Rolnummer: 22-000953-16 Parketnummer: 10-960147-14 Datum uitspraak: 6 oktober 2017 TEGENSPRAAK Gerechtshof Den Haag meervoudige kamer voor strafzaken zitting houdende in de extra beveiligde zittingszaal van de rechtbank Noord-Holland te Badhoevedorp. Arrest gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 18 februari 2016 in de strafzaak tegen de verdachte: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Afghanistan) op [geboortedag] 1988, adres: [adres]. Inhoudsopgave
(10)punten van waaraan te houden’. Daarop staan onder meer de punten: 1. Spreek met niemand via social media als die persoon in Syrië is; 2. Bespreek dit niet met zelfs jouw dichtstbijzijnde vrienden of familie. 3. Iedereen is hierover op de hoogte dus haast je met het oversteken van de grens. 4. Eet zoveel je kunt (…). (…). 8. Doe een medische test voordat je hier komt. (…). 9. Maak veel gebeden????. 10 Doe het alleen in de naam van Allah! 9. Tussen [medeverdachte 1] en de verdachte vonden WhatsApp-gesprekken plaats op onder andere 30 augustus 2014 waarin gesproken wordt over "een boodschappenlijst". [Medeverdachte 1] ontvangt vervolgens op 3 oktober 2014 via WhatsApp van de verdachte een bestand. Dit betreft een afbeelding van de boodschappenlijst waarop staat: facebook aanmaken, skype aanmaken, WhatsApp hebben, paspoort/ID kaart verlengen opnieuw aanvragen als smoes gestolen/kwijt, uitschrijven bij gemeente “studeren bij familie of zo”, ziekenfonds en die dingen stopzetten, diarree-pillen meenemen, stevige winterjas, boots, broeken, smartphone, ibuprofen, paracetamol, Nivea crème, thermokleding, veel geld. 10. Het hof stelt vast dat de genoemde ‘10 punten’ en ‘boodschappenlijst’ betrekkingen hebben op aanwijzingen en dingen die te doen staan alvorens af te reizen naar Syrië en/of Irak met het oog op het zich aansluiten bij de gewapende strijd. 11. Op de bij de doorzoeking van de woning van [medeverdachte 1] in beslag genomen mobiele telefoon IPhone 5C wordt aangetroffen een hadieth, een overlevering met regels voor oorlogsvoering, opgesteld door Abu Bakr, de eerste kalief. 12. De verdachte is op 25 november 2014 aangehouden. Onderdelen 2. A en B van de tenlastelegging 13. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij voor [betrokkene 1] ten behoeve van zijn reis naar Syrië heeft bemiddeld. Hij heeft gesteld dat [betrokkene 1] wist dat hij in Syrië was geweest en hem vroeg om hem in contact te brengen met mensen in Syrië, zodat hij naar het gebied van IS zou kunnen komen. De verdachte zou hebben aangegeven dat hij iemand kende, te weten [betrokkene 2], een goede vriend uit Arnhem, die in Syrië bij IS zit. 14. Tussen 30 september en 24 oktober 2014 voert de verdachte, gebruik makend van de naam ‘[nickname verdachte]’ via Facebook chatgesprekken met [betrokkene 2]. Op 30 september 2014 geeft de verdachte te kennen dat “een broeder met vakantie wil”. [Betrokkene 2] geeft aan dat deze broeder, wanneer hij arriveert in Kasienteb, met hem contact moet zoeken via Facebook. Het hof begrijpt dat met Kasienteb wordt bedoeld de stad Gazientep/Gaziantep, een stad in Zuid-Oost Turkije dichtbij de Syrische grens. Op 21 oktober 2014 zegt de verdachte dat het om [betrokkene 1] gaat, een “1.90m grote jonge kast, Somal”. [Betrokkene 2] geeft aan dat hij hem teskiaa wil geven. 15. Uit het dossier blijkt dat [moeder van betrokkene 1] op zaterdag 18 oktober 2014 een melding van vermissing heeft gedaan van haar zoon [betrokkene 1], geboren [geboortedatum betrokkene 1] te Somalië. Volgens de gemeentelijke basisadministratie is het laatste paspoort van [betrokkene 1] afgegeven te Arnhem op [datum] en blijkt uit dit paspoort dat hij 1.88 m lang is. 16. Op 19 oktober 2014 vindt er een gesprek plaats tussen de verdachte en [betrokkene 2], waarin deze laatste zegt dat “soma” niet online is. De verdachte reageert door te zeggen dat “hij er al bijna is”, via “[betrokkene 5], die hem gaat helpen over te steken”. [betrokkene 2] zegt dat hij de broeder (Soma) gaat proberen te bereiken in Jarabulus. Het hof berijpt dat het gaat om Jarabulus, een stad gelegen in Syrië aan de Turkse grens op ongeveer 90 kilometer van Gazienteb. 17. Ter terechtzitting in hoger beroep verklaart de verdachte over het gesprek met [betrokkene 2] van 21 oktober 2014 dat [betrokkene 2] bereid was [betrokkene 1] teskiaa te geven. Dat betekent dat hij garant voor hem wilde staan. Door garant te staan kon iemand in het gebied komen zonder een procedure te ondergaan. De verdachte verklaart eveneens dat hij [betrokkene 5] had gevraagd [betrokkene 1] te helpen, indien [betrokkene 2] hem niet kon helpen. Uit een chatgesprek tussen de verdachte en [betrokkene 5] van 17 oktober 2014 antwoordt de verdachte desgevraagd dat [betrokkene 1] zich wil aansluiten bij IS (“Ja bij IS”). Op de computer van de verdachte is een afbeelding (screenshot) van een kranten artikel aangetroffen, dat als kop heeft: “[betrokkene 5] ronselt moslimjongeren voor ISIS”. Vrijspraken Onderdelen 1. F van de tenlastelegging 18. Nu de onder F ten laste gelegde handelingen niet dienen ter voorbereiding van de eigen uitreis van de verdachte en zijn aansluiting bij Jabhat al-Nusra, wordt de verdachte vrijgesproken van dit onderdeel van de tenlastelegging. Onderdelen 2. C en D van de tenlastelegging 19. Nu in het dossier geen bewijsmiddelen voorhanden zijn, waaruit blijkt dat de verdachte rechtstreeks aan [betrokkene 1] een reisroute en een contactpersoon heeft doorgegeven, wordt de verdachte vrijgesproken van deze onderdelen van de tenlastelegging. Bespreking van het verweer van de verdachte inzake het alternatief scenario met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde 20. De verdachte heeft aangevoerd dat hij naar het gebied van Jabhat al-Nusra in Syrië wilde reizen om een transportonderneming op te zetten. Daartoe zou de verdachte eerst enquêtes afnemen om er achter te komen wat het aanbod en de vraag was en welke prijzen hij zou kunnen vragen. 21. Het hof stelt voorop dat het dossier (bijvoorbeeld afgeluisterde telefoongesprekken of chats) geen aanknopingspunten voor de juistheid van het scenario van de verdachte biedt. De verdachte heeft zijn voornemen om aldaar een transportbedrijf op te zetten ook desgevraagd ter terechtzitting in hoger beroep geen handen en voeten gegeven. 22. Uit de ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring van de deskundige Weggemans leidt het hof af dat het hoogst onwaarschijnlijk – maar niet uitgesloten – is dat men in het gebied van Jabhat al-Nusra civiele functies kan uitoefenen zonder je daadwerkelijk aan te sluiten. Hij acht het onwaarschijnlijk dat iemand naar Jabhat al-Nusra gebied gaat om iets anders te doen dan strijden, maar het is niet uitgesloten. De kans is volgens de deskundige groot dat je bij de strijd betrokken raakt. Dat is naar het oordeel van het hof eens te meer aannemelijk nu het hiervoor uit de bewijsmiddelen afgeleid dat de verdachte naar het strijdgebied van Jabhat al-Nusra in Syrië wilde vertrekken. 23. Bij die stand van zaken acht het hof het alternatieve scenario, dat de verdachte eerst marktonderzoek ter plaatse zou verrichten en vervolgens een transportonderneming zou opzetten, niet aannemelijk geworden. Het had op de weg van de verdachte gelegen concretere aanknopingspunten hierover te verschaffen. Ten slotte neemt het hof in aanmerking dat de verdachte op 25 november 2014 is aangehouden, vervolgens is verhoord en hoofdzakelijk heeft gezwegen, maar pas op 12 mei 2015 heeft verklaard dat hij in Syrië “samen met [betrokkene 6], die net is omgekomen bij een bombardement,” een transportonderneming wilde opzetten in het vervoeren van mensen en aardappelen, groenten en fruit. Ter terechtzitting van 14 februari 2016 heeft de verdachte aangevoerd dat hij in gebied dat in handen was van Jabhat al-Nusra een transportbedrijfje wilde opzetten. 7.1.4. Overwegingen van het hof met betrekking tot de tenlastelegging ten aanzien van de feiten 1 en 2 in relatie tot art. 96, lid 2, Sr 7.1.4.1 Oogmerk en concretisering 1. Met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde feit leidt het hof uit de vastgestelde feiten met betrekking tot de gedragingen van de verdachte af dat hij samen met [medeverdachte 1] wilde afreizen naar Syrië en zich wilde aansluiten bij Jabhat al-Nusra. 2. Ten aanzien van het onder 2 primair I ten laste gelegde feit leidt het hof uit de vastgestelde feiten met betrekking tot de gedragingen van de verdachte af dat hij [betrokkene 2] en [betrokkene 5] heeft trachten te bewegen behulpzaam te zijn en om gelegenheid of inlichtingen te verschaffen om [betrokkene 1] te helpen bij zijn aansluiting bij IS na zijn uitreis vanuit Nederland naar Syrië. 3. Het oogmerk om een van de terroristische misdrijven voor te bereiden volgt uit deze vaststellingen, aangezien deelname aan de gewapende strijd in Syrië aan de zijde van deze strijdgroepen altijd het plegen van terroristische misdrijven inhoudt. 4. Uit de vooropstelling van het hof zoals hiervoor in hoofdstuk 6 is vermeld volgt dat in de gewapende strijd dagelijks – samengevat weergegeven – wordt gemoord, brand wordt gesticht en explosies teweeg worden gebracht. De beoogde aansluiting van de verdachte, [medeverdachte 1] en [betrokkene 1] bij de gewapende strijd levert aldus een voldoende nadere bepaling op van de in de artikelen 157 junto 176b en/of 289(
- a)en/of 288a Sr beschreven terroristische misdrijven. 7.1.5 Slotsom ten aanzien van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten Feit 1 1. Op grond van hetgeen door het hof wettig en overtuigend bewezen is verklaard, is het hof van oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het met het oogmerk om het plegen van de in de artikelen 157 juncto 176b, 289(
