GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer : 200.195.948/01 Zaaknummer rechtbank : C/09/487858/HA ZA 15-549 arrest van 5 september 2017 inzake 1VOF Helof, gevestigd te Amsterdam, 2. [appellant 2], wonende te Berlijn, Bondsrepubliek Duitsland, 3. Lofgren Real Estate I B.V., gevestigd te Amsterdam, appellanten in het principaal appel, geïntimeerden in het voorwaardelijk incidenteel appel, hierna gezamenlijk te noemen: Helof, advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam, tegen 1Armelinus Groep B.V., gevestigd te Leidschendam, gemeente Leidschendam-Voorburg, 2. [geintimeerde 2], wonende te Leimuiden, gemeente Kaag en Braassem, geïntimeerden in het principaal appel, appellanten in het voorwaardelijk incidenteel appel, hierna te noemen: ieder afzonderlijk: Armelinus en [geintimeerde 2] en gezamenlijk: Armelinus c.s., advocaat: mr. A.A.S. Mosele te 's-Gravenhage. Het geding Bij exploot van 15 juni 2016 is Helof in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank Den Haag tussen partijen gewezen vonnis van 23 maart 2016. Bij memorie van grieven met producties heeft Helof negen grieven aangevoerd. Bij memorie van antwoord met producties hebben Armelinus c.s. de grieven bestreden en daarbij tevens onder aanvoering van één grief voorwaardelijk incidenteel appel ingesteld. Helof heeft hierop gereageerd bij memorie van antwoord in incidenteel appel, met productie. Vervolgens hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd. Beoordeling van het hoger beroep 2.1. De door de rechtbank in het vonnis van 23 maart 2016 vastgestelde feiten zijn niet in geschil. Ook het hof zal daar van uitgaan. Voor zover Helof onder 4 van de memorie van grieven klaagt dat de feiten onvolledig zijn, gaat het hof hieraan voorbij. Het stond de rechtbank vrij slechts die feiten vast te stellen die zij nodig had om tot haar beslissing te komen. 2.2. Het gaat in deze zaak om het volgende: a. Tussen Helof en Crèche Hermelijntje II B.V. (hierna: Hermelijntje II) is in 2001 een huurovereenkomst tot stand gekomen voor de huur van twee verdiepingen in het pand aan de Hoge Prins Willemstraat 226 te Scheveningen (hierna: het pand). Deze huurovereenkomst is laatstelijk per 1 juli 2011 verlengd met nog een termijn van vijf jaar, derhalve tot 30 juni 2016. Het pand had een gunstige ligging nabij de Scheveningseweg en in de nabijheid van scholen waaronder het Lycée Français op een steenworp afstand. b. In ieder geval vanaf 2006 exploiteerde Hermelijntje II in het pand een kinderdagverblijf voor baby- en peutergroepen en een naschoolse opvang. Vanaf 2007 heeft Hermelijntje II twee extra verdiepingen gehuurd in het pand. c. Armelinus was tot 30 oktober 2014 enig aandeelhouder van Hermelijntje II en zij was in de periode van 29 oktober 2012 tot en met 30 oktober 2014 statutair bestuurder van Hermelijntje II. [geintimeerde 2] is statutair bestuurder van Armelinus. d. Op 13 juni 2013 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag een omgevingsvergunning verleend aan Vastgoedgilde/Hoogvliet (hierna: de projectontwikkelaar) voor sloop van de bestaande bebouwing en nieuwbouw van een ondergrondse 2-laags parkeergarage, een supermarkt in de plint en 63 woningen aan de Badhuisstraat 215, 217, 219 en 225 (zijnde naast het pand gelegen kavels). Hermelijntje II heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Het bezwaar is ongegrond verklaard. e. In de periode vanaf mei 2013 tot en met februari 2014 heeft overleg plaatsgevonden tussen Hermelijntje II en de gemeente Den Haag, over een alternatieve locatie. Dit overleg heeft tot niets geleid. f. De projectontwikkelaar heeft Hermelijntje II op 20 februari 2014 een schadevergoeding van € 120.000 aangeboden. Hermelijntje II heeft dit aanbod niet aangenomen. g. Bij e-mail van 24 februari 2014 heeft Hermelijntje II onder andere aan Helof geschreven dat de sloop van het pand naast het kinderdagverblijf reëel vormen gaat aannemen en dat daarna een verbouwing van twee jaar zal plaatsvinden. Hermelijntje ziet een leegloop tegemoet met als gevolg dat zij niet zal kunnen voldoen aan de huur. h. In juni 2014 zijn de sloop- en bouwwerkzaamheden begonnen. Dit heeft geleid tot overlast voor de kinderopvang van Hermelijntje II, onder andere in de vorm van lawaai, trillingen, stof, geen tot beperkte gebruiksmogelijkheden van de buitenspeelplaats en parkeerproblemen. i. Bij mails van 10 juni en 13 juni 2014 (geciteerd door de rechtbank onder 2.9 in het vonnis) heeft Hermelijntje II Helof gewezen op klantenverlies. j. Diverse ouders hebben in juli 2014 bij mail hun zorgen geuit over de aanwezigheid van een bouwput en de bouwwerkzaamheden bij de opvang van hun kinderen (geciteerd door de rechtbank onder 2.10 in het vonnis). k. Hermelijntje II is met ingang van 1 september 2014 een huurovereenkomst aangegaan voor een pand aan de Vissershavenstraat 83 te Den Haag (hierna: het nieuwe pand). Rond diezelfde datum heeft zij de kinderopvang naar dit adres verplaatst. l. Bij vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam is Hermelijntje II veroordeeld tot betaling