ECLI:NL:GHDHA:2017:2787
GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Uitspraak : 2 augustus 2017 Zaaknummer : 200.202.665/01 Rekestnummer rechtbank : AZ VERZ 16-46 Zaaknummer rechtbank : 4998131 [appellante] , wonende te [woonplaats 1] , verzoekster, tevens incidenteel verweerster, in hoger beroep, hierna te noemen: de verzoekster, advocaat mr. A.C. de Bakker te Hendrik-Ido-Ambacht, tegen
PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP Verzoekster is op 1 november 2016 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 11 augustus 2016 van de rechtbank Rotterdam.
Verweerster sub 4 heeft op 3 januari 2017 een verweerschrift ingediend.
Verweerders sub 2, 3 en 5 hebben op 5 januari 2017 een afzonderlijk verweerschrift ingediend, tevens houdende incidenteel appel.
Verzoekster heeft op 16 februari 2017 een verweerschrift op het incidenteel appel ingediend.
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen: van de zijde van verzoekster: op 25 november 2016 een brief van 24 november 2016 met bijlage; op 12 januari 2017 een V-formulier van 10 januari 2017 met bijlage; van de zijde van verweerders sub 2, 3 en 5, tevens incidenteel verzoekers:
De zaak is op 12 mei 2017 mondeling behandeld.
Ter zitting waren aanwezig:
Verzoekster, bijgestaan door haar advocaat en vergezeld van haar dochter;
Verweerster sub 1;
Verweerders sub 2, 3 en 5, bijgestaan door hun advocaat en door mr. I.C. Blomsma, advocaat te Haarlem;
Verweerster sub 4, bijgestaan door haar advocaat.
Mr. Kossen en mr. Blomsma hebben ter zitting een pleitnota overgelegd.
PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.
Bij die beschikking zijn de verzoeken van verzoekster afgewezen. Voorts is de verplichting van verweerders - vanwege het ontbreken van een verzorgingsbehoefte aan de kant van de verzoekster – tot medewerking aan de vestiging van het vruchtgebruik opgeheven. De proceskosten zijn gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt en de beschikking is, voor zover van toepassing, uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Verzoekster heeft in eerste aanleg verzocht:
BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP 1. In geschil is of verweerders jegens verzoekster verplicht zijn tot medewerking aan de vestiging van de rechten van vruchtgebruik als bedoeld in de artikelen 4:29 en 4:30 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).
Procespartij 6. Volgens verweerders is de erfenis van de erflater onder het voorrecht van boedelbeschrijving (beneficiair) aanvaard. Op grond van het bepaalde in artikel 4:149 lid 1 sub d van het Burgerlijk Wetboek, hierna: BW, eindigt de taak van een executeur wanneer de nalatenschap moet worden vereffend overeenkomstig de artikelen 4:202 e.v. BW. De nalatenschap wordt niet vereffend en de taak van de executeur eindigt niet, indien er een tot voldoening van de opeisbare schulden en legaten bevoegde executeur is en deze kan aantonen dat de goederen van de nalatenschap ruimschoots toereikend zijn om alle schulden van de nalatenschap te voldoen (a contrario art.4:202 lid 1 letter a BW). De executeurs hebben, daarnaar bevraagd ter zitting van het hof, verklaard dat de goederen van de nalatenschap ruimschoots voldoende zijn om alle schulden van de nalatenschap te voldoen. Verzoekster heeft dat niet betwist.
Nu ook overigens niet is gebleken dat de goederen daarvoor onvoldoende zijn, betekent dit dat de hiervoor vermelde uitzondering van toepassing is op het bepaalde in artikel 4:149 lid 1 sub d BW. Uit het vorenstaande volgt dat thans de executeurs, met uitsluiting van ieder ander, bevoegd zijn de erfgenamen in en buiten rechte te vertegenwoordigen (art.4:145 lid 2 BW). Weliswaar heeft de advocaat van verzoekster nog aangevoerd dat de beneficiaire aanvaarding is gedaan na een zuivere aanvaarding, maar indien dat het geval zou zijn geweest – hetgeen verweerders betwisten - dan zouden nog steeds de executeurs bevoegd zijn om de erfgenamen in en buiten rechte te vertegenwoordigen. Het is immers noch gesteld noch gebleken dat de taak van de executeurs is geëindigd op een van de (andere) gronden als bedoeld in artikel 4:149 lid 1 BW.
Het hof gaat dan ook uit van twee executeurs wier taken niet zijn geëindigd. Dat betekent dat ter zake van de onderhavige aanspraken van verzoekster, die zijn gericht jegens de erfgenamen, alleen de executeurs als procespartij kunnen optreden. Het hof heeft het bovenstaande met verzoekster en verweerders besproken ter zitting en partijen hebben zich verenigd met de vorenstaande conclusie van het hof. Dit leidt ertoe dat het hof er van uit gaat dat het beroep uitsluitend is gericht tegen verweerders sub 2 en 5 en dat alleen hun verweer en incidenteel appel in aanmerking kan worden genomen. Het vorenstaande brengt voorts met zich dat het hof het verweerschrift van verweerster sub 4 buiten beschouwing laat en dat verweerder sub 3 niet-ontvankelijk is in het incidenteel appel.
