GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling civiel recht zaaknummer : 200.214.695/02 rekestnummer rechtbank : RA RK 13-8481 zaaknummer rechtbank : C/09/453449 beschikking van de meervoudige kamer van 9 augustus 2017 in het incidentele verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van [appellant] , wonende te [woonplaats] , verzoeker in hoger beroep, hierna te noemen: de man, advocaat mr. J.F.M. van Weegberg te Den Haag, Als belanghebbende is aangemerkt: [geïntimeerde] , wonende te [woonplaats] , verweerster in hoger beroep, hierna te noemen: de vrouw, advocaat mr. F. Borger van der Burg-Holstege te Den Haag. 1Het verloop van het geding in eerste aanleg 1.1. Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Den Haag van 26 januari 2017, uitgesproken onder voormeld zaak- en rekestnummer. Bij deze beschikking heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, beslist dat het gezag over de minderjarige [minderjarige] , geboren op [in] 2007 te [geboorteplaats] , voortaan alleen aan de vrouw toekomt en deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard. 2. Het geding in hoger beroep in de hoofdzaak en met betrekking tot het verzoek tot schorsing 2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het beroepschrift met producties, ingekomen op 25 april 2017, tevens houdende een verzoek tot schorsing; - het verweerschrift met producties, ingekomen op 21 juni 2017. 2.2. Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen: van de zijde van de vader: - een brief van 16 juni 2017, ingekomen op diezelfde datum, met als bijlage een journaalbericht van 16 juni 2017, met bijlage; van de zijde van de moeder: - een brief van 6 juli 2017, ingekomen op 7 juli 2017, met als bijlage een journaalbericht van 6 juli 2017, met bijlage. 2.3. De mondelinge behandeling van het verzoek tot schorsing heeft op 19 juli 2017 plaatsgevonden. Verschenen zijn: - de vrouw; - de man, bijgestaan door zijn advocaat. De advocaat van de vrouw is niet verschenen. De advocaat van de man heeft ter zitting pleitnotities overgelegd. 2.4. Na de mondelinge behandeling is ingekomen een brief van de vrouw van 25 juli 2017. Nu de mondelinge behandeling is gesloten en het hof partijen geen toestemming heeft gegeven nog stukken na te zenden, slaat het hof – vanwege strijd met de goede procesorde – daarop geen acht. Het hof heeft de brief aan de vrouw teruggestuurd. 3De motivering van de beslissing in het incident 3.1. Aan de orde is het verzoek van de man schorsing te bevelen van de uitvoerbaarheid bij voorraad van de bestreden beschikking, voor zover het de onder 1 genoemde beslissing betreft. De vrouw voert hiertegen gemotiveerd verweer. 3.2. De man voert – kort samengevat – het volgende aan. De rechtbank heeft een juridische dan wel feitelijke misslag begaan ter zake van de bepaalde gezagsvoorziening en de uitvoerbaarverklaring bij voorraad daarvan. Voor de vrouw is het nu mogelijk om, zonder overleg met de man of zonder hem vooraf te informeren, gezagsgerelateerde beslissingen te nemen met betrekking tot de minderjarige die mogelijk niet of nauwelijks meer ongedaan kunnen worden gemaakt. Dit is zowel niet in het belang van de man als niet in het belang van de minderjarige. Bovendien hebben zich na de bestreden beschikking feiten en omstandigheden voorgedaan die rechtvaardigen dat van de eerdere beslissing wordt afgeweken. De man meent dat zijn belang in dit geval prevaleert boven het belang van de vrouw. 3.3. De vrouw voert – kort samengevat – het volgende aan. Uit zowel het raadsrapport als het ouderschapsonderzoek is gebleken dat de ouders niet met elkaar kunnen communiceren en dat de kans op verbetering daarin gering is. Hoewel de vrouw nu het eenhoofdig gezag heeft, betrekt zij de man nog steeds in alle gezagskwesties rondom de minderjarige en hoort zij graag wat zijn mening is over deze kwesties. Nu de man niet bereid is tot enige vorm van overleg, dient het belang van de vrouw en de minderjarige om gezagsbeslissingen te kunnen nemen zwaarder te wegen dan het belang van de man om het gezamenlijk gezag voorlopig te blijven uitoefenen. 3.4. Hoger beroep schorst de werking, tenzij de beschikking uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. Op grond van artikel 360 lid 2, tweede volzin, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan de hogere rechter, indien hoger beroep is ingesteld tegen een beschikking die uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, alsnog de werking schorsen. 3.5. Het hof stelt voorop dat een partij die een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking heeft verkregen in beginsel bevoegd is deze te executeren, ook indien tegen de beschikking hoger beroep is ingesteld. Bij de beoordeling van de vraag of, in afwijking van voornoemd uitgangspunt, de tenuitvoerlegging van een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking moet worden geschorst, worden de navolgende maatstaven aangelegd (vgl. Hoge Raad 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:688 en 30 mei 2008, nr. 07/12668, ECLI:NL:HR:2008:BC5012): (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.