GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer : 200.207.256/01 Zaaknummer rechtbank : C/09/495320 arrest van 4 juli 2017 in het incident ex artikel 351 Rv inzake 1Normanco Holding B.V., 2. [appellant 2] , gevestigd respectievelijk wonende te Den Haag, appellanten in de hoofdzaak, eisers in het incident, hierna te noemen: Normanco respectievelijk [appellant 2] en gezamenlijk: Normanco c.s., advocaat: mr. R.A.W.J. van Eijck te Rotterdam, tegen [geïntimeerde] , wonende te Rhoon, geïntimeerde in de hoofdzaak, geïntimeerde in het incident, hierna te noemen: [geïntimeerde] , advocaat: mr. G.M.P. Roos te Den Haag. 1Het verloop van het geding 1.1 Bij exploot van 15 december 2016 is Normanco c.s. in hoger beroep gekomen van de vonnissen van de rechtbank Den Haag van 27 november 2015, 30 maart 2016, 26 oktober 2016 en 7 december 2016. 1.2 Bij memorie van grieven tevens houdende incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging met producties heeft Normanco c.s. 11 grieven tegen de bestreden vonnissen aangevoerd en toegelicht en op de voet van artikel 351 Rv een incidentele vordering ingesteld tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden eindvonnis van 7 december 2016 onder veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het incident. 1.3 Bij conclusie van antwoord in het incident met producties heeft [geïntimeerde] geconcludeerd tot afwijzing van de incidentele vordering met hoofdelijke veroordeling van Normanco c.s. in de kosten van het incident. 1.4 Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd en arrest in het incident gevraagd. 2Beoordeling in het incident 2.1 Deze zaak betreft het volgende. [appellant 2] en [geïntimeerde] zijn broer en zus. Hun vader, [vader appellant 2] , is overleden op 27 maart 2013. [vader appellant 2] was op enig moment voornemens zijn bedrijf, Interfisc Holding B.V. (verder: Interfisc), over te dragen aan [appellant 2] . Daartoe zijn op 17 januari 2012 certificaten van alle geplaatste gewone aandelen in Interfisc overgedragen aan de speciaal daarvoor opgerichte vennootschap Normanco, destijds nog geheten Maralt Holding B.V., waarin [appellant 2] alle aandelen heeft en waarvan hij enig bestuurder is. Daarnaast verkreeg Normanco op dezelfde datum een optierecht om de certificaten van de overige, cumulatief preferente aandelen in Interfisc te kopen voor een bepaalde prijs (verder: de call optie). Tevens ging [appellant 2] een bestuursfunctie binnen de STAK van Interfisc en stichting Calm bekleden. In de loop van 2012 zijn er tussen [vader appellant 2] en [appellant 2] verschillen van inzicht ontstaan over de wijze waarop Interfisc bestuurd moest worden. Vader en zoon hebben toen onderhandeld over teruglevering van de certificaten van de gewone aandelen en afkoop van de call optie. Daarover hebben zij geen overeenstemming bereikt. [vader appellant 2] heeft in zijn testament zijn echtgenote [echtgenote vader] (verder: [echtgenote vader] ), tevens de stiefmoeder van [appellant 2] en [geïntimeerde] , tot zijn enig erfgename benoemd. Na het overlijden van [vader appellant 2] is tussen [appellant 2] , Normanco en [geïntimeerde] , allen bijgestaan door dezelfde advocaat, enerzijds en [echtgenote vader] anderzijds onderhandeld over een totaaloplossing voor een aantal tussen hen gerezen geschillen. Die onderhandelingen hebben geresulteerd in een vaststellingsovereenkomst van 17 maart 2014 tussen deze vier partijen. Op grond van die vaststellingsovereenkomst diende [echtgenote vader] tegen teruglevering van de certificaten van de gewone aandelen Interfisc en ter afkoop van de call optie mee te werken aan levering aan Normanco van een