- a)en 288a Sr genoemde misdrijven voor te bereiden of te bevorderen, door inlichtingen tot het plegen van misdrijven aan zich en/of anderen te verschaffen. Feit 2 primair I 2. Op grond van hetgeen door het hof wettig en overtuigend bewezen is verklaard, is het hof van oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het met het oogmerk om het plegen van de in artikelen 157 juncto 176b, 289 en 288a Sr genoemde misdrijven voor te bereiden of te bevorderen, meerdere personen heeft trachten te bewegen daartoe behulpzaam te zijn of om gelegenheid of inlichtingen te verschaffen. 7.2 Feit 2 primair II 7.2.1 Vrijspraak 1. Onder feit 2 primair II wordt de verdachte cumulatief dan wel alternatief verweten dat hij medeplichtig is aan de deelname van een ander, te weten [betrokkene 1], aan een terroristische organisatie. 2. Hiervoor heeft het hof bewezen verklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan voorbereiding/bevordering van terroristische misdrijven door deze [betrokkene 1] behulpzaam te zijn bij het afreizen naar Syrië en zich aansluiten bij IS. 3. Het hof kan echter op basis van het dossier niet vaststellen dat [betrokkene 1] zich daadwerkelijk heeft aangesloten bij IS. 4. Het hof zal de verdachte derhalve van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken. 7.3 Feit 4: Financiering van terrorisme 7.3.1 Juridisch kader financieren van terrorisme 1. Het ten laste gelegde onder 4 is toegesneden op art. 421 Sr, waarin het financieren van terrorisme strafbaar is gesteld. 2. Art. 421 Sr luidt als volgt: 1. Als schuldig aan het financieren van terrorisme wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren of geldboete van de vijfde categorie: a. hij die zich of een ander opzettelijk middelen of inlichtingen verschaft dan wel opzettelijk voorwerpen verzamelt, verwerft, voorhanden heeft of aan een ander verschaft, die geheel of gedeeltelijk, onmiddellijk of middellijk, dienen om geldelijke steun te verlenen aan het plegen van een terroristisch misdrijf of een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf; b. hij die zich of een ander opzettelijk middelen of inlichtingen verschaft dan wel opzettelijk voorwerpen verzamelt, verwerft, voorhanden heeft of aan een ander verschaft, die geheel of gedeeltelijk, onmiddellijk of middellijk, dienen om geldelijke steun te verlenen aan het plegen van een van de misdrijven omschreven in: - de artikelen 117 tot en met 117b alsmede artikel 285, indien dat misdrijf is gericht tegen een internationaal beschermd persoon of diens beschermde goederen; - de artikelen 79 en 80 van de Kernenergiewet, de artikelen 161quater, 173a en 284a alsmede de artikelen 140, 157, 225, 310 tot en met 312, 317, 318, 321, 322 en 326, indien het feit opzettelijk wederrechtelijk handelen betreft met betrekking tot kernmateriaal; - de artikelen 162, 162a, 166, 168, 282a, 352, 385a tot en met 385d; - de artikelen 92 tot en met 96, 108, 115, 121 tot en met 123, 140, 157, 161, 161bis, 161sexies, 164, 170, 172, 287, 288 en 289, indien het feiten betreft die worden gepleegd door middel van het opzettelijk wederrechtelijk tot ontlading of ontploffing brengen van een springstof of ander voorwerp, of het laten vrijkomen, verspreiden of inwerken van een voorwerp, waardoor levensgevaar, gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of aanzienlijke materiële schade te duchten is. 2. Onder voorwerpen worden verstaan alle zaken en alle vermogensrechten. 3. Art. 421 Sr is op 1 september 2013 in werking getreden. 4. Art. 421 Sr geeft uitvoering aan art. 2 jo. art. 4 van het Internationaal Verdrag ter bestrijding van de financiering van terrorisme (verder: het Verdrag). Dit Verdrag is op 10 april 2002 voor Nederland in werking getreden. 5. Art. 2 van het Verdrag luidt als volgt: 1. Een persoon pleegt een strafbaar feit in de zin van dit Verdrag indien deze persoon met enig middel, rechtstreeks of onrechtstreeks, wederrechtelijk en opzettelijk fondsen verstrekt of vergaart met de bedoeling die te gebruiken of met de wetenschap dat die, geheel of gedeeltelijk, gebruikt zullen worden ter uitvoering van: a. een gedraging/handeling die een strafbaar feit vormt binnen het toepassingsgebied van en als omschreven in een van de verdragen vermeld in de bijlage; of b. enige andere gedraging/handeling bedoeld om de dood van of ernstig lichamelijk letsel te veroorzaken bij een burger, of een ander persoon die niet actief deelneemt aan de vijandelijkheden in een situatie van gewapend conflict, wanneer het doel van die gedraging/handeling, door haar aard of context, is een bevolking te intimideren of een regering of internationale organisatie te dwingen tot het verrichten of het zich onthouden van een handeling; […] 3. Om een gedraging/handeling een strafbaar feit te doen zijn als omschreven in het eerste lid, is het niet noodzakelijk dat de fondsen feitelijk zijn gebruikt voor het plegen van een strafbaar feit bedoeld in het eerste lid, onderdelen a. of b. 4. Een persoon pleegt eveneens een strafbaar feit indien deze persoon een poging doet tot het plegen van een strafbaar feit in de zin van het eerste lid van dit artikel. 5. Een persoon pleegt eveneens een strafbaar feit indien deze persoon: a. als medeplichtige deelneemt aan een strafbaar feit als omschreven in het eerste of vierde lid van dit artikel; b. het plegen van een strafbaar feit als omschreven in het eerste of vierde lid van dit artikel organiseert of anderen opdracht geeft tot het plegen daarvan; c. bijdraagt tot het plegen van een of meer strafbare feiten als omschreven in het eerste of vierde lid van dit artikel door een groep personen die optreden met een gemeenschappelijk doel. Deze bijdrage dient opzettelijk te zijn en te worden geleverd: i. hetzij met het oog op de bevordering van de criminele activiteit of het criminele doel van de groep, wanneer een dergelijke activiteit of doel het plegen van een strafbaar feit inhoudt als omschreven in het eerste lid van dit artikel; of ii. hetzij met de wetenschap van de bedoeling van de groep een strafbaar feit als omschreven in het eerste lid van dit artikel te plegen. 6. Op grond van art. 4 van het Verdrag zijn de staten partij bij het Verdrag gehouden de in art. 2 omschreven strafbare feiten strafbaar te stellen in hun respectievelijke nationale wetgeving en daarop passende straffen te stellen die rekening houden met de ernst van de feiten. 7. Uit de Memorie van Toelichting bij de goedkeuring en uitvoering van het Verdrag in 2001 volgt dat de wetgever indertijd het standpunt innam dat aan de verplichting tot strafbaarstelling ingevolge het bepaalde in art. 2 jo. art. 4 van het Verdrag kon worden voldaan op grond van de reeds bestaande in het Wetboek van Strafrecht opgenomen bepalingen, waaronder in het bijzonder de voorbereiding van een misdrijf als bedoeld in art. 46 en de strafbaar gestelde deelneming aan een organisatie die het oogmerk heeft om misdrijven te plegen in art. 140 Sr. 8. De wetgever is inmiddels tot de slotsom gekomen dat de indertijd gekozen benadering op een enkel punt niet helemaal sluitend was. In de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de invoering van art. 421 Sr wordt dat als volgt toegelicht: ‘Enkele van de zeer vele bij de ratificatie van de afzonderlijke verdragen aangewezen strafbare feiten als zijnde nodig voor uitvoering van die verdragen, werden niet bedreigd met een gevangenisstraf van acht jaren of hoger; nochtans een vereiste voor toepassing van artikel 46 Sr.’ 9. Het voorgaande liet echter onverlet dat in de visie van de wetgever de Nederlandse wetgeving ook met de keuze om terrorismefinanciering niet apart strafbaar te stellen, voldeed aan de Speciale Aanbeveling II van de Financial Action Task Force (verder: FATF) uit 2004 (thans Aanbeveling 5), gelezen in samenhang met de door de FATF opgestelde Interpretative Note (een verbindende uitleg), waarin een elftal eisen zijn geformuleerd waaraan de strafbaarstelling van terrorismefinanciering dient te voldoen. 10. In 2011 heeft de FATF naar aanleiding van de evaluatie van het Nederlandse beleid en de wetgeving inzake de bestrijding van witwassen en de terrorismefinanciering aan Nederland de aanbeveling gedaan voor de bestrijding van het financieren van terrorisme toch te komen tot een autonome strafbaarstelling van terrorismefinanciering. Met de invoering van art. 421 Sr is uitvoering gegeven aan de genoemde aanbeveling. Een zelfstandige strafbaarstelling werd gezegd toch een meerwaarde te kunnen hebben in termen van eenvoudige toepassing en herkenbaarheid. Voorts bood het opstellen van een autonome strafbaarstelling de gelegenheid om inhoud en bereik van de strafbaarstelling te verduidelijken. 7.3.2 Bestanddelen van art. 421 Sr 7.3.2.1 Het opzet op het financieren van terrorisme 1. De wetgever heeft ervoor gekozen het vereiste opzet bij de dader tot uitdrukking te laten komen in de delictsomschrijving door opneming van de term ‘opzettelijk’ in art. 421 Sr. Op deze wijze wordt uitvoering gegeven aan art. 2 van het Verdrag, waarin wordt verplicht tot strafbaarstelling van verstrekking van financiële middelen als dit geschiedt ‘met de bedoeling die te gebruiken of met de wetenschap dat die, geheel of gedeeltelijk, gebruikt zullen worden’. 2. De wetgever heeft met de term ‘opzettelijk’ beoogd zowel het oogmerk als het voorwaardelijk opzet in de strafbaarstelling tot uitdrukking te laten komen. Ter toelichting merkt de Minister van Veiligheid en Justitie in de Nota naar aanleiding van het verslag bij het wetsvoorstel dat tot de invoering van art. 421 Sr heeft geleid, hierover op: ‘Het in artikel 2 van het VN Verdrag opgenomen «met de bedoeling dat» komt overeen met de uitleg die in het Nederlandse strafrecht doorgaans wordt gegeven aan handelen «met het oogmerk om». Het oogmerk veronderstelt een sterke wil bij de dader van het beoogde resultaat van zijn handelen. Het vaststellen van voorwaardelijk opzet is daarvoor onvoldoende. In de Nederlandse strafrechtsleer wordt de tweede opzetmodaliteit die artikel 2 van het VN Verdrag vermeldt, «met de wetenschap dat», beschouwd als een meer algemene uitdrukking van het opzet van de dader. Hiervoor is in beginsel het vaststellen van voorwaardelijk opzet – bewust de aanmerkelijke kans aanvaarden dat het handelen het vermelde resultaat heeft – voldoende (J. de Hullu, Materieel strafrecht, vierde druk, 2009, blz. 245-249). (…) Hieruit volgt ook dat telkens voorwaardelijk opzet bij de dader voldoende is voor strafbaarheid: dat hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat zijn handelen dient om geldelijke steun te verlenen aan het plegen van daden van terrorisme.’ 