ECLI:NL:GHDHA:2017:2788
GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Uitspraak : 30 augustus 2017 Zaaknummer : 200.181.551/01 Rekestnummer rechtbank : FA RK 14-1975 Zaaknummer rechtbank : C/09/462193 [appellante] , wonende te [woonplaats] , verzoekster in hoger beroep, hierna te noemen: de vrouw, advocaat mr. E.G.S.N. Asselbergs te Den Haag, tegen [geïntimeerde] , wonende te [woonplaats] , verweerder in hoger beroep, hierna te noemen: de man, advocaat mr. F. Borger van der Burg-Holstege te Den Haag.
Als degene wiens/wier verklaring in verband met de beoordeling van het verzoek van betekenis kan zijn, is aangemerkt de Stichting Jeugdbescherming, gevestigd te [vestigingsplaats] , hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: de raad voor de kinderbescherming te [vestigingsplaats] , hierna te noemen: de raad.
VERDER PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP Het hof verwijst naar zijn (tussen)beschikking van 17 augustus 2016, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast dient te worden beschouwd.
Bij die beschikking is de vrouw niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep voor zover het de zorgregeling betreft. Voorts is, alvorens verder te beslissen, de raad verzocht een onderzoek te verrichten, toegespitst op de vraag of gezamenlijk gezag al dan niet in het belang van de hierna te noemen minderjarige is. De behandeling van de zaak is aangehouden tot 26 november 2016 pro forma. Voorts is iedere verdere beslissing aangehouden.
Nadien zijn bij het hof ingekomen:
Beide partijen hebben meegedeeld geen prijs meer te stellen op een nadere mondelinge behandeling, zodat het hof de zaak schriftelijk af zal doen.
VERDERE BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP 1. In geschil is nog het gezag ten aanzien van de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , hierna: de minderjarige.
De raad stelt dat gezamenlijk gezag alleen in het belang van de minderjarige is:
Nu die situatie niet aan de orde is, verzoekt de raad om het gezamenlijk gezag niet te handhaven.
De man acht het in het belang van de minderjarige dat zij zich een eigen mening kan vormen over de man. De man vindt het fijn dat hij vanwege de uithuisplaatsing op de hoogte wordt gehouden over de ontwikkeling van de minderjarige. De vader wenst dat ook indien de minderjarige weer bij de vrouw wordt geplaatst en om die reden verzoekt hij mede belast te blijven met het gezag, al dan niet in uitgeklede vorm. De man is bereid om de communicatie met de vrouw te verbeteren. De man zal na zijn detentie nagenoeg alles kwijt zijn (woning, werk, vrienden en dergelijke) maar een vorm van contact met de minderjarige is voor hem heel belangrijk.
Ouderlijk gezag 5. Het hof zal overeenkomstig het advies van de raad beslissen en komt derhalve tot de slotsom dat – gelet op het bepaalde in artikel 1:253c BW - afwijzing van het initiële verzoek van de man om hem met de vrouw met het gezamenlijk gezag over de minderjarige te belasten in het belang van het kind noodzakelijk is. Daarbij weegt het hof mee dat de ouders geen invulling geven aan het gezamenlijk gezag omdat de minderjarige onder toezicht is gesteld en uit huis is geplaatst. Vanwege zijn detentie ziet de man de minderjarige weinig waardoor hij niet tot nauwelijks in staat is om mede invulling te geven aan het gezag over de minderjarige. Bovendien is er geen enkele communicatie tussen de ouders. De raad heeft uiteengezet wanneer gezamenlijk gezag in het belang van de minderjarige zou zijn en het hof kan zich daarin vinden. De voorwaarden die de raad heeft genoemd teneinde een goede uitoefening van het gezamenlijk gezag mogelijk te maken zullen nog veel tijd in beslag nemen. De man acht het advies van de raad invoelbaar. De enige reden om samen met de vrouw het gezag over de minderjarige te willen uitoefenen is gelegen in het feit dat de man de angst heeft dat hij volledig uit het leven van de minderjarige zal verdwijnen, mede vanwege het feit dat hij de kans reëel acht dat de vrouw hem nimmer zal informeren over de ontwikkeling van de minderjarige. Dit argument neemt de genoemde belemmeringen voor een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening echter niet weg.
Daarnaast wijst het hof erop dat ingevolge artikel 1:377b lid 1 BW de ouder die met het gezag is belast is gehouden de niet met het gezag belaste ouder op de hoogte te stellen omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind en deze te raadplegen – zo nodig door tussenkomst van derden – over daaromtrent te nemen beslissingen. Gelet op deze wettelijke informatieplicht gaat het hof ervan uit dat de vrouw de man, al dan niet via haar advocaat, informeert over alle belangrijke zaken die de minderjarige betreffen.
Vorenstaande voert tot de slotsom dat het inleidend verzoek van de man met betrekking tot het gezamenlijk gezag alsnog moet worden afgewezen. Nu dit gezamenlijk gezag op grond van het bepaalde in artikel 1:253p BW wel een aanvang heeft genomen zal het hof beslissen als na te melden.
Proceskosten 6. Zoals gebruikelijk in zaken van familierechtelijke aard zal het hof de kosten van het geding in hoger beroep compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
BESLISSING OP HET HOGER BEROEP Het hof: vernietigt de bestreden beschikking voor zover thans nog aan het oordeel van het hof onderworpen en, in zoverre opnieuw beschikkende: wijst het verzoek van de man hem met de vrouw met het gezamenlijk gezag te belasten over de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] af, met dien verstande dat het gezag over de minderjarige voortaan weer alleen aan de vrouw toekomt; draagt de griffier van het hof op onverwijld van deze beslissing mededeling te doen aan de griffier van de rechtbank te Den Haag; verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad; compenseert de kosten van het geding in hoger beroep aldus, dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mrs. C.M. Warnaar, J.A. van Kempen en D. Wachter, bijgestaan door A.J. Suderée als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 augustus 2017.