onroerende zaak, gelegen aan de [adres] (verder te noemen: [adres] ), welke onroerende zaak in eigendom toebehoorde aan één van de vennootschappen binnen het concern van Interfisc. Alle aanhangige procedures (waaronder procedures bij de Ondernemingskamer) moesten op grond van de vaststellingsovereenkomst worden beëindigd. [appellant 2] en [geïntimeerde] , die op enig moment ook bestuurslid van een STAK van Interfisc was geworden, dienden af te treden als bestuursleden van de STAK en /of stichting Calm. Daarnaast diende [echtgenote vader] een bedrag van € 248.000,- aan [appellant 2] , Normanco en [geïntimeerde] gezamenlijk te betalen ter afkoop van al hun overige vorderingen. [appellant 2] en [geïntimeerde] zagen af van alle eventuele claims die zij meenden te hebben op (delen van) de nalatenschap van [vader appellant 2] . Na het sluiten van de vaststellingsovereenkomst is tussen [appellant 2] /Normanco enerzijds en [geïntimeerde] anderzijds een geschil ontstaan over de vraag of en zo ja, hoe, de “opbrengst” van de vaststellingsovereenkomst tussen hen diende te worden verdeeld. 2.2 [geïntimeerde] heeft Normanco c.s. in dit geding betrokken en gevorderd dat Normanco c.s. hoofdelijk wordt veroordeeld tot betaling van € 1.700.000,- althans een in goede justitie te betalen bedrag in hoofdsom, te vermeerderen met rente en kosten. [geïntimeerde] legt daaraan primair ten grondslag dat zij met [appellant 2] en Normanco is overeengekomen, althans dat zij daarop mocht vertrouwen, dat zij recht heeft op de helft van hetgeen [echtgenote vader] op grond van de vaststellingsovereenkomst heeft overgedragen en betaald. Deze overeenstemming c.q. de gerechtvaardigdheid van dat vertrouwen blijkt volgens [geïntimeerde] uit de emailcorrespondentie tussen haarzelf, [appellant 2] en hun gezamenlijke advocaat mr. Meijer voorafgaand aan het sluiten van de vaststellingsovereenkomst, deels in reactie op de voorstellen die van de zijde van [echtgenote vader] en haar adviseurs werden geformuleerd. Subsidiair baseert [geïntimeerde] haar vorderingen op een onrechtmatige daad van [appellant 2] en Normanco, erin bestaande dat zij niet meewerken aan het tot stand brengen en effectueren van een onderlinge verdeling bij helfte. 2.3 De rechtbank heeft bij het tussenvonnis van 30 maart 2016 geoordeeld dat tussen [geïntimeerde] en [appellant 2] een overeenkomst tot stand is gekomen op basis waarvan [geïntimeerde] recht heeft op de helft van hetgeen op basis van de vaststellingsovereenkomst aan Normanco is overgedragen. Bij het eindvonnis van 7 december 2016 heeft de rechtbank [appellant 2] en Normanco onder meer hoofdelijk veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde] van € 1.516.765,-. De rechtbank heeft dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard. [geïntimeerde] heeft de tenuitvoerlegging van laatstgenoemd vonnis aan Normanco c.s. aangezegd. 2.4 Bij vonnis in kort geding van 30 januari 2017 heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank de vordering van Normanco c.s. tot schorsing van de tenuitvoerlegging afgewezen. 2.5 Normanco c.s. vordert in dit incident wederom schorsing van de tenuitvoerlegging van het eindvonnis van 7 december 2016 voor de duur van deze hoger beroep-procedure. 2.6 Ten aanzien van de maatstaven die behoren te worden aangelegd bij de beoordeling van (de ontvankelijkheid van) de onderhavige incidentele vordering, geldt in navolging van de bestaande rechtspraak (in het bijzonder HR 30 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5012 (Newbay/Staat) en HR 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:688):
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.