3. De dader behoeft niet het oog te hebben op het financieren van een specifiek misdrijf. Bewezen moet worden dat het opzet van de dader is gericht op het financieren van een misdrijf dat valt binnen de in artikel 421 Sr genoemde verzameling misdrijven, zonder dat daarbij van belang is om welk misdrijf het exact gaat. 4. Evenmin is van belang of ‘het na de verstrekte geldelijke steun uiteindelijk komt tot het plegen van een daad van terrorisme.’ 5. Van strafbaarheid is verder ook sprake wanneer bij het plegen van een daad van terrorisme daarbij de verleende geldelijke steun niet is gebruikt. 6. Het is niet van belang hoe het gefinancierde terroristische misdrijf na voltooiing uiteindelijk strafrechtelijk wordt gekwalificeerd. ‘(W)ordt het feit slechts aangemerkt als eenvoudige zaaksvernieling (artikel 350 Sr), dan doet dit niet af aan de strafbaarheid van de financiering als deze zag op een gekwalificeerde vorm van vernieling – bijvoorbeeld vernieling met een terroristisch oogmerk (artikel 354a Sr) of de vernieling van een luchtvaartuig (artikel 168 Sr) genoemd in onderdeel b van het eerste lid van het voorgestelde artikel 421 Sr.’ 7. Op grond van punt 2 van de Interpretative note bij Aanbeveling 5 van de FATF is de wetgever voorts ook gehouden de financiering van (individuele) terroristen en terroristische organisaties strafbaar te stellen. Deze Interpretative note houdt op dit punt in: 2. Terrorist financing offences should extend to any person who wilfully provides or collects funds or other assets by any means, directly or indirectly, with the unlawful intention that they should be used, or in the knowledge that they are to be used, in full or in part: (
- a)to carry out a terrorist act(s); (
- b)by a terrorist organisation; or (
- c)by an individual terrorist. 8. De wetgever heeft daar uitvoering aan gegeven via de band van het voorwaardelijk opzet. In de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel dat tot de invoering van art. 421 Sr heeft geleid wordt daarover het volgende opgemerkt: Ten slotte merk ik op dat op basis van het hiervoor uiteengezette opzetverband, de strafbaarstelling van het verlenen van geldelijke steun ook meer in het algemeen het financieel steunen van een persoon of van organisaties die zich bezighouden met het plegen van daden van terrorisme kan betreffen, indien daarmee door de verdachte bewust de aanmerkelijke kans wordt aanvaard dat de verstrekte gelden worden aangewend voor het plegen van dergelijke daden. 9. In de hiervoor reeds genoemde Nota naar aanleiding van het Verslag stelt de Minister van Veiligheid en Justitie nadrukkelijk dat het verstrekken van geldelijke steun aan een persoon wiens betrokkenheid bij terrorisme bekend is, strafbaar is. De verstrekker van de geldelijke steun moet wel wetenschap hebben van de betrokkenheid bij terroristische activiteiten van de ontvanger van de geldelijke steun. De Minister van Veiligheid en Justitie zegt hierover het volgende: Verder verheft de autonome strafbaarstelling boven elke twijfel dat de poging tot het plegen van het misdrijf financieren van terrorisme in alle omstandigheden strafbaar is. Hetzelfde geldt voor het verstrekken van geldelijke steun aan een persoon wiens betrokkenheid bij terrorisme bekend is: [onderstreping van het hof] op basis van de voorgestelde strafbaarstelling is het verschaffen van geldelijke steun aan een dergelijk persoon strafbaar via de band van (voorwaardelijk) opzet. 10. Samengevat houdt het voorgaande in dat op grond van het bepaalde in artikel 421 Sr met het verstrekken van geldelijke steun aan een persoon wiens betrokkenheid bij terrorisme bij de verdachte bekend is, de verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat deze gelden worden aangewend voor het plegen van terroristische misdrijven. 11. Voor de bewijsbaarheid van een op art. 421 Sr toegesneden tenlastelegging speelt geen rol of de verdachte heeft gehandeld uit loyaliteitsgevoelens jegens een familielid of (goede) vriend dan wel uit ideologische overtuiging. 7.3.2.2 Misdrijven waarop de financiering ziet 1. In de eerste plaats zijn de daden van terrorisme waarop de financiering kan zien, die welke op grond van artikel 421, lid 1, Sr als terroristisch misdrijf zijn aangemerkt door de Wet terroristische misdrijven ter implementatie van het Kaderbesluit terrorismefinanciering. Verwezen zij naar art. 83 Sr. 2. In de tweede plaats wordt in art. 421, lid 1, Sr strafbaar gesteld de financiering van de misdrijven ter voorbereiding en vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf. Deze misdrijven zijn in art. 83b Sr als misdrijven ter voorbereiding en vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf aangemerkt door de Wet van 12 j uni 2009. Dit heeft mede plaatsgevonden naar aanleiding van de uitvoering van het op 16 mei 2005 te Warschau tot stand gekomen Europees Verdrag ter voorkoming van terrorisme van de Raad van Europa. 3. De Memorie van Toelichting bij de wet die tot invoering van art. 421 Sr heeft geleid, biedt enkele voorbeelden: Deze is denkbaar, bijvoorbeeld in de vorm van geldelijke ondersteuning van een opruiingscampagne (artikel 131 Sr) of van een netwerk gericht op rekrutering van personen voor de gewapende strijd in het buitenland (artikel 205 Sr). 4. In de derde plaats wordt in art. 421, lid 2, Sr een opsomming gegeven van Nederlandse strafbepalingen die uitvoering geven aan de verplichting tot strafbaarstelling van het financieren van bepaalde gedragingen uit negen verdragen van de Verenigde Naties zoals in het Verdrag omschreven. 5. Tot slot is ook de financiering van individuele terroristen en van terroristische organisaties strafbaar. Die strafbaarheid is een uitwerking van de in punt 2 van de Interpretative note bij Aanbeveling 5 opgenomen verplichting. In de Memorie van Toelichting wordt uitgelegd dat aan deze verplichting uitvoering wordt gegeven langs de weg van het voorwaardelijk opzet zoals ook hiervoor reeds is opgemerkt. De geldelijke ondersteuning van een persoon die volgens de FATF-terminologie dient te worden aangeduid als «terrorist» (zijnde een persoon die terroristische daden pleegt, dan wel aan het plegen daarvan als medeplichtige, of als leider van of deelnemer aan een organisatie acteert die tot oogmerk heeft het plegen terroristische misdrijven) is via de band van voorwaardelijk opzet strafbaar: de dader aanvaardt bewust de aanmerkelijke kans dat de verstrekte gelden worden aangewend voor het plegen van terroristische daden. 6. De achterliggende gedachte, zo begrijpt het hof, is dat met de – al dan niet individuele - financiering de terroristen en de terroristische organisaties in staat worden gesteld hun misdrijven te blijven plegen. 7.3.2.3 De financieringshandelingen In de Memorie van Toelichting wordt aangegeven dat het financieren van terrorisme een veelvoud van verschijningsvormen kan aannemen. Het gaat om ‘alle wijzen waarop in financieel en economisch opzicht steun wordt geboden aan het plegen van daden van terrorisme of feiten die daarmee direct verband houden.’ In de delictsomschrijving wordt dit samengevat als het ‘verlenen van geldelijke steun’, hetgeen inhoudt het verlenen van enig in geld waardeerbaar voordeel. Het is niet van belang om welke voorwerpen het gaat waarmee het voordeel wordt verleend, noch of deze een legale of illegale herkomst hebben. De zinsneden ‘geheel of gedeeltelijk’ en ‘onmiddellijk of middellijk’ leiden ertoe dat ook financiering van slechts een deel van een terroristische daad of financiering die plaatsvindt via andere personen of rechtspersonen, onder de werking van de strafbepaling valt. 7.3.3 Standpunten van het openbaar ministerie en van de verdediging 7.3.3.1 Standpunten van het openbaar ministerie Het openbaar ministerie heeft zich op het standpunt gesteld - kort en zakelijk weergegeven, nader toegelicht in het overgelegde op schrift gestelde requisitoir – dat op grond van de in het requisitoir vervatte bewijsmiddelen het feit wettig en overtuigend kan worden bewezen. 7.3.3.2 Standpunten van de verdediging De verdediging heeft zich ter terechtzitting gerefereerd aan het oordeel van het hof. 7.3.4 De door het hof vastgestelde feiten 1. Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting stelt het hof het volgende vast. Het hof volgt de volgorde van de tenlastelegging bij de beoordeling van de vaststelling van de feiten. 2. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij in het verleden, ook in 2014, betrokken is geweest bij het sturen van geld naar Syrië. 3. De verdachte maakte gebruik van WhatsApp, Facebook en Skype voor het onderhouden van contacten met personen in Syrië. Onderdeel A van de tenlastelegging 4. De verdachte is volgens zijn eigen verklaring in november 2013 in Syrië geweest. Hij is begin december naar Nederland teruggekeerd. Via chatgesprekken onderhield de verdachte – toen hij weer terug was in Nederland - contacten met o.a. [bijnaam betrokkene 6] en [betrokkene 3]. De verdachte is tijdens zijn verblijf in Syrië met hen opgetrokken. De officiële naam van [bijnaam betrokkene 6] is [betrokkene 6]. Die van [betrokkene 3] is volgens een krantenbericht waar de verdachte en [betrokkene 3] over chatten [geboortenaam betrokkene 3]. [Betrokkene 3] wordt in dat krachtenbericht aangeduid als ‘[titel krantenbericht]’. [Betrokkene 3] zegt in dat chatgesprek tegen de verdachte “Did u see me on the news bruvv (…) Type in google [zoekterm]”. De verdachte zoekt klaarblijkelijk het krachtenbericht op en reageert dan met “hahahaja (…) I saw it”. 