GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht meervoudige kamer nummer BK-17/00460 Uitspraak van 26 september 2017 in het geding tussen: [X] te [Z] , belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, de Inspecteur, op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 10 maart 2017, nummer SGR 16/7888, betreffende de onder 1.1 vermelde aanslag en beschikking. Aanslag, beschikking, bezwaar en geding in eerste aanleg 1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2014 een aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 38.477. Bij beschikking is een bedrag van € 115 aan belastingrente in rekening gebracht. 1.2. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar afgewezen. 1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Loop van het geding in hoger beroep 2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Ter zake is een griffierecht geheven van € 124. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 15 augustus 2017, gehouden te Den Haag. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. 2.3. Na de sluiting van het onderzoek ter zitting heeft belanghebbende nog een stuk (met dagtekening 21 augustus 2017) met één bijlage, alsmede een stuk (met dagtekening 25 augustus 2017) met zes bijlages ingezonden. Het Hof heeft, gelet op de inhoud van deze stukken, geen aanleiding gezien het onderzoek te heropenen. Voor zover de stukken niet zien op de betaling van het griffierecht, slaat het Hof daarop geen acht. Vaststaande feiten 3.1. Belanghebbende is geboren [in] november 1949 en is ongehuwd. 3.2. In de aangifte IB/PVV 2014 heeft belanghebbende een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 38.477 aangegeven, bestaande uit de volgende inkomsten uit vroegere dienstbetrekking: Uitkering van: Uitkering: Loonheffing: Stichting [A] € 213 € 0 [B] Levensverz. Maatschappij N.V. € 1.142 € 415 Stichting [C] € 14.047 € 3.234 [D] Levensverzekering N.V. € 154 € 57 [E] € 144 € 53 Stichting [F] € 2.082 € 755 Stichting [G] € 6.974 € 2.497 Stichting [H] € 1.108 € 388 [I] € 12.613 € 2.459 Totaal inkomsten uit vroegere dienstbetrekking: € 38.477 € 9.858 3.3. De Inspecteur heeft de aanslag IB/PVV 2014 vastgesteld overeenkomstig de gegevens uit de door belanghebbende ingediende aangifte en heeft daarbij het tarief toegepast inclusief de ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) verschuldigde premie van 17,90 percent 3.4. De pensioenen van [A] , [B] Levensverz. Maatschappij N.V., [D] Levensverzekering N.V. en Stichting [F] zijn in het jaar 2014 afgekocht. 3.5. De [E] heeft in de jaren 2014 en 2015 ter compensatie van een 'AOW-gat' – het verlies aan inkomen als gevolg van het aflopen van een prepensioen van belanghebbende op vijfenzestigjarige leeftijd in samenhang met het later ingaan van de AOW-uitkering vanwege de verhoogde AOW-leeftijd – een tijdelijke overbruggingsuitkering aan belanghebbende uitbetaald (in 2014 een bedrag van € 144 en in 2015 een bedrag van € 826). Daarbij is door de [E] de pensioengerechtigde leeftijd van belanghebbende gesteld [in] februari 2015. 3.6. Belanghebbende heeft vanaf 21 februari 2015 een AOW-uitkering ontvangen. Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen 4.1. Het Hof begrijpt belanghebbendes standpunt – mede gelet op de door hem daarop ter zitting van het Hof gegeven toelichting – aldus dat in geschil is of de Inspecteur bij het vaststellen van de aanslag IB/PVV 2014 ten onrechte het tarief inclusief premie AOW (17,90%) heeft toegepast. 4.2. Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de stukken van het geding. Conclusies van partijen 5.1. Belanghebbende concludeert – naar het Hof begrijpt – tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, de uitspraak op bezwaar en tot vermindering van de aanslag tot een berekend met inachtneming van een heffingspercentage premie volksverzekeringen van (31,15 percent minus 17,90 percent =) 13,25. 5.2. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. Oordeel van de Rechtbank 6. De Rechtbank heeft als volgt overwogen: "10. Artikel 7a van de AOW is ingevolge de inwerkingtreding van de Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd (Stb. 2012, 328) met ingang van 1 januari 2013 ingevoegd in de AOW. Als gevolg daarvan zijn de aanvangsleeftijd van de pensioenopbouw en de pensioengerechtigde leeftijd stapsgewijs verhoogd. Artikel 7a van de AOW, luidt, voor zover hier van belang, als volgt: "1. De pensioengerechtigde leeftijd en de aanvangsleeftijd zijn: a. voor 1 januari 2013: 65, respectievelijk 15 jaar; b. in 2013: 65 jaar en één maand, respectievelijk 15 jaar en één maand; c. in 2014: 65 jaar en twee maanden, respectievelijk 15 jaar en twee maanden; d. in 2015: 65 jaar en drie maanden, respectievelijk 15 jaar en drie maanden" 11. Artikel 10 van de Wet financiering sociale verzekeringen luidt als volgt: "1. De premie voor de volksverzekeringen wordt vastgesteld op de som van de percentages bedoeld in artikel 11 van het premie-inkomen. 2. Tot de premie, bedoeld in het eerste lid, behoort met ingang van de eerste dag van de maand waarin de verzekerde de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, zal bereiken niet de premie voor de algemene ouderdomsverzekering." 12. In de wetsgeschiedenis is de volgende toelichting gegeven op artikel 7a van de AOW: "Onderdeel D (artikel 7a Algemene Ouderdomswet) In dit onderdeel worden de pensioengerechtigde en de aanvangsleeftijd in elf jaarlijkse stappen van één, twee of drie maanden verhoogd van 65 jaar naar 67 jaar in 2023 en daarna gekoppeld aan de ontwikkeling van de macro gemiddelde resterende levensverwachting. De verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd en aanvangsleeftijd vindt vanaf 2013 steeds ieder kalenderjaar plaats. Dit betekent dat in 2013 alle personen die in dat jaar de leeftijd van 65 jaar en een maand bereiken recht op ouderdomspensioen krijgen; in 2014 krijgen alle personen die in dat jaar de leeftijd van 65 jaar en twee maanden bereiken recht op ouderdomspensioen etc. Dit betekent dat de pensioengerechtigde leeftijd en de aanvangsleeftijd voor personen die zijn geboren voor 1 januari 1948 (de personen die voor 1 januari 2013 de leeftijd van 65 jaar bereiken) ongewijzigd blijven. De verhoging vindt plaats volgens een systematiek waarbij de pensioengerechtigde leeftijd en de aanvangsleeftijd de eerste drie jaren telkens met een maand worden verhoogd, de daarop volgende drie jaar telkens met twee maanden en de daarop volgende vijf jaar telkens met drie maanden totdat de pensioengerechtigde leeftijd van 67 jaar en de aanvangsleeftijd van 17 jaar zijn bereikt." MvT, Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 33 290, nr. 3, blz. 19. 13. Gelet op de wettelijke bepalingen onder 10 en 11 en de toelichting op artikel 7a van de AOW onder 12, heeft [de Inspecteur] terecht gesteld dat [belanghebbende] eerst [in] februari 2015 de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt en niet in 2014. Immers voor het jaar 2014 geldt dat men pas in dat jaar de pensioengerechtigde leeftijd behaalt na het bereiken van de 65-jarige leeftijd + 2 maanden. Dit betekent dat degene die op of na 1 november van dat jaar de 65-jarige leeftijd bereikt, in 2014 geen recht heeft op ouderdomspensioen op grond van de AOW. Omdat [belanghebbende] [in] november 2014 65 jaar is geworden, kon hij pas in 2015 de pensioengerechtigde leeftijd bereiken. Met ingang van 1 januari 2015 is de pensioengerechtigde leeftijd echter verhoogd naar 65-jaar + 3 maanden. Hierdoor bereikte [belanghebbende] eerst [in] februari 2015 de pensioengerechtigde leeftijd. Uit het voorgaande volgt dat [belanghebbende] in het jaar 2014 nog steeds premieplichtig was voor de AOW. [De Inspecteur] heeft daarom het juiste tarief toegepast bij het vaststellen van de aanslag. Het andersluidende standpunt van [belanghebbende] berust op een onjuiste rechtsopvatting. 