk ontvangen huur worden uitgegaan, maar van de contractueel bedongen huur. Naar het oordeel van het hof moet worden uitgegaan van de daadwerkelijk ontvangen huur aangezien de garantie blijkens de tekst ziet op de “werkelijke huur”. Nu WOM de door Marcan in haar productie 101 bij haar akte van 19 juli 2016 genoemde bedragen aan daadwerkelijk ontvangen huur en de berekening van de gegarandeerde huur behoudens de daarbij gehanteerde percentages niet heeft betwist, kan het hof eenvoudig aan de hand van de door WOM genoemde percentages zelf de schade berekenen. Deze bedraagt volgens de hierna volgende tabel € 76.846,15. % volgens Marcan % volgens WOM garandeerde huur volgens Marcan garandeerde huur volgens % WOM ontvangen huur volgens Marcan te weinig ontvangen Kalmoesstraat 4 6,58 6,41 40.064,23 39.029,14 30.100,14 8.929,00 Lavasweg 11 6,39 6,46 17.363,51 17.553,72 8.857,55 8.696,17 Lavasweg 13-17 15,60 14,70 77.228,35 72.772,87 32.311,99 40.460,88 Lavasweg 21-25 15,65 13,67 177.990,53 155.471,60 153.029,92 2.441,68 Lavasweg 87-89 10,64 10,41 121.010,81 118.394,97 116.117,56 2.277,41 Lavasweg 91 4,70 4,63 11.902,25 11.724,98 8.924,24 2.800,74 Lavasweg 93 5,65 5,54 64.258,56 63.007,51 57.952,93 5.054,58 Lavasweg 95-101 18,75 18,69 71.750,70 71.521,10 65.335,41 6.185,69 Schade 76.846,15 6. Ten aanzien van de overige door Marcan genoemde schadeposten 2 tot en met 4 geldt het volgende. Marcan stelt dat de garantie ziet op de gegoedheid van de individuele huurders welke Marcan per 1 november 2010 heeft overgenomen, zodat bij een vroegtijdige beëindiging van de huur voor de eerste contractuele mogelijkheid (door opzegging en/of tijdsverloop), op grond van wanbetaling, de garantie ook zo behoort te worden toegepast dat de leegstandsperiode die veroorzaakt is door de wanprestatie van de huurder als schade onder de huurgarantie gebracht dient te worden, nu immers sprake is van een aan die huurder toe te rekenen tekortkoming waardoor minder opbrengsten zijn genoten. 7. Het hof heeft de huurgarantiebepaling zo uitgelegd dat WOM zich zou inspannen om op 1 november 2010 alle bedrijfsruimte (onder) te verhuren voor een bedrag van € 200.000,-. Hieruit volgt naar het oordeel van het hof dat huurovereenkomsten die voor 1 november 2015 afliepen, na afloop niet meer onder de huurgarantie kunnen worden gebracht omdat Marcan dan immers (weer) zelf invloed kan uitoefenen op de overeen te komen huurprijs. Dat Marcan slecht of alleen tegen veel te lage prijzen kon verhuren, doet aan het voorgaande niet af nu dit onder het ondernemersrisico van Marcan moet worden begrepen. Datzelfde geldt ook voor de gevallen waarin de huurovereenkomsten in de periode van 1 november 2010 tot 1 november 2015 zijn beëindigd omdat de huurders wanprestatie hebben gepleegd en Marcan kosten heeft moeten maken om tot ontruiming te komen. Ook deze gevallen kunnen niet worden geacht onder de (door het hof gehanteerde uitleg van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.