5. Uit een door de verdachte gevoerd WhatsApp-gesprek op 6 januari 2014 met [betrokkene 6] en later met [betrokkene 3] volgt dat de verdachte tijdens zijn verblijf in Syrië spullen in de stad Kafr Hamrah heeft achtergelaten waaronder een heuptasje met geld. In het voornoemde chatgesprek met [betrokkene 6] zegt de verdachte tegen [bijnaam betrokkene 6] “Er zit ook een heuptasje bij daar zit doekoes enzo in, hou dat bij je.” In een later gesprek via WhatsApp op 25 januari 2014 tussen de verdachte en [betrokkene 3] bevestigt deze laatste dat [bijnaam betrokkene 6] de tas heeft ontvangen. [Betrokkene 3] zegt hierover: “[bijnaam betrokkene 6] recievied ur bag.” De verdachte geeft dan aan dat hij dat al wist. De verdachte heeft [betrokkene 6] ([bijnaam betrokkene 6]) derhalve geld gegeven. 6. De verdachte bespreekt in een WhatsApp-gesprek dat [betrokkene 6] is omgekomen in Syrië op 23 september 2014. De verdachte geeft aan dat het Amerikaanse raketten waren en desgevraagd geeft hij ook aan dat [betrokkene 6] op dat moment niet op missie was maar aan het rusten. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep hierover gezegd dat het is gebeurd tijdens een bombardement van de coalitie. In een WhatsApp-gesprek ook op die dag vraagt de verdachte aan [betrokkene 3] of [bijnaam betrokkene 6] ([betrokkene 6]) als martelaar is gestorven (“Did [bijnaam betrokkene 6] go shaheed”). [Betrokkene 3] beantwoordt die vraag bevestigend. Hij beschrijft ook dat hij [betrokkene 6] in zijn armen had toen hij nog leefde en dat “he was in soo much peace”. Over de functie van [bijnaam betrokkene 6] heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep gezegd dat [bijnaam betrokkene 6] een soort politieman was en zich bezig hield met het bewaken en bevestigen van de orde. 7. [ Betrokkene 6] was uit Nederland afkomstig. Het hof komt tot die slotsom op basis van de volgende feiten en omstandigheden. [Betrokkene 6] sprak Nederlands in zijn gesprekken met de verdachte. Na het overlijden van [betrokkene 6] neemt de verdachte contact op met de zus van [betrokkene 6] die gebruikt maakt van een Nederlands telefoonnummer ([zus betrokkene 6]). De verdachte blijkt de pinpas behorende bij de bankrekening bij de ING van [betrokkene 6] in zijn bezit te hebben. 8. [ Betrokkene 6] was een uit Nederland afkomstige jihadstrijder. Het Hof heeft daarbij in aanmerking genomen dat uit het eerder genoemde rapport ‘Bestemming Syrië’ blijkt dat “de overgrote meerderheid van buitenlandse mannen naar Syrië afreist om als strijder een bijdrage te leveren aan de gewapende strijd, (…) dat dit zeker het geval is voor personen die zich bewust aan willen sluiten bij kleinere strijdgroepen”, over welke vaststelling door één van de opstellers van het rapport, D.J. Weggemans, als getuige ter terechtzitting in hoger beroep is verklaard: “Begin 2013 waren de beelden van wat er in die regio gebeurde anders dan in 2014. In 2013 was het beeld dat men hulp ging verlenen in de regio. Naarmate de tijd vorderde, werd voor de meeste mensen wel duidelijk dat strijden het kernelement zou worden”. Meer in het bijzonder heeft het hof met betrekking [betrokkene 6] gelet op de verwijzing door de verdachte naar de functie van [betrokkene 6] als politieman, de opmerking dat hij op (andere momenten) op missie ging in samenhang met de vraag van de verdachte of [betrokkene 6] als martelaar is gestorven. Deze vraag van de verdachte en het instemmende antwoord bevestigt het beeld dat [betrokkene 6] een jihadstrijder was waarbij het sterven als martelaar wordt gepresenteerd als een van de vooruitzichten binnen de context van de gewapende jihadstrijd. 9. Op grond van het voorgaande in onderlinge samenhang beschouwd, stelt het hof vast dat [betrokkene 6] in Syrië deelnam aan de gewapende jihadstrijd en dat de verdachte daar wetenschap van had. Onderdeel B van de tenlastelegging 10. De verdachte heeft via WhatsApp op zijn Wolfgang telefoon gesprekken met een persoon die zich [betrokkene 7] noemt in de maand februari en maart 2014. Deze persoon maakt gebruik van het Syrische telefoonnummer [telefoonnummer betrokkene 7]. 11. De verdachte zegt in een gesprek met [betrokkene 7] via WhatsApp op 25 maart 2014 dat hij geld heeft verzameld voor broeders. Hij zegt al “2 doezoe” te hebben. De verdachte voegt daar aan toe: “Loopt nog meer op.” [Betrokkene 7] zegt dat [bijnaam betrokkene 6] ([betrokkene 6]) het zal gaan verdelen. In een gesprek van 5 april 2014 meldt de verdachte dat er (inmiddels) geld is gestuurd, dat het onderweg is en dat er een deel voor [betrokkene 7] bij zit. 12. Op 31 januari 2014 vraagt de verdachte in een chatgesprek met [betrokkene 7] om gruwelijke foto’s van hemzelf en de broeders. Op 6 februari 2014 zegt [betrokkene 7] desgevraagd tegen de verdachte dat de broeders op ribaat zijn. Ribaat duidt in deze context op deelname aan de gewapende strijd door het bewaken van grensgebieden en/of checkpoints. [Betrokkene 7] vertelt verder ook over een jongen die als martelaar is gestorven, omdat een mast op hem was gevallen door een schietactie van een tank. Het hof gaat op grond van het voorgaande ervan uit [betrokkene 7] ook betrokken is bij de gewapende strijd in Syrië. Nu de verdachte met [betrokkene 7] over deze zaken spreekt en zijn ervaringen met de verdachte deelt en tevens blijk geeft dat [betrokkene 7] en de andere broeders in gruwelijke situaties gefotografeerd kunnen worden, leidt het hof daaruit af dat de verdachte bekend was met deze achtergrond van jihadstrijder van [betrokkene 7]. Onderdeel C van de tenlastelegging 13. De verdachte heeft op zijn Samsung telefoon via WhatsApp contact onderhouden met de hiervoor genoemde [betrokkene 6]. Op 5 juni 2014 vraagt de verdachte aan [betrokkene 6] - die nog in Atmeh zegt te zijn - of de spullen al binnen zijn. Uit WhatsApp-gesprekken tussen beiden van latere datum volgt dat met ‘spullen’ wordt gedoeld op (mini)laptops en geld. Op 15 juni 2014 zegt de verdachte dat de HP laptop van hem komt en 650 euro. Onderdeel D van de tenlastelegging 14. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte aangegeven betrokken te zijn geweest, samen met [medeverdachte 2], bij het overmaken van geld naar een drietal personen in Syrië, te weten [betrokkene 6], [betrokkene 8] en [betrokkene 9]. 15. Uit de hierna te noemen feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien, leidt het hof af dat de verdachte met [medeverdachte 2] geld ter beschikking heeft gesteld aan (bevriende) jihadstrijders die in Syrië verbleven. [Medeverdachte 2] kende [betrokkene 9] uit de periode dat [betrokkene 9] nog in Nederland woonde. De verdachte was in ieder geval toen hij in Syrië verbleef eind 2013 met [betrokkene 6] bevriend geraakt. 16. De verdachte heeft aangegeven dat 600 van die 1000 euro van hem zelf afkomstig was. Volgens de verdachte was het de bedoeling dat deze 600 euro zou worden verdeeld onder [betrokkene 6], [betrokkene 8] en [betrokkene 9]. Dat volgt ook uit het Skype gesprek tussen [medeverdachte 2] en [betrokkene 9], waarin [medeverdachte 2] aangeeft dat 330 euro voor [betrokkene 9] bestemd is en 500 euro voor [bijnaam betrokkene 8], waarvan 270 voor [voornaam betrokkene 6] (het hof begrijpt: [betrokkene 6]). Het hof begrijpt dat met [bijnaam betrokkene 8] de persoon [betrokkene 8] wordt bedoeld, gelet op hetgeen de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard over voor wie het geld bedoeld was en het hierboven weergegeven Skypegesprek tussen [medeverdachte 2] en [betrokkene 9] over de geadresseerden van het geld. Op 29 september 2014 volgt uit een gesprek van [medeverdachte 2] met [betrokkene 9] dat de verdeling van het geld nu 50-50 % voor respectievelijk [betrokkene 9] en [betrokkene 8] wordt aangezien [betrokkene 6] was overleden. Tot slot volgt uit een gesprek op 8 oktober 2014 dat [betrokkene 9] het geld heeft ontvangen en hij [betrokkene 8] 500 euro heeft gegeven. 17. De verdachte voert een WhatsApp-gesprek met [betrokkene 10] die gebruik maakt van een Syrisch telefoonnummer. Op 7 maart 2014 vraagt de verdachte waar [bijnaam betrokkene 8] ([betrokkene 8]) is. [Betrokkene 10] antwoordt dat [bijnaam betrokkene 8] “ribat” is. Op 9 april 2014 zegt de verdachte dat [bijnaam betrokkene 8] nog iemand kent met een Western Union code en als hij die heeft, kan de verdachte nog een inzameling houden en geld opsturen. Daarop antwoordt [betrokkene 10] dat [bijnaam betrokkene 8] op ribat is en over 5 dagen weer terug is. 18. Op grond van het voorgaande stelt het hof vast dat [betrokkene 8] een jihadstrijder was die aan de gewapende strijd deelnam en voorts dat de verdachte wetenschap gelet op de gevoerde gesprekken met [betrokkene 10]. 19. Op grond van de Skype gesprekken tussen [medeverdachte 2] en [betrokkene 9] stelt het hof vast dat [betrokkene 9] aan de gewapende strijd deelneemt als jihadstrijder. [Betrokkene 9] vertelt [medeverdachte 2] dat hij veel heeft meegemaakt. Hij noemt: “ribaat, sniperen op leger, aanval, tegenaanval, van alles”. Hij geeft ook aan dat hij wil overstappen naar IS. Op de onder de verdachte inbeslaggenomen Hewlett Packard laptop is een afbeelding (een screenshot) aangetroffen van een chatgesprek tussen NN en [naam 1], waaruit blijkt dat deze laatste “morgen naar zijn plek gaat, kga met dawla mee vechten”. 20. Gelet op de omstandigheid dat de verdachte met [medeverdachte 2] bezig was met het inzamelen van geld voor de jihadstrijders in Syrië ([betrokkene 6] en [betrokkene 8]), de omstandigheid dat op de telefoon van de verdachte een tekstbericht aanwezig is, waarop vermeld staat dat [betrokkene 9] daags erna gaat vechten bij IS, kan het niet anders zijn dat de verdachte ook ermee bekend was – net als [medeverdachte 2] – dat [betrokkene 9] een jihadstrijder was. Onderdeel E van de tenlastelegging 21. De verdachte maakte gebruik van de nickname [nickname verdachte]. De verdachte heeft onder de naam [nickname verdachte] via Facebook contact met [betrokkene 2] die voorts ook gebruikt maakt van het skype account [skypenaam van betrokkene 2]. 