GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht meervoudige kamer nummer BK-17/00280 Uitspraak van 22 augustus 2017 in het geding tussen: Stichting [X] te [Z] , belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Eindhoven, de Inspecteur, op het hoger beroep van de Inspecteur en het incidenteel hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 30 december 2016, nummer SGR 16/1584, betreffende de onder 1.1. vermelde beschikking. Beschikking, bezwaar en geding in eerste aanleg 1.1. Bij beschikking van 5 oktober 2015 is belanghebbende vanaf 31 december 2014 niet langer aangemerkt als een algemeen nut beogende instelling (ANBI) als bedoeld in artikel 5b Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR). 1.2. Bij uitspraak op bezwaar van 29 januari 2016 heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar afgewezen. 1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. Ter zake is een griffierecht van € 334 geheven. 1.4. De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de beschikking van 5 oktober 2015 vernietigd, bepaald dat haar uitspraak daarvoor in de plaats treedt, het verzoek om schadevergoeding afgewezen, de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.249,12 veroordeeld en de Inspecteur opgedragen het griffierecht van € 334 aan belanghebbende te vergoeden. Loop van het geding in hoger beroep 2.1. De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. Bij een afzonderlijk geschrift heeft belanghebbende incidenteel hoger beroep ingesteld. 2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 11 juli 2017. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Feiten 3.1. Belanghebbende is op 9 mei 2008 opgericht. In haar statuten in de oprichtingsakte is het volgende doel opgenomen: “Artikel 2 1. De stichting heeft ten doel: a. het verschaffen van medische hulp, de zorg voor gehandicapten en weeskinderen tot aan de huwelijkssluiting, het ondersteunen en begeleiden van weduwen, allen in derde wereldlanden; b. het verrichten van alle verdere handelingen, die met het vorenstaande in de ruimste zin verband houden of daartoe bevorderlijk kunnen zijn. 2. De stichting tracht haar doel onder meer te verwezenlijken door - het inzamelen van medische hulpmiddelen, medicijnen, kleding, schoeisel en dergelijke; - het bouwen van ziekenhuizen en/of verzorgingscentra in derdewereldlanden; - het organiseren van informatiedagen en projecten.” 3.2. Belanghebbende is met ingang van 1 januari 2011 aangemerkt als een ANBI. 3.3. Tot de gedingstukken behoort een op 14 september 2015 door de Inspecteur aan belanghebbende gezonden rapport van een bij belanghebbende ingesteld ANBI-onderzoek (het controlerapport). In het controlerapport wordt verwezen naar een brief van 13 maart 2015 waarin, voor zover hier van belang, is vermeld: “Zoals besproken bij het onderzoek zijn dit de vervolgvragen. Om het onderzoek te bespoedigen is het dus nodig dat ik over de volledige administratie kan beschikken. Ik verzoek u dan ook ervoor te zorgen dat de hele administratie van de jaren 2010 tot en met heden op het controle-adres aanwezig is. In het bijzonder vestig ik uw aandacht op de bescheiden die in de bijlage bij deze brief zijn opgesomd. Een kopie van de statuten en de gewijzigde statuten; Alle bank- en girobescheiden; Het kasboek over alle jaren; Alle stortingsbewijzen van stortingen op de bank/giro; Lijst vrijwilligers die in 2013 een vergoeding hebben ontvangen; De jaarstukken met bijlagen; De accountantsrapporten; - de kolommenbalansen, inclusief de voorafgaande journaalposten, en de aansluiting met de jaarstukken (brugstaten); - de debiteuren-, crediteuren- en voorraadlijsten, afschrijvingsstaten, pensioenbrieven, leasecontracten en dergelijke; - alle grootboekrekeningen niet verdicht. (mogen ook de audit bestanden zijn) - een overzicht van de aan het personeel en /of vrijwilligers toegekende vergoedingen en verstrekkingen; - eventueel aanwezige liquiditeitsplanning en exploitatiebegroting;” 3.4. Belanghebbende heeft in hoger beroep verschillende producties ingebracht, waaronder een kopie van de vrachtbrief/het vervoersdocument betreffende aan een niet met name genoemde destinaris in [A] (B) geleverde goederen (productie 6), een kopie van een in het Arabisch gestelde brief waarin, naar belanghebbende stelt, een in [Y] gevestigd ziekenhuis de ontvangst van een ambulance bevestigt (productie 7), een voorbeeld van een – eveneens in het Arabisch gestelde – vluchtelingenlijst, bijgehouden door de leiding van een vluchtelingenkamp (productie 8), douaneformulieren (productie 9) en vracht- en vervoersbrieven (productie 10). 