Het hof betrekt het incidenteel appel uiteraard wel in de beoordeling, nu het mede is ingesteld door de executeurs.
Waar het het verzorgingsvruchtgebruik van artikel 4:30 BW betreft, ligt het op de weg van verzoekster om haar verzorgingsbehoefte aannemelijk te maken.
Verzorgingsvruchtgebruik artikel 4:29 BW 11. Verzoekster heeft gewezen op haar leeftijd van 77 jaar en op het feit dat zij alleen woont. Daarmee is gegeven dat er voor haar geen mogelijkheden zijn haar inkomen te vermeerderen door arbeid en dat er geen huisgenoten zijn die kunnen bijdragen in de kosten van haar huishouding, waaronder eventueel huurtermijnen of verwervingskosten van een andere woning. Thans betaalt zij € 120,- per maand aan hypotheeklasten. De helft daarvan moet eigenlijk door de erfgenamen worden betaald, omdat erflater medeschuldenaar was van die hypotheekschuld. Zij is financieel volledig afhankelijk van haar pensioen, dat volgens haar netto € 1.288,77 per maand bedraagt. Voorts heeft verzoekster aangevoerd dat zij, gezien haar bescheiden financiële middelen, niet in staat is passende vervangende woonruimte te vinden in de vrije huursector, niet is ingeschreven bij een woningbouwcorporatie en ook geen indicatie heeft voor een verzorgingstehuis. Evenmin heeft zij de middelen om een andere woonruimte te verwerven. Het is noch gesteld noch gebleken dat verzoekster een eigen vermogen heeft anders dan haar aandeel in de woning. Bovendien woont zij al 33 jaar in de woning en is zij ingebed in die sociale en kerkelijke omgeving en woont haar dochter in de nabije omgeving.
In het licht van het vorenstaande (rechtsoverwegingen 11 en 12) in onderlinge samenhang beschouwd rechtvaardigen de omstandigheden van het geval dat verzoekster behoefte heeft aan voortgezette bewoning van de deels aan haar in eigendom toebehorende woning en daarmee aan het recht van vruchtgebruik van de tot de nalatenschap van erflater behorende onverdeelde helft in die woning. Het hof zal de verweerders-executeurs verplichten tot medewerking aan de vestiging van het levenslang vruchtgebruik op de woning en de daarbij behorende inboedel. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de erfgenamen als hoofdgerechtigden de kantonrechter in voorkomend geval kunnen verzoeken het vruchtgebruik te beëindigen (art.4:33 lid 1 BW).
Anders dan verweerders kennelijk menen, worden nalatenschapscrediteuren beschermd door artikel 4:31 lid 1 BW en is het bestaan van die eventuele schuldeisers geen reden het vruchtgebruik niet te vestigen.
Verzorgingsvruchtgebruik artikel 4:30 BW 13. Verzoekster onderbouwt haar verzoek door te stellen dat zij een aanvullende behoefte heeft van € 548,00 netto per maand. Verzoekster is daarbij uitgegaan van de zogenaamde Hofnorm en niet van haar feitelijke behoefte. Artikel 4:30 BW is echter eveneens een vangnetbepaling en het had dan ook op de weg van verzoekster gelegen om in het licht van de gemotiveerde stellingen van verweerders aannemelijk te maken in hoeverre het verzorgingsvruchtgebruik van artikel 4:30 BW een passende voorziening is om in de kosten van haar huidige leefpatroon – dat beperkter is dan haar oude leefpatroon met erflater – te voorzien. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat verzoekster vanwege het verzorgingsvruchtgebruik van artikel 4:29 BW geringe woonlasten zal hebben. De beslissing van de kantonrechter met betrekking tot het onderhavige verzorgingsvruchtgebruik zal worden bekrachtigd.
Uitbreiding bevoegdheden vruchtgebruiker 14. Verzoekster heeft niet, dan wel onvoldoende onderbouwd waarom haar verzorgingsbehoefte het nodig maakt dat haar op de voet van artikel 4:31 BW de bevoegdheid wordt verleend het vruchtgebruikvermogen – in dit geval de woning en de daarbij behorende inboedel - te vervreemden en te verteren.
Dwangsom 15. Voor het opleggen van een dwangsom ziet het hof geen aanleiding. Dat verzoek is ook niet nader onderbouwd.
Proceskosten 16. Gezien de familierelatie tussen partijen (aanverwantschap) zal het hof de proceskosten compenseren.
BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP Het hof: vernietigt de beschikking van de kantonrechter van 11 augustus 2016 voor zover het het verzorgingsvruchtgebruik van artikel 4:29 BW betreft en, in zoverre opnieuw rechtdoende: veroordeelt de executeurs tot medewerking aan de vestiging van het recht van vruchtgebruik als bedoeld in artikel 4:29 BW op de tot de nalatenschap van erflater behorende onverdeelde helft van de eigendom van de woning staande en gelegen te [woonplaats 1] , [adres] , ten overstaan van een door verzoekster aan te wijzen notaris en op de door deze notaris te bepalen termijn; bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige; compenseert de kosten van het geding in beide instanties in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt; wijst het anders of meer verzochte van zowel verzoekster als van de executeurs (verweerders) af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.H.N. Stollenwerck, A.E. Sutorius-van Hees en J. Zwagemaker, bijgestaan door A.J. Suderée als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 augustus 2017.