22. In hun gesprekken via Facebook vraagt [betrokkene 2] aan de verdachte op 30 september 2014 of hij ‘floes’ kan sturen. Het hof heeft vastgesteld dat in de straattaal met ‘floes’ geld wordt bedoeld. De verdachte antwoordt hierop dat hij de week ervoor geld heeft gestuurd en dat hij het zal proberen. [Betrokkene 2] geeft vervolgens aan dat het “via western jonion binnen 24 uur en komt in zaak in turk” kan. Op 4 oktober 2014 antwoordt de verdachte op de vraag van [betrokkene 2] of hij wat geld heeft kunnen regelen bevestigend. De verdachte geeft aan dat hij het geld nog moet ophalen en dat [betrokkene 2] geduldig moet zijn. 23. Via Skype hebben [betrokkene 2] onder de naam [skypenaam betrokkene 2] en de verdachte ook contact onderhouden. De verdachte vertelt [betrokkene 2] op 11 oktober 2014 dat hij een broeder heeft gevonden die geld wil doneren en dat de broeder degene is die naar [betrokkene 2] toekomt op een termijn van 2 weken. Deze broeder zal dan geld meenemen. [Betrokkene 2] geeft aan dat hij niet op ribat zal gaan, totdat deze broeder aankomt. Op 17 oktober 2014 deelt de verdachte aan [betrokkene 2] mee dat de dag erop de ‘broeder’ zal vertrekken en dat hij voor [betrokkene 2] geld meeneemt. Op 24 oktober 2014 herhaalt de verdachte tegenover [betrokkene 2] dat geld naar hem onderweg is via de broeder die vanuit Nederland naar Syrië is vertrokken. Deze broeder zou [betrokkene 2] het geld geven en hij zou veel bij zich hebben. [Betrokkene 2] geeft aan dat hij de broeder aan het zoeken is. 24. [ Betrokkene 2] was een goede vriend van de verdachte. [Betrokkene 2] zat ten tijde van de ten laste gelegde feiten in Syrië bij IS. De verdachte was hiermee bekend. Dat heeft hij desgevraagd verklaard ter terechtzitting in hoger beroep. Slotsom 25. Gelet op het voorgaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder de onderdelen A t/m E van de tenlastelegging is verweten zoals in de bewezenverklaring nader is aangegeven. 7.3.5 Overwegingen van het hof met betrekking de tenlastelegging ten aanzien van feit 4 in relatie tot art. 421 Sr 7.3.5.1 Inleiding Het hof ziet zich in het kader van de tenlastelegging van feit 4 voor de vraag gesteld of de door het hof vastgestelde feiten, in hun onderlinge samenhang beschouwd, zijn aan te merken als het al dan niet medeplegen van het zich of een ander opzettelijk middelen of inlichtingen verschaffen dan wel opzettelijk voorwerpen verzamelen, verwerven, voorhanden hebben of aan een ander verschaffen, die geheel of gedeeltelijk, onmiddellijk of middellijk, dienen om geldelijke steun te verlenen aan het plegen van een terroristisch misdrijf of een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf als bedoeld in artikel 421, lid 1 Sr. 7.3.5.2 Het opzet op het financieren van terrorisme en de misdrijven waarop de financiering ziet 1. Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte opzet gehad op het in artikel 421, lid 1, Sr strafbaar gestelde misdrijf van het een ander opzettelijk middelen verschaffen die geheel of gedeeltelijk, onmiddellijk of middellijk, dienden om geldelijke steun te verlenen aan het plegen van een terroristisch misdrijf of een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijken van een terroristisch misdrijf. 2. Onder verwijzing naar hetgeen hiervoor ter zake van de feiten is vastgesteld, is het hof van oordeel dat de verdachte, al dan niet samen met [medeverdachte 2], met het (meermalen) sturen en/of ter beschikking stellen van geld naar/aan [betrokkene 6], [betrokkene 9], [betrokkene 8], [betrokkene 2] en/of [betrokkene 7] van wie de verdachte wist dat zij jihadstrijders waren en daarmee betrokken bij terrorisme, bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de door hem aan deze in Syrië verblijvende personen ter beschikking gestelde gelden zouden worden aangewend voor het plegen van een terroristische misdrijf of een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijken van een terroristisch misdrijf. 3. In dat verband acht het hof de navolgende feiten en omstandigheden zoals die op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg en hoger beroep naar voren zijn genomen, van belang. 4. De verdachte heeft geld ter beschikking gesteld aan de hiervoor onder 2 genoemde personen die deelnamen aan de gewapende Jihadstrijd in Syrië. Deze Jihadistisch strijdgroepen plegen ernstige misdrijven waarmee ze grote delen van de bevolking van Syrië ernstige vrees aan jagen in de zin van art. 83a Sr. Het hof verwijst hiervoor naar het hoofdstuk 6.2 inzake de achtergrond van de strijd in Syrië. De misdrijven die deze strijdgroepen plegen, zoals moord, doodslag, het teweegbrengen van ontploffingen e.d., worden dus begaan met een terroristisch oogmerk en zijn daarmee terroristische misdrijven. Deelneming aan de gewapende strijd in Syrië aan de zijde van deze strijdgroepen houdt dus in het plegen van terroristische misdrijven. 5. Door het bieden van individuele financiële ondersteuning aan deze Jihadstrijders worden zij in staat gesteld hun gewapende strijd te blijven voeren. 6. De slotsom is derhalve dat de verdachte naar het oordeel van het hof opzet heeft gehad op het in artikel 421 Sr strafbaar gestelde misdrijf van het financieren van terrorisme. 7.3.5.3 De financieringshandelingen 1. De verdachte heeft (in vereniging met een ander) vier maal geld gestuurd vanuit Nederland naar jihadstrijders in Syrië en één maal alleen geld ter beschikking gesteld aan een jihadstrijder in Syrië. 2. De verdachte heeft derhalve middelen ter beschikking gesteld aan iemand die als terrorist kan worden aangeduid. 7.3.6 Slotsom ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde feit Samenvattend is het hof van oordeel dat de verdachte op grond van de wettig en overtuigend bewezen verklaarde feiten zich schuldig heeft gemaakt aan (het medeplegen van) het financieren van terrorisme door [betrokkene 6], [betrokkene 9], [betrokkene 8], [betrokkene 2] en [betrokkene 7] opzettelijk middelen te verschaffen die geheel of gedeeltelijk, onmiddellijk of middellijk, dienden om geldelijke steun te verlenen aan het plegen van een terroristisch misdrijf of een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf. 7.4 Feit 3: deelname aan een criminele organisatie 7.4.1 Juridisch kader inzake art. 140a Sr 1. Het onder 3 ten laste gelegde is toegesneden op de strafbaarstelling van art. 140a Sr. 2. Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van (terroristische) misdrijven is strafbaar gesteld in artikel 140a Sr. Voorts is ook lid 4 van art. 140 Sr in dit verband van belang. Deze strafbepalingen luiden als volgt: – art. 140a Sr: 1. Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren of geldboete van de vijfde categorie. 2. Oprichters, leiders of bestuurders worden gestraft met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste dertig jaren of geldboete van de vijfde categorie. 3. Het vierde lid van artikel 140 is van overeenkomstige toepassing. – art. 140 Sr: (…) 4. Onder deelneming als omschreven in het eerste lid wordt mede begrepen het verlenen van geldelijke of andere stoffelijke steun aan alsmede het werven van gelden of personen ten behoeve van de daar omschreven organisatie. 3. Uit bestendige rechtspraak van de Hoge Raad over deelneming aan een organisatie als bedoeld in de art. 140 en 140a Sr volgt dat daarvan slechts dan sprake kan zijn, indien aan de volgende twee vereisten is voldaan. De betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband. De betrokkene heeft een aandeel in, dan wel ondersteunt, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in die artikelen bedoelde oogmerk. 4. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat het hiervoor in overweging 3 genoemde eerste vereiste (het behoren tot het samenwerkingsverband) ook geldt voor de in art. 140, lid 4 Sr en art. 140a, lid 3, Sr omschreven gedraging van het verlenen van geldelijke steun. De opvatting dat reeds het verlenen van geldelijke steun aan een organisatie als bedoeld in art. 140 en 140a Sr deelneming aan die organisatie oplevert, is derhalve onjuist. Nu het bij de invoering van art. 140, lid 4, en art. 140a, lid 3, Sr vooral ging om de verduidelijking van de rechtspraak ten aanzien van twee specifieke handelingen, volgt daar redelijkerwijs uit dat die verduidelijking betrekking heeft op het tweede vereiste in de rechtspraak over deelneming aan een organisatie als bedoeld in art. 140 en 140a Sr (het vereiste van een aandeel in of het ondersteunen van bepaalde gedragingen) welk vereiste immers de handelingen betreft. Het eerste vereiste, te weten het behoren tot het samenwerkingsverband, geldt daarnaast derhalve onverkort. 5. Het hierboven overwogene geldt - op grond van een wet- systematische uitleg - ook voor de overige in art. 140, vierde lid Sr en art. 140a, derde lid, Sr genoemde handelingen, te weten het verlenen van stoffelijke steun aan alsmede het werven van gelden of personen ten behoeve van een organisatie als bedoeld in voornoemde bepalingen. 6. Met betrekking tot het in overweging 3 onder 2. genoemde kan elke bijdrage aan de bedoelde organisatie strafbaar zijn. Een dergelijke bijdrage kan bestaan uit het (mede)plegen van het enig misdrijf, maar ook uit het verrichten van hand- en spandiensten en (dus) het verrichten van handelingen die op zichzelf niet strafbaar zijn, zolang van bovenbedoeld aandeel of ondersteuning kan worden gesproken. 7. Voor deelneming aan vorenbedoelde organisatie dient de verdachte in zijn algemeenheid te weten (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Daarbij is echter niet vereist dat de verdachte wetenschap of enige vorm van opzet heeft gehad ten aanzien van één of meerdere door de organisatie beoogde concrete misdrijven of dat hij heeft deelgenomen aan (reeds binnen de organisatie door andere deelnemers gepleegde) misdrijven. Een persoon is strafbaar vanwege alleen maar zijn deelneming aan voornoemde organisatie. 