14. Voor zover [belanghebbende] tevens bedoeld heeft te stellen dat er sprake is van ongelijke behandeling op grond van leeftijd, overweegt de rechtbank als volgt. Met toepassing van artikel 7a van de AOW wordt een onderscheid naar leeftijd gemaakt. Echter, niet ieder onderscheid naar leeftijd levert een ongeoorloofde leeftijdsdiscriminatie op in de zin van artikel 14 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens en artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten. Indien daarvoor redelijke en objectieve gronden bestaan, is het maken van onderscheid naar leeftijd geoorloofd. In dit geval acht de rechtbank redelijke en objectieve gronden voor dat onderscheid gegeven. Uit de wetgeschiedenis leidt de rechtbank af dat de wijziging van AOW-leeftijd als doelstelling heeft een besparing op de overheidsuitgaven te realiseren en de noodzaak ook voor toekomstige generaties een solide stelsel van collectieve voorzieningen zeker te stellen. Deze doelstellingen acht de rechtbank gerechtvaardigd. Voor de ophoging van de AOW-leeftijd en daarmee samenhangende maatregelen, bestaat een legitieme doelstelling in het algemeen belang. Verder blijkt uit de wetsgeschiedenis dat de wetgever overgangsmaatregelen heeft genomen om mogelijke overbruggingsproblemen te compenseren. Van een ongeoorloofd onderscheid naar leeftijd is daarom geen sprake (zie ook CRvB 18 juli 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2502 en CRvB 25 november 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4507). Deze beroepsgrond faalt. 15. Met betrekking tot de stelling van [belanghebbende] dat de Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd onredelijk is, overweegt de rechtbank dat zij op grond van artikel 11 van de Wet van 15 mei 1829, houdende algemeene bepalingen der wetgeving van het Koninkrijk (Stb. 28), volgens de wet moet rechtspreken en in geen geval de innerlijke waarde of de billijkheid der wet mag beoordelen." Beoordeling van het hoger beroep Prealabel; betalingsonmacht griffierecht 7.1. Belanghebbende heeft in reactie op de ontvangst van de nota griffierecht bij brief van 8 mei 2017 een beroep op betalingsonmacht gedaan. In het arrest van de Hoge Raad van 20 februari 2015, 14/05176, ECLI:NL:HR:2015:354, BNB 2015/197, heeft de Hoge Raad richtlijnen gegeven voor de behandeling van een beroep op betalingsonmacht. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat van betalingsonmacht sprake is bij een rechtzoekende die aannemelijk maakt dat - op de datum waarop het griffierecht uiterlijk op de rekening van het gerecht moet zijn bijgeschreven dan wel ter griffie moet zijn gestort - het netto-inkomen waarover hij maandelijks kan beschikken minder bedraagt dan 90 percent van de voor een alleenstaande geldende (maximale) bijstandsnorm, en voorts dat hij niet beschikt over vermogen waaruit het verschuldigde griffierecht kan worden betaald. De periode waarover de hoogte van het inkomen en vermogen wordt beoordeeld, vangt aan nadat de griffier de rechtzoekende voor de eerste maal op de verschuldigdheid van het griffierecht heeft gewezen en eindigt op de datum waarop het griffierecht uiterlijk op de rekening van het gerecht moet zijn bijgeschreven dan wel ter griffie moet zijn gestort. 7.2. In het onderhavige geval loopt de periode die van belang is voor de beoordeling van het beroep op betalingsonmacht van 3 mei 2017 tot en met 21 augustus 2017. Dit betekent dat sprake is van betalingsonmacht indien het netto-inkomen van belanghebbende minder bedraagt dan per 1 januari 2017 € 884,51 en per 1 juli 2017 € 887,87. Gebruteerd gaat het om een verzamelinkomen van minder dan per 1 januari 2017 € 13.503 (€ 1.125,29 per maand) en per 1 juli 2017 € 13.554 (€ 1.129,57 per maand). 7.3.1. Belanghebbende heeft bij brief van 7 juni 2017 stukken overgelegd die betrekking hebben op (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.