3.5. Naar volgt uit een brief van de Inspecteur van 31 januari 2017 heeft belanghebbende in een aangifte schenkbelasting een beroep gedaan op de vrijstelling uit artikel 33, aanhef en onder 13°, van de Successiewet 1956. In deze brief staat voorts dat de Inspecteur voornemens is belanghebbende niet aan te merken als een sociaal belang behartigende instelling (SBBI). Oordeel van de Rechtbank 4. De Rechtbank heeft het volgende overwogen: “Geschil 4. In geschil is of de ANBI status terecht door [de Inspecteur] met terugwerkende kracht is ingetrokken. Niet meer in geschil is dat [belanghebbende] na de wijziging van haar statuten voldoet aan de eisen die [de Inspecteur] hieraan stelt om als ANBI erkend te kunnen worden. 5. [Belanghebbende] stelt dat [de Inspecteur] niet alle stukken ter inzage heeft gegeven en overgelegd aan de rechtbank, dat zij haar administratie op orde heeft, dat door de onderzoeker van [de Inspecteur] geen enkel probleem is gemaakt met in het Arabisch gestelde facturen, dat zij wel over een voor iedereen kenbaar beleidsplan beschikt en voldoet aan alle criteria voor de ANBI-status. Zij concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en het toekennen van een schadevergoeding ten laste van [de Inspecteur]. 6. [De Inspecteur] voert aan dat [belanghebbende] geen deugdelijke administratie heeft gevoerd en hierdoor niet heeft kunnen aantonen dat zij haar middelen uitsluitend dan wel nagenoeg uitsluitend heeft aangewend in het algemeen belang. Verder stelt [de Inspecteur] dat er sprake is van vermogensbeheer dan wel het oppotten van vermogen en dat het beleidsplan van [belanghebbende] niet voldoet aan de wettelijke eisen. Hij concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep. Beoordeling van het geschil 7. Artikel 5b van de Awr luidt, voor zover hier van belang, als volgt: “1. Een algemeen nut beogende instelling is: a. een instelling – niet zijnde een vennootschap met in aandelen verdeeld kapitaal, een coöperatie, een onderlinge waarborgmaatschappij of een ander lichaam waarin bewijzen van deelgerechtigdheid kunnen worden gegeven – die: 1. uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het algemeen nut beoogt; 2. haar gegevens op elektronische wijze via internet openbaar maakt; 3. voldoet aan bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden; 4. gevestigd is in het Koninkrijk, in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een bij ministeriële regeling aangewezen staat en 5. door de inspecteur als zodanig is aangemerkt; b. (…) 7. Een instelling als bedoeld in het eerste lid wordt door de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking niet meer als zodanig aangemerkt met ingang van het tijdstip waarop deze instelling niet langer uitsluitend of nagenoeg uitsluitend een algemeen nut beogend karakter heeft, niet meer voldoet aan de bij ministeriële regeling gestelde voorwaarden dan wel niet meer is gevestigd als aangegeven in het eerste lid. (…)”. 8. Artikel 1a van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994 (Uitvoeringsregeling) luidt, voor zover hier van belang, als volgt: “1. Een instelling wordt door de inspecteur aangemerkt als een algemeen nut beogende instelling indien en zolang: a. (…) b. uit de regelgeving en de feitelijke werkzaamheden van de instelling blijkt dat de instelling uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het algemeen belang dient; (…) f. de instelling beschikt over een actueel beleidsplan dat inzicht geeft in de door de instelling te verrichten werkzaamheden ter verwezenlijking van haar doelstelling, de wijze van werving van inkomsten, het beheer van het vermogen van de instelling en de besteding daarvan; (…) i. de administratie van de instelling zodanig is ingericht dat daaruit duidelijk blijkt: 1° (…) 2° de aard en omvang van de kosten die door de instelling zijn gemaakt ten behoeve van het beheer van de instelling, alsmede de aard en omvang van de andere uitgaven van de instelling; 3° de aard en omvang van de inkomsten van de instelling, en 4° de aard en omvang van het vermogen van de instelling (…)” 9. Dat [de Inspecteur] niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken zou hebben overgelegd, is de rechtbank niet gebleken. De stelling van [belanghebbende] dat dit niet het geval is, heeft zij onvoldoende onderbouwd. Wat er zij van haar stelling dat [de Inspecteur] over interne beleidsnota’s beschikt dan wel op aanwijzing van Buitenlandse Zaken zou hebben gehandeld, [de Inspecteur] heeft overtuigend weersproken dat dit het geval is en heeft aannemelijk gemaakt dat er geen andere dan de overgelegde stukken op deze zaak betrekking hebben. 10. [Belanghebbende] dient aannemelijk te maken dat zij zich niet alleen ten doel stelt het algemeen belang te dienen, maar dit ook feitelijk met haar activiteiten doet. Het bijhouden van een deugdelijke administratie is hiervoor noodzakelijk. [Belanghebbende] heeft hierin in het verleden steken laten vallen, maar heeft haar administratie in zoverre verbeterd dat daaruit vanaf in elk geval 2015 is op te maken dat zij met de door haar verrichte activiteiten nagenoeg uitsluitend het algemeen belang dient. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de aard van de verrichte activiteiten, zoals het bieden van steun in door natuur- of oorlogsgeweld getroffen gebieden, met zich meebrengt dat de mate waarin zij haar bestedingen kan verantwoorden, beïnvloed wordt door de situatie ter plaatse. Dat de facturen die [belanghebbende] tijdens het onderzoek heeft overgelegd merendeels in het Arabisch zijn gesteld, acht de rechtbank geen reden om de hiermee afgelegde verantwoording niet deugdelijk te vinden, nog los van het feit dat van de kant van [de Inspecteur] tijdens het onderzoek hiermee akkoord is gegaan en uitdrukkelijk niet om vertaling is gevraagd. De ter zitting betrokken stelling van [de Inspecteur] dat mede hierdoor de gehele administratie van [belanghebbende] ondeugdelijk is, volgt de rechtbank niet. 11. Ter zitting heeft [de Inspecteur] zich voorts op het standpunt gesteld dat [belanghebbende] 100% van haar bestedingen in het algemeen belang dient te verrichten, nu bij hem argwaan is ontstaan over de mate waarin de activiteiten van [belanghebbende] verricht zijn in het algemeen belang. Hij wijst daarbij op het uitnodigen van bepaalde imams als gastspreker op een benefiet bijeenkomst. De rechtbank is van oordeel dat de door [de Inspecteur] gestelde voorwaarde, dat 100% van de bestedingen van [belanghebbende] in het kader van het algemeen belang dienen te zijn verricht, te ver voert. Een dergelijke voorwaarde is niet in artikel 5b van de Awr opgenomen. Dat [belanghebbende] gastsprekers heeft uitgenodigd ten behoeve van fondsenwerving, die dezelfde geloofsovertuiging aanhangen als de meeste donateurs van [belanghebbende], maakt niet dat [belanghebbende] met de door haar verrichte activiteiten niet nagenoeg uitsluitend het algemeen nut beoogt als bedoeld in artikel 5b van de Awr. Bovendien is de betreffende uitnodiging ingetrokken toen [belanghebbende] vaststelde dat de commotie over hun komst geen bijdrage aan de realisatie van haar doel zou bieden. 12. [Belanghebbende] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat zij geen vermogen oppot. [Belanghebbende] heeft overtuigend aangevoerd dat zij haar donaties overwegend aan het einde van het jaar ontvangt. Deze donaties hebben veelal geen specifieke aanduiding voor een project. Ook zijn sommige projecten doorlopend. De projecten waaraan de donaties worden besteed, vinden dan in het nieuwe jaar plaats. Dat aan het einde van het boekjaar veel liquide middelen aanwezig zijn betekent niet dat vermogen wordt opgepot dan wel sprake is van vermogensbeheer, zoals [de Inspecteur] stelt. Vaststaat immers dat [belanghebbende] deze middelen in het nieuwe kalenderjaar besteedt aan de realisatie van haar projecten. 13. Dat door [belanghebbende] verrichte activiteiten samenhangen met een bepaalde geloofsovertuiging brengt niet met zich mee, dat zij niet in het algemeen belang zijn verricht. [Belanghebbende] heeft dit met de niet door [de Inspecteur] weersproken opsomming van de door haar verrichte activiteiten voldoende aannemelijk gemaakt. 14. Het standpunt van [de Inspecteur] dat het beleidsplan van [belanghebbende] niet voldoet aan de wettelijke eisen, heeft hij niet met feiten onderbouwd. [Belanghebbende] heeft met hetgeen zij ter zitting heeft aangedragen voldoende aannemelijk gemaakt dat zij over een actueel beleidsplan beschikt en dat dit voldoet aan de in de Uitvoeringsregeling gestelde voorwaarden. Het beleidsplan staat op haar website. De omstandigheid dat het beleidsplan over 2014 pas achteraf volledig is gemaakt, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. 15. Het beroep is gegrond. [Belanghebbende] blijft vanaf 31 december 2014 voor de ANBI‑status in aanmerking komen. Proceskosten en verzoek schadevergoeding 16. [Belanghebbende] heeft verzocht [de Inspecteur] te veroordelen tot vergoeding van door haar geleden schade als gevolg van de intrekking van de ANBI-status. De rechtbank wijst dit verzoek af. [Belanghebbende] - op wie in deze de bewijslast rust - heeft niet dan wel onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de intrekking van de ANBI-status haar schade heeft berokkend. Zo heeft zij geen stukken overgelegd waarin een bedrag aan mogelijke schade wordt onderbouwd. 17. De rechtbank veroordeelt [de Inspecteur] in de door [belanghebbende] gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.238 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, met een waarde per punt van € 246, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 496, alle met een wegingsfactor 1). Van de overige door [belanghebbende] genoemde kosten, te weten reiskosten van € 3,62 en kosten van het uittreksel Kamer van Koophandel van € 7,50 wordt [de Inspecteur], eveneens met toepassing van dat besluit, veroordeeld deze te vergoeden. De door [belanghebbende] geclaimde verletkosten komen niet voor vergoeding in aanmerking aangezien deze kosten zijn gemaakt door een mede-gemachtigde. Bij inschakeling van meerdere gemachtigden komen slechts de kosten van één gemachtigde voor vergoeding in aanmerking (vgl. Centrale Raad van Beroep van 10 maart 1998, nr. 1993/476 AAW, LJN: ZB7594, AB 1998/196).” Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen 5.1. Tussen partijen is in het principaal hoger beroep in geschil of de Rechtbank de onder 1.1 vermelde beschikking van 5 oktober 2015 (hierna: de intrekkingsbeschikking) terecht heeft vernietigd. Meer in het bijzonder is tussen partijen in geschil of de administratie van belanghebbende voldoet aan de daaraan gestelde eisen. De Inspecteur beantwoordt deze vragen ontkennend en belanghebbende daarentegen bevestigend. 5.2. Tussen partijen is in het incidenteel hoger beroep in geschil of de Rechtbank de proceskosten aan de zijde van belanghebbende tot op het juiste bedrag heeft berekend. Meer in het bijzonder is in geschil of belanghebbende wegens de proceshouding van de Inspecteur recht heeft op vergoeding van de werkelijk door haar gemaakte proceskosten en voorts of belanghebbende recht heeft op vergoeding van verletkosten en op vergoeding van schade die zij heeft geleden als gevolg van het intrekking van de ANBI-status, zoals belanghebbende bepleit en de Inspecteur bestrijdt. 5.3. Voor de gronden waarop partijen hun standpunten doen steunen, verwijst het Hof naar de gedingstukken. Conclusies van partijen 6.1. Het principaal hoger beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en tot ongegrondverklaring van het bij de Rechtbank ingestelde beroep. 6.2. Belanghebbende concludeert met betrekking tot het principaal hoger beroep primair tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank en subsidiair tot het aanmerken van belanghebbende als sociaal belang behartigende instelling (SBBI) in de zin van artikel 5c AWR 6.3. Het incidenteel hoger beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank voor zover daarin belanghebbendes verzoek om schadevergoeding is afgewezen en de aan belanghebbende toegekende proceskostenvergoeding is bepaald op € 1.249,12, veroordeling van de Inspecteur tot vergoeding van de schade die belanghebbende door de intrekking van de ANBI-status heeft geleden alsmede van de werkelijk door belanghebbende gemaakte proceskosten, waaronder verletkosten. Voor het geval het Hof niet tot veroordeling van de Inspecteur in de werkelijk door belanghebbende gemaakte proceskosten besluit, strekt het incidenteel hoger beroep tot veroordeling van de Inspecteur tot een aan de hand van het Besluit proceskosten bestuursrecht berekende vergoeding van proceskosten, eveneens met inbegrip van verletkosten, waarbij wat betreft de kosten van rechtsbijstand voor het telefonisch horen een punt wordt toegekend en wordt uitgegaan van een wegingsfactor voor het gewicht van de zaak van 2. 6.4. De Inspecteur concludeert met betrekking tot het incidenteel hoger beroep dat niet is gebleken van feiten of omstandigheden die aanleiding zouden kunnen zijn voor een veroordeling van de Inspecteur tot vergoeding van door belanghebbende geleden schade en/of tot vergoeding van de werkelijk door belanghebbende gemaakte proceskosten. Aan het toekennen van een punt voor het telefonisch horen staat in de weg dat belanghebbende expliciet heeft afgezien van de mogelijkheid om gehoord te worden; (een) telefonisch(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.