8. Hieraan vooraf gaat vanzelfsprekend dat sprake dient te zijn van een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven. Het hof zal hier niet verder ingaan op de juridische merites van de bestanddelen van een organisatie als bedoeld in art. 140 en 140a Sr, nu ter zake hiervan geen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is ingenomen en het hof ook anderszins geen reden ziet deze hier verder te bespreken anders dan hetgeen daarover reeds is overwogen ter zake in hoofdstuk 6 inzake enkele algemene bewijsoverwegingen. 7.4.2 Standpunten van het openbaar ministerie en van de verdediging 7.4.2.1 Standpunten van het openbaar ministerie In de visie van het openbaar ministerie staat vast dat de verdachte eind 2013/begin 2014 in Syrië is geweest en na terugkomst plannen heeft gemaakt om opnieuw uit te reizen, dit alles met het enkele doel om in Syrië in gebied dat in handen was van Jabhat al-Nusra deel te nemen aan de gewapende strijd. Ook heeft de verdachte veelvuldig geldelijke en andere stoffelijke steun verleend en personen als ook geld geworven ten behoeve van jihadstrijders in het strijdgebied in Syrië. Het openbaar ministerie stelt dat de verdachte door dit gedrag een aandeel heeft gehad in en gedragingen heeft ondersteund die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het terroristische oogmerk van de aldaar vechtende jihadistische strijdgroepen. De verdachte behoorde daarnaast tot een van de in Syrië vechtende Jihadistische strijdgroepen. 7.4.2.2 Standpunten van de verdediging De verdediging heeft in de eerste plaats betoogd – zakelijk en verkort weergeven - dat de verdachte geen aandeel heeft gehad in gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van een terroristisch oogmerk. De verdachte heeft enkel geld gestuurd naar personen die mogelijk streden. In de tweede plaats heeft de verdediging ontkend dat de verdachte opzet heeft gehad op het steunen van de organisatie. In dat verband stelt de verdediging dat niet kan worden vastgesteld dat het geld ten goede is gekomen aan de terroristische organisatie in de zin dat die organisatie er profijt van heeft gehad en dat derhalve geen sprake is van het verlenen van geldelijke steun als bedoeld in art. 140, lid 4, Sr en art. 140a, lid 3, Sr. De verdediging heeft aangegeven dat het geld is verstrekt voor levensonderhoud en het onderhouden van telefonische contacten met het thuisfront. 7.4.3 De door het hof vastgestelde feiten 1. Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting stelt het hof het volgende vast. Het hof gaat daarbij uit van feiten en omstandigheden die reeds hiervoor bij de bespreking van de ten laste gelegde feiten onder 1, 2 en 4 zijn vastgesteld. Het hof verwijst voor de vindplaatsen in het dossier van die feiten en omstandigheden naar de desbetreffende paragrafen inzake de feitenvaststelling met betrekking tot die genoemde feiten. 2. De verdachte heeft twee maal een geldbedrag (feit 4 onder A en C) en 2 computers ter beschikking gesteld aan [betrokkene 6]. [Betrokkene 6] en de verdachte spreken over de (verwachte) aankomst van de laptops in Syrië in een aantal gesprekken via WhatsApp waarbij op 5 juni 2014 de verdachte vraagt of de spullen al binnen zijn en op 15 juni 2014 [betrokkene 6] zegt dat de 2 ‘lapies’ zijn gearriveerd. De verdachte heeft ook [betrokkene 7], een telefoon toegestuurd. Dat blijkt uit een WhatsApp gesprek tussen beiden van 31 januari 2014 waarin [betrokkene 7] bevestigend antwoordt op de vraag of hij de telefoon heeft ontvangen. 3. De verdachte heeft fondsen voor jihadstrijders in Syrië geworven. Voor [betrokkene 6] heeft hij samen met de medeverdachte [medeverdachte 2] geld ingezameld en laten sturen naar Syrië (feit 4 onder D). Daarnaast heeft hij voor [betrokkene 7] (feit 4 onder B), voor [betrokkene 9] en [betrokkene 8] (feit 4 onder D) en voor [betrokkene 2], (feit 4 onder E), geld ingezameld. 4. Het hof heeft eerder vastgesteld dat [betrokkene 6], [betrokkene 7], [betrokkene 9], [betrokkene 8] en [betrokkene 2] jihadstrijders zijn. 5. De verdachte heeft voor [betrokkene 1] bemiddeld ten behoeve van zijn reis naar Syrië (feit 2 primair onder I en II). Hij heeft via een kennis informatie ingewonnen met betrekking tot wat [betrokkene 1] moest doen en met wie contact op te nemen, zodra hij in Syrië zou aankomen. De verdachte heeft desgevraagd ter terechtzitting over [betrokkene 1] gezegd dat die zich indertijd wilde aansluiten bij IS. Dat blijkt ook uit een gesprek dat de verdachte voert met [betrokkene 2] op 30 september 2014 via Facebook, waarin verdachte zegt dat hij een persoon heeft “die op vakantie wil”. In een gesprek tussen de verdachte en [betrokkene 11] vraagt deze laatste of de persoon waar verdachte het over heeft “wil zsm op vakantie of?”. Deze uitdrukking wordt meermalen in het dossier gebruikt. Het hof begrijpt dat hiermee in versluierd taalgebruik wordt gedoeld op het uitreizen naar Syrië om zich aan te sluiten bij de gewapende jihadstrijd. 6. Ook de verdachte geeft aan dat hij wil uitreizen en in dat verband een vrouw zoekt om het samen te doen. Hij zegt tegen [betrokkene 2] ([skypenaam van betrokkene 2]) “ma k ga na jabz”. Het hof begrijpt dat de verdachte hier aangeeft dat hij zich bij de organisatie Jabhat al-Nusra wil aansluiten. De uitleg die de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft gegeven dat hij alleen het gebied van Jabhat al-Nusra bedoelde, acht het hof ongeloofwaardig. Bovendien heeft de verdachte ook bij een eerdere gelegenheid reeds gezegd “ik ben niet alleen pro maar meer dan dat”. De verdachte heeft ook de medeverdachte [medeverdachte 1] van wie de verdachte wist dat hij ‘pro J’ was – het hof begrijpt: pro Jabhat al-Nusra - van praktische informatie voorzien met het oog op het samen uitreizen naar Syrië (feit 1 onder D). De verdachte onderhoudt daarnaast contact met [betrokkene 5] (feit 2 onder I en II). Op de Hewlett Packard laptop van de verdachte is een afbeelding aangetroffen waarop een krantenartikel staat met als koptekst ‘[betrokkene 5] ronselt moslimjongeren voor ISIS’. 7. De verdachte is eind 2013 in Syrië geweest. Uit de gesprekken via social media waaraan de verdachte deelnam, volgt dat verdachte met jihadstrijders die hij bij zijn verblijf in Syrië had ontmoet, na terugkeer in Nederland contacten blijft onderhouden waarbij de gesprekken gaan over het verloop van de strijd en het bieden van hulp (geld, spullen) vanuit Nederland. De verdachte onderhield in dat verband onder meer contacten met [betrokkene 6]. De verdachte heeft verklaard dat hij een goede band met [betrokkene 6] had en dat deze laatste wilde dat hij terugkwam naar Syrië. Dat geldt ook voor [betrokkene 3] en de verdachte. Zij geven meermalen aan in WhatsApp-gesprekken elkaar te missen. [Betrokkene 3] is een vanuit het Verenigd Koninkrijk naar Syrië afgereisde jihadstrijder. De verdachte heeft aangegeven dat [betrokkene 3] en hij vrienden waren. Met [betrokkene 3] deelt verdachte ook nog dat hij naar Birmingham is gereisd met de auto en dat hij door de “through UK border control and the terror control” is gekomen. 8. In een gesprek met een persoon wiens identiteit niet is vastgesteld, via WhatsApp op 14 april 2014 zegt de verdachte “Ik ben een voorstander van Jih*d en dus ook iedereen die onder Al Qa*da valt” Ook geeft de verdachte aan in dat gesprek niets van democratie te moeten hebben. 9. De verdachte neemt deel aan Facebook met onder meer de naam [bijnaam verdachte]. Dat staat voor ‘[betekenis bijnaam verdachte]’. Op voornoemde laptop van de verdachte is een foto van de verdachte aangetroffen waarop hij staat afgebeeld met een zwaard in zijn hand met op de achtergrond een vlag van Jabhat al-Nusra. Ook is er een afbeelding aangetroffen met alleen de vlag van Jabhat al-Nusra. De laptop bevat daarnaast meerdere andere afbeeldingen met de vlag die ook en vooral door IS wordt gebruikt; soms is alleen de vlag zichtbaar, in een ander geval is het symbool van IS geplaatst naast een vuurwapen of op een militair voertuig. 10. Op de Hewlett Packard laptop van de verdachte zijn verscheidene afbeeldingen aangetroffen waarop geweld centraal staat. Er is een afbeelding waarop een man geknield zit met de wijsvinger omhoog bij een vijftal afgehakte hoofden. Er zijn daarnaast vele afbeeldingen met gewapende mensen. 11. Op voornoemde laptop is een opruiende tekst aangetroffen waarin wordt opgeroepen tot het doden van gevangen ‘whom you do not have a treaty’ met het doel om ‘to strike fear into your enemies and the enemies of Allah’ waarbij een afbeelding van een geknielde gevangene in een oranje pak met daarnaast een man gekleed in het zwart met een bivakmuts op. 12. Op een telefoon van de verdachte is een in het Arabisch gezongen lied aangetroffen. De vertaling ervan luidt als volgt: Het gerommel der zwaarden vormt het lied voor de dappere strijders Het pad van de strijd is de weg naar het leven Met een oeverval die de onderdrukkers vernietigt En een geluidsdemper met een mooi geluid Overwint mijn geloof en worden onrechtdoeners vernederd Komt op o mijn mensen, neemt het pad van de dapperen Ga voor een vrolijk leven Of een dood die de vijanden doet schrik O broeder, sta op voor het pad van de verlossing Wij gaan samen tegen de veroveraars. 13. Op de laptop is een afbeelding aangetroffen met het opschrift ‘Strijder voor in Syrie (…) Solliciteer direct op ikwilnaarSyrie.’ 7.4.4 Overwegingen van het hof met betrekking tot de tenlastelegging ten aanzien van feit 3 in relatie tot art. 140a Sr en bespreking van de verweren 1. Dat Jabhat al-Nusra een organisatie is en welke terroristische misdrijven deze organisatie tot oogmerk had, heeft het hof reeds vastgesteld in hoofdstuk 6. 2. Het hof ziet zich thans voor de vraag gesteld of de door het hof vastgestelde feiten, in hun onderlinge samenhang beschouwd, zijn aan te merken als het door de verdachte deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van terroristische misdrijven. Gedragsvereiste (aandeel of ondersteuning) 3. Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte een aandeel gehad in en gedragingen ondersteund die rechtstreeks strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in art. art. 140a Sr bedoelde oogmerk. 4. Het hof acht daarbij het volgende van belang. 5. De verdachte is meermalen opgetreden als een fondsenwerver voor strijders van de gewapende Jihadstrijd. 6. Hij heeft verder ook geldelijke steun verleend aan jihadstrijders in Syrië. Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat met het ter beschikking stellen van geld aan individuele jihadstrijders van een organisatie daarmee geldelijke steun wordt verleend ten behoeve van die organisatie als bedoeld in art. 140a, lid 3, Sr jo. art. 140, lid 4, Sr. 7. De verdachte verleende voorts stoffelijke steun ten behoeve van de organisatie door spullen, zoals laptops en een telefoon, naar strijders van de gewapende jihadstrijd toe te zenden. 8. Ook heeft de verdachte bemiddeld bij een strijder van IS om een persoon uit Nederland die wilde uitreizen naar Syrië, te laten aansluiten bij IS. De verdachte bereidde ten tijde van zijn aanhouding al geruime tijd samen met [medeverdachte 1] hun uitreis naar Syrië voor en voorzag [medeverdachte 1] daarbij ook van praktisch advies ten behoeve van deze uitreis naar Syrië. 9. Deze in de vorige paragraaf vastgestelde gedragingen van de verdachte vallen met uitzondering van het faciliteren van de aansluiting bij IS, onder het bepaalde in artikel 140a, lid 3, Sr jo artikel 140, lid 4, Sr. Het betreft het verlenen van geldelijke, stoffelijke steun alsmede het werven van gelden ten behoeve in de in art.140a, lid 1, bedoelde organisatie. Het faciliteren van de aansluiting door [betrokkene 1] bij IS is voorts ook een vorm van deelneming aan een organisatie als bedoeld in art. 140a Sr. Vereiste van betrokkenheid bij samenwerkingsverband 10. De verdachte was betrokken bij het samenwerkings- verband van Jabhat al-Nusra. Hij was geen buitenstaander of een sympathisant. Het hof kent daarbij veel gewicht toe aan de actieve steun die de verdachte bood aan de Jihadstrijd in Syrië vanuit Nederland. Dat blijkt uit de wijze waarop verdachte het gedachtegoed en de doelstelling(
- en)van Jabhat al-Nusra aanhing in woorden en daden zoals hiervoor is gebleken uit de vastgestelde feiten. 11. Het hof acht daarnaast voor de betrokkenheid van de verdachte bij het samenwerkingsverband nog het volgende van belang. 12. De verdachte is na zijn terugkeer eind 2013 nauw in contact gebleven met leden van de gewapende jihadstrijd in Syrië. Hij besprak openlijk in chatgesprekken hoe hij zich verhield tot Jabhat al-Nusra (‘meer dan pro-Jabhat al-Nusra’). De verdachte had beeldmateriaal op zijn computer en telefoon waarop gewelddadige jihad werd gepropagandeerd. Voorts gaf de verdachte in chatgesprekken aan weer terug te willen keren. Verweer inzake het opzet 13. De verdachte was er mee bekend dat Jabhat al-Nusra en ook IS ten tijde van de aan de verdachte verweten gedragingen tot oogmerk hadden het plegen van terroristische misdrijven. Daarmee is voldaan aan de door de Hoge Raad gestelde eis dat voor het bewijs van het opzet voldoende is dat de verdachte in zijn algemeenheid weet – in de zin van onvoorwaardelijk opzet – dat de organisatie het oogmerk had het plegen van terroristische misdrijven. 14. Het hof verwerpt derhalve ook dit verweer. 7.4.5 Slotsom ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde feit 1. Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de verdachte heeft behoord tot een op het plegen van - het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voorgoederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft (
- te)begaan met een terroristisch oogmerk en/of - moord en/of doodslag (
- te)begaan met een terroristisch oogmerk, gericht samenwerkingsverband en dat hij daarnaast ook een aandeel heeft gehad in gedragingen en gedragingen heeft ondersteund die mede strekten tot en verband hielden met de verwezenlijking van het binnen die organisatie bestaande oogmerk. 2. Daarom is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven. Daarmee komt het hof tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde onder feit 3. 8De bewezenverklaring Gezien het voorgaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat: 1 Hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2014 tot en met 25 november 2014, te Arnhem en/of te Doesburg, in elk geval in Nederland en/of in Syrië, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk ter voorbereiding en/of ter bevordering van de/het (meermalen) te plegen misdrij(f)(ven) omschreven in artikel 157 en/of 289(
- a)en/of 288a van het Wetboek van Strafrecht, te weten, - het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft (
- te)begaan met een terroristisch oogmerk en/of - moord en/of doodslag (
- te)begaan met een terroristisch oogmerk, - gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van het de misdrijfven aan zich en/of anderen heeft verschaft en/of heeft trachten te verschaffen en/of - voorwerpen voorhanden heeft gehad waarvan hij wist dat zij bestemd zijn tot het plegen van het misdrijf immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(
- s)tezamen en in vereniging met elkaar, althans alleen, (telkens) ten behoeve van de gewapende Jihadstrijd, in welke strijd brandstichtingen, het teweeg brengen van ontploffingen, moorden en doodslagen worden gepleegd met een terroristisch oogmerk, A. zich (via chatberichten) laten informeren over het afreizen naar het strijdgebied in Syrië en/of hoe aan te sluiten bij Jabhat al-Nusra en/of B. zich (via chatberichten) laten informeren over een te volgen reisroute naar het strijdgebied en/of C. deelgenomen aan Arabische lessen en/of D. informatie ingewonnen en/of verkregen en/of verstrekt voor een reisuitrusting en/of praktische maatregelen die getroffen moeten worden voor het vertrek naar het strijdgebied in Syrië en/of Irak en/of E. een of meerdere (documenten of afbeeldingen
- op)gegevens/informatiedragers voorhanden gehad met daarop informatie betreffende het Jihadistisch gedachtegoed en/of aanwijzingen om zich aan te houden bij de gewapende jihadistische strijd/de oorlogsvoering en/of aanwijzingen om zich aan te houden bij het voorbereiden van het vertrek naar het strijdgebied in Syrië en/of Irak en/of F. geldbedrag(
- en)ingezameld en/of overgemaakt en/of voorhanden heeft gehad en/of achtergelaten (in Kafr Hamra, Syrië) ten behoeve van een of meer personen die zich in het strijdgebied in Syrië en/of Irak bevinden en/of G. zich geuit over zijn/hun wens zich te begeven (via Turkije) naar Syrië of Irak en/of zich aan te aansluiten bij de gewapende strijd en/of gewapende Jihad (door onder meer te spreken over het elkaar ontmoeten op het slagveld). en/of 2primair I Hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 september 2014 tot en met 31 oktober 2014, te Arnhem en/of te Doesburg, in elk geval in Nederland en/of in Syrië, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk ter voorbereiding en/of ter bevordering van de/het (meermalen) te plegen misdrij(f)(ven) omschreven in artikel 157 en/of 289(
- a)en/of 288a van het Wetboek van Strafrecht, te weten, - het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft (
- te)begaan met een terroristisch oogmerk en/of - moord en/of doodslag (
- te)begaan met een terroristisch oogmerk, - een ander heeft trachten te bewegen om het misdrijf te plegen, te doen plegen of mede te plegen, om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen en/of - gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van het misdrijf aan zich en/of anderen heeft verschaft en/of heeft trachten te verschaffen en/of immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(
- s)tezamen en in vereniging met elkaar, althans alleen, (telkens) ten behoeve van de gewapende Jihadstrijd, in welke strijd brandstichtingen, het teweeg brengen van ontploffingen, moorden en doodslagen worden gepleegd met een terroristisch oogmerk, A. contacten onderhouden met [betrokkene 2] en/of [betrokkene 5] (althans met een of meer perso(o)nen die zich in het strijdgebied bevind(t)en), ten behoeve van de aansluiting van [betrokkene 1] (althans een onbekend gebleven persoon), bij Islamitische Staat (IS), in elk geval een organisatie met het oogmerk tot het plegen van terroristische misdrijven, althans ten behoeve van de deelname van [betrokkene 1] (althans een onbekend gebleven persoon), aan de gewapende jihadstrijd en/of B. met deze [betrokkene 2] en/of [betrokkene 5] (althans met een of meer perso(o)nen die zich in het strijdgebied bevind(t)
- en)gesproken over door [betrokkene 1] (althans een onbekend gebleven persoon) te volgen reisroutes (via onder meer Gaziantep) naar het strijdgebied en/of het beschikken over/verschaffen van een persoonlijke garantstelling (“tazkiyya”) ten behoeve van toelating tot het strijdgebied van deze [betrokkene 1] (althans deze onbekend gebleven persoon) en/of C. deze [betrokkene 1] (althans een onbekend gebleven persoon) aanwijzingen gegeven over te volgen reisroutes (via onder meer Gaziantep) naar het strijdgebied en/of D. deze [betrokkene 1] (althans een onbekend gebleven persoon) aanwijzingen gegeven/ inlichtingen verschaft over de wijze waarop in contact te komen in het strijdgebied met [betrokkene 2], in elk geval met een of meer perso(o)n(
- en)die zich daar bevind(t)(en), en/of II [betrokkene 1], althans een onbekend gebleven persoon, op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 september 2014 tot en met 31 oktober 2014, in Nederland en/of Syrië, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, heeft deelgenomen aan een organisatie welke organisatie tot oogmerk had het plegen van terroristische misdrijven, te weten, - het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft (
- te)begaan met een terroristisch oogmerk en/of - moord en/of doodslag (
- te)begaan met een terroristisch oogmerk, immers heeft deze [betrokkene 1] (althans een onbekend gebleven persoon) zich aangesloten bij de terroristische organisatie Islamitische Staat (IS), in elk geval een organisatie met het oogmerk tot het plegen van terroristische misdrijven, tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 september 2014 tot en met 31 oktober 2014 in Nederland en/of Syrië, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door A. contacten te onderhouden met [betrokkene 2] en/of [betrokkene 5] (althans met een of meer perso(o)nen die zich in het strijdgebied bevind(t)en), ten behoeve van de aansluiting van deze [betrokkene 1] (althans een onbekend gebleven persoon), bij Islamitische Staat (IS), in elk geval een organisatie met het oogmerk tot het plegen van terroristische misdrijven, althans ten behoeve van de deelname van deze [betrokkene 1] (althans een onbekend gebleven persoon), aan de gewapende jihadstrijd en/of B. met [betrokkene 2] en/of [betrokkene 5] (althans met een of meer perso(o)nen die zich in het strijdgebied bevind(t)
- en)te spreken over door deze [betrokkene 1] (althans een onbekend gebleven persoon) te volgen reisroutes (via onder meer Gazianteb) naar het strijdgebied en/of te spreken over het beschikken over/verschaffen van een persoonlijke garantstelling ("tazkiyya") ten behoeve van toelating tot het strijdgebied van deze [betrokkene 1] (althans deze onbekend gebleven persoon) en/of C. deze [betrokkene 1] (althans een onbekend gebleven persoon) aanwijzingen te geven over te volgen reisroutes (via onder meer Gaziantep) naar het strijdgebied en/of D. deze [betrokkene 1] (althans een onbekend gebleven persoon) aanwijzingen te geven/inlichtingen te verschaffen over de wijze waarop in contact te komen in het strijdgebied met [betrokkene 2], in elk geval met een of meer perso(o)n(
- en)die zich daar bevind(t)(en), en derhalve te faciliteren bij de aansluiting van deze [betrokkene 1] (althans een onbekend gebleven persoon) bij Islamitische Staat (IS), in elk geval een organisatie met het oogmerk tot het plegen van terroristische misdrijven; 3 Hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2014 tot en met 25 november 2014, te Arnhem en/of te Doesburg, in elk geval in Nederland en/of in Syrië, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, heeft deelgenomen (al dan niet zoals bedoeld in artikel 140 lid 4 Wetboek van Strafrecht) aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van terroristische misdrijven, te weten, - het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft (
- te)begaan met een terroristisch oogmerk en/of - moord en/of doodslag (
- te)begaan met een terroristisch oogmerk; 4 Hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2014 tot en met 25 november 2014, te Arnhem en/of te Doesburg, in elk geval in Nederland en/of in Syrië, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans dan wel alleen, zich of een ander opzettelijk middelen of inlichtingen heeft verschaft dan wel opzettelijk voorwerpen heeft verzameld, heeft verworven, voorhanden heeft gehad of en aan een ander heeft verschaft, die geheel of gedeeltelijk, onmiddellijk of middellijk, dienden om geldelijke steun te verlenen aan het plegen van een terroristisch misdrijf of een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf, te weten, - het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft (
- te)begaan met een terroristisch oogmerk en/of - moord en/of doodslag (
- te)begaan met een terroristisch oogmerk, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(
- s)tezamen en in vereniging met elkaar, althans alleen, (telkens) ten behoeve van de gewapende Jihadstrijd, in welke strijd brandstichtingen, het teweeg brengen van ontploffingen, moorden en doodslagen worden gepleegd met een terroristisch oogmerk, A. in of omstreeks januari 2014 een of meer onbekend gebleven hoeveelheid geld (in een heuptasje) achter gelaten en/of ter beschikking gesteld aan de jihadstrijder [betrokkene 6], althans een jihadstrijder in het strijdgebied, in Kafr Hamra (Syrië) en/of B. in of omstreeks de periode van 1 maart 2014 tot en met 1 mei 2014 enkele duizenden euro's, althans een (aanzienlijke) hoeveelheid geld ingezameld en/of verworven voor en/of verstuurd naar en/of aan een ander verschaft ten behoeve van jihadstrijders in het strijdgebied en/of C. in of omstreeks de periode van 1 mei 2014 tot en met 1 juli 2014 EUR 650,-, althans een hoeveelheid geld verstuurd naar en/of aan een ander verschaft ten behoeve van de jihadstrijder [betrokkene 6], althans een jihadstrijder in het strijdgebied en/of D. in of omstreeks de periode van 1 augustus 2014 tot en met 8 oktober 2014 EUR 1.000,-, althans een aanzienlijke) hoeveelheid geld, ingezameld en/of verworven voor en/of verstuurd naar en/of aan een ander verschaft ten behoeve van de jihadstrijders [betrokkene 9] en/of [betrokkene 6] en/of [betrokkene 8], althans naar een (of meer) jihadstrijder(
- s)in het strijdgebied en/of E. in of omstreeks oktober 2014 een of meer onbekend gebleven hoeveelheid geld verstuurd naar en/of aan een ander verschaft ten behoeve van de jihadstrijder [betrokkene 2], althans een jihadstrijder in het strijdgebied; welke hoeveelheid geld (deels) (telkens) bestemd was om geldelijke steun te verlenen aan de gewapende jihadstrijd in Syrië en/of aan strijders van die gewapende jihadstrijd in Syrië, in welke strijd terroristische misdrijven worden gepleegd, (althans) in elk geval om geldelijke steun te verlenen aan het plegen van een terroristisch misdrijf of een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf dan wel een van de hiervoor specifiek genoemde misdrijven. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging. 9Bewijsvoering Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de hiervoor weergegeven - in de voetnoten aangeduide - bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring. 10Strafbaarheid van het feit Het onder 1 bewezen verklaarde levert op: het medeplegen van het met het oogmerk om een in artikel 157 van het Wetboek van Strafrecht omschreven misdrijf, te begaan met een terroristisch oogmerk, voor te bereiden of te bevorderen, middelen en inlichtingen tot het plegen van het misdrijf zich of anderen trachten te verschaffen; en het medeplegen van het met het oogmerk om een misdrijf als omschreven in artikel 289a, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, voor te bereiden of te bevorderen, middelen en inlichtingen tot het plegen van het misdrijf zich of anderen trachten te verschaffen; en het medeplegen van het met het oogmerk om een misdrijf als omschreven in artikel 288a van het Wetboek van Strafrecht, voor te bereiden of te bevorderen, middelen en inlichtingen tot het plegen van het misdrijf zich of anderen trachten te verschaffen. Het onder 2 primair I bewezen verklaarde levert op: het met het oogmerk om een in artikel 157 van het Wetboek van Strafrecht omschreven misdrijf, te begaan met een terroristisch oogmerk, voor te bereiden of te bevorderen, een ander trachten te bewegen om daarbij behulpzaam te zijn of een ander trachten te bewegen om daartoe gelegenheid of inlichtingen te verschaffen; en het met het oogmerk om een misdrijf als omschreven in artikel 289a, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, voor te bereiden of te bevorderen, een ander trachten te bewegen om daarbij behulpzaam te zijn of een ander trachten te bewegen om daartoe gelegenheid of inlichtingen te verschaffen; en het met het oogmerk om een misdrijf als omschreven in artikel 288a, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, voor te bereiden of te bevorderen, een ander trachten te bewegen om daarbij behulpzaam te zijn of een ander trachten te bewegen om daartoe gelegenheid of inlichtingen te verschaffen. Het onder 3 bewezen verklaarde levert op: de deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven. Het onder 4 primair bewezen verklaarde levert op: het financieren van terrorisme, meermalen gepleegd; en het medeplegen van het financieren van terrorisme. 11Strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar. 12De strafoplegging 12.1 Vordering van de advocaat-generaal 1. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1, 2 primair, 3 en 4 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden dat de verdachte gedurende de proeftijd: zich verplicht onder toezicht stelt van de reclassering (met meldplicht), waarbij de verdachte medewerking zal verlenen aan het voeren van gesprekken met een deskundige over zijn geloof; geen contact zal (doen) zoeken en/of (doen) onderhouden met de navolgende personen: zijn medeverdachten [medeverdachte 2], [medeverdachte 1] en voorts met [betrokkene 12] en [betrokkene 13]; met strijders in een strijdgebied (met name Syrië en Irak) of daarbuiten; met voormalige strijders en/of personen die in het (voormalige) strijdgebied hebben verbleven, dit gelet op de actuele ontwikkelingen in het strijdgebied; met personen en/of organisaties die op de sanctielijst Terrorisme staan vermeld; met personen van wie de reclassering dit noodzakelijk acht in het kader van zijn begeleiding en re-integratie. [personen met wie de verdachte gedetineerd heeft gezeten op de Terroristen Afdeling] [betrokkene 12], geboortedatum [geboortedatum betrokkene 12] [betrokkene 14], geboortedatum [geboortedatum betrokkene 14] [betrokkene 15], geboortedatum [geboortedatum betrokkene 15] zich niet zal bevinden op en binnen een straal van 2 kilometer van de luchthavens Schiphol, Rotterdam-The Hague Airport, Eelde, Eindhoven en Maastricht-Aachen Airport; zich niet zal bevinden binnen een straal van twee kilometer van de grenzen van België en Duitsland; zich zal bevinden in Nederland; desgevraagd zal meewerken aan een onderzoek door het NIFP; actief zal meewerken aan het verkrijgen van een dagbesteding; zal meewerken aan een re-integratietraject van de gemeente Arnhem. 2. Ter zake van bovengenoemde bijzondere voorwaarden is gevorderd dat de reclassering de opdracht krijgt om elektronisch toezicht te houden, voor zolang als de reclassering dat noodzakelijk acht, en voorts is gevorderd dat deze bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zullen worden verