Rolnummer: 22-002474-16 Parketnummer: 09-749611-12 Datum uitspraak: 9 februari 2017 TEGENSPRAAK Gerechtshof Den Haag meervoudige kamer voor strafzaken Arrest gewezen op het bestaande hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 13 december 2012 in de strafzaak tegen de verdachte: [verdachte] , geboren te [adres 1] op [dag] 1974, [adres 2] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en - na verwijzing van de zaak door de Hoge Raad der Nederlanden - het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 26 januari 2017. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 160 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 80 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Procesgang In eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 en 3 ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, met aftrek van voorarrest. Voorts is er beslissing genomen omtrent de in beslag genomen voorwerpen als nader omschreven in het vonnis waarvan beroep en is het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte opgeheven. Namens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. Dit gerechtshof heeft het bestreden vonnis bij arrest van 10 juni 2014 vernietigd, de verdachte van het onder 2 en 3 ten laste gelegde vrijgesproken en de verdachte ter zake van het onder 1 ten laste veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 160 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 80 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Voorts is er beslissing genomen omtrent de in beslag genomen voorwerpen als nader omschreven in het arrest en is het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte opgeheven. Namens de verdachte is tegen dit arrest beroep in cassatie ingesteld. Nadien is namens de verdachte het cassatieberoep partieel ingetrokken ten aanzien van de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten waarvan de verdachte was vrijgesproken en beperkt tot hetgeen onder 1 is bewezenverklaard (alleen feit 1 ter zake van art. 273f lid 1 onder 3 Sr). De Hoge Raad der Nederlanden heeft bij arrest van 17 mei 2016 overwogen dat aan de laatstgenoemde beperking van de raadsman voorbij moet worden gegaan en het arrest van het hof – voor zover aan het oordeel van de Hoge Raad onderworpen - vernietigd en de zaak teruggewezen naar dit gerechtshof, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep in zoverre opnieuw wordt berecht en afgedaan. Omvang van het hoger beroep Onbetwist door de raadsman en de advocaat-generaal is dat thans enkel nog aan de orde is de beoordeling van het onder 1 ten laste gelegde. Deze beoordeling wordt door het hof onderschreven. Wel is betwist tussen partijen de omvang van het hoger beroep binnen de kaders van feit 1. De raadsman stelt zich op het standpunt dat het hoger beroep na cassatie beperkt blijft tot de beoordeling van het ten laste gelegde dat betrekking heeft op art. 273f lid 1 onder 3 Sr, gelijk hij met zijn beperking van het cassatieberoep beoogde, terwijl de advocaat-generaal verdedigt dat feit 1 thans in volle omvang aan de orde is. Het hof heeft, na vernietiging in cassatie en terugwijzing door de Hoge Raad, als hoogste feitenrechter een zelfstandige beoordeling ter zake van de omvang van het bestaande hoger beroep met betrekking tot genoemd feit. Daartoe zijn leidend de uitleg van de tenlastelegging enerzijds, de eerdere beslissingen tot vrijspraak anderzijds, een en ander bezien in het licht van de relevante jurisprudentie van de Hoge Raad ter zake. De tenlastelegging van feit 1 behelst naar ’s hofs oordeel ten eerste een uitsplitsing in drie onderdelen waarin zelfstandige strafbare feiten zijn omschreven rond de drie daarin met name genoemde personen. De tenlastelegging van feit 1 behelst ten tweede een uitsplitsing van verschillende zelfstandige strafbare feiten van de daarin ten aanzien van elk van hen genoemde vijf strafrechtelijke gedragingen conform artikel 273f, lid 1, sub 1, 3, 4, 6 en 9 van het Wetboek van Strafrecht. Al deze onderdelen van de tenlastelegging behelzen zelfstandige strafbare gedragingen. Het voorgaande brengt het hof, gelet op de eerder door dit hof gegeven partiële vrijspraken van feit 1 en gelet op de hiervoor genoemde in de tenlastelegging van feit 1 te onderscheiden zelfstandige strafbare feiten en gedragingen voor wat betreft de omvang van het bestaande hoger beroep tot het volgende oordeel. Thans staat ter beoordeling van het hof uitsluitend het impliciet/cumulatief ten laste gelegde onder 1 met het oog op sub 3 van artikel 273f, lid 1, van het Wetboek van Strafrecht ten aanzien van [slachtoffer 1] . Het feit dat de officier van justitie hoger beroep heeft ingesteld tegen de vrijspraak door de rechtbank 's-Gravenhage van het onder 1 ten laste gelegde doet hier niet aan af nu het openbaar ministerie geen (partieel) beroep in cassatie heeft ingesteld tegen het arrest van het hof van 10 juni 2014. Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen. Tenlastelegging Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep van 26 januari 2017 - en voor zover inhoudelijk aan het oordeel van het hof onderworpen ten laste gelegd dat: 1: zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 16 januari 2012 tot en met 22 mei 2012 te Den Haag en/of Schiedam en/of Rotterdam en/of Eindhoven en/of (elders) in Nederland en/of Hongarije, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, -(een) ander(en), te weten - [slachtoffer 1] heeft aangeworven en/of medegenomen met het oogmerk die [slachtoffer 1] in een ander land ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van (een) seksuele handeling(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.