aan Helof van de achterstallige huur tot een bedrag van € 21.610. Daarbij is de vordering van Helof om het pand weer in gebruik te nemen afgewezen. m. Bij overeenkomst van 30 oktober 2014 heeft Hermelijntje II haar inventaris verkocht aan Torentje B.V. (hierna: Torentje) voor € 30.000. Torentje heeft personeelsleden overgenomen en ook de huurverplichting voor het nieuwe pand. n. Op 30 oktober 2014 heeft Armelinus haar aandelen in Hermelijntje II verkocht aan Stichting Administratiekantoor Lijntje. o. Rond oktober 2014 heeft Hermelijntje II haar activiteiten gestaakt. p. Bij vonnis van 19 december 2014 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam zijn Hermelijntje II en haar nieuwe bestuurder veroordeeld tot betaling van de op dat moment nog bestaande huurachterstand, waarvoor nog geen vonnis was gewezen. q. Hermelijntje II had in het verleden ter verzekering van de huurbetaling een bankgarantie gesteld van € 34.344. Deze bankgarantie is door Helof uitgewonnen. Voor het overige heeft Hermelijntje II de vorderingen van Helof onbetaald gelaten. 2.3. In eerste aanleg heeft Helof in conventie van Armelinus c.s. betaling gevorderd van achterstallige en toekomstige huur. In reconventie is door Armelinus c.s. – samengevat – een verklaring voor recht gevorderd dat de huurovereenkomst tussen Helof en Hermelijntje II is vernietigd dan wel ontbonden en dat Hermelijntje II met ingang van 28 april 2013 geen huur meer verschuldigd is alsmede een veroordeling van Helof tot terugbetaling van te veel betaalde huur, met proceskosten. De rechtbank heeft de vorderingen in conventie en in reconventie afgewezen. Geen grieven zijn gericht tegen het oordeel in reconventie. 2.4. In het hoger beroep in dit geding vordert Helof thans – samengevat – hoofdelijke veroordeling van Armelinus c.s. tot betaling aan Helof van a. een bedrag groot € 78.049,40 (huurachterstand per datum dagvaarding); b. een bedrag groot € 136.662,75 (in eerste aanleg nog niet vervallen huurtermijnen tot het einde van de huurovereenkomst); c. de maandelijkse boete ad € 300 vanaf september 2014 tot en met de maand voorafgaande aan de maand waarin algehele betaling plaatsvindt; d. alles met wettelijke handelsrente, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten. 2.5. De grieven II tot en met IX in het principaal appel komen erop neer dat Helof Armelinus verwijt dat zij als bestuurder onrechtmatig in de zin van art. 6:162 BW heeft gehandeld. De aansprakelijkheid van [geintimeerde 2] heeft Helof gegrond op artikel 2:11 BW. Daarnaast beroept Helof zich in grief I in het principaal appel op het vonnis van de rechtbank Overijssel van 17 februari 2015, ECLI:NL:RBOVE:2015:1195, als afzonderlijke grondslag voor aansprakelijkheid van Armelinus c.s.. 2.6. De grieven lenen zich voor gezamenlijke bespreking. 2.7. Het gaat in deze om bestuurdersaansprakelijkheid. Het hof hanteert als maatstaf voor de beoordeling van persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurders de uitgangspunten die zijn neergelegd in HR 5 september 2014, NJ 2015/22 (RCI Financial Services). In dat arrest is uitgemaakt dat in het geval een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis (daarvan is met de huurachterstand in de onderhavige zaak sprake) alleen de vennootschap aansprakelijk is voor de daaruit voortvloeiende schade en dat slechts onder bijzondere omstandigheden naast aansprakelijkheid van de vennootschap ook aansprakelijkheid van de bestuurder mogelijk is. Naar het oordeel van het hof geldt deze regel ook indien geen schadevergoeding maar (tevergeefs) nakoming van de verbintenis van de vennootschap wordt gevorderd. Voor het aannemen van aansprakelijkheid van de bestuurder is vereist dat de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Dit vereist een hogere mate van verwijtbaarheid dan in het algemeen het geval is. Een hoge drempel voor aansprakelijkheid van een bestuurder tegenover een derde wordt gerechtvaardigd door de omstandigheid dat ten opzichte van de wederpartij primair sprake is van handelingen van de vennootschap en door het maatschappelijk belang dat wordt voorkomen dat bestuurders hun handelen in onwenselijke mate door defensieve overwegingen laten bepalen (vide rov 4.2 in voornoemd arrest van de Hoge Raad). Naast deze algemene maatstaf neemt het hof HR 8 december 2006, JOR 2007, 38 Ontvanger/Roelofsen tot norm. Ingevolge dit arrest dienen de bestuurders, wil sprake zijn van aansprakelijkheid naast de primair aansprakelijke vennootschap, persoonlijk een ernstig verwijt te kunnen worden gemaakt waarbij mede gelet moet worden op hun verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in artikel 2:9 BW. Ter beoordeling ligt voor of het handelen of nalaten als bestuurder van de betrokken vennootschap opgevat moet worden als een behoorlijke taakuitoefening als bestuurder of ten opzichte van de schuldeiser van die vennootschap in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt, bijvoorbeeld doordat de bestuurder bewerkstelligt of toelaat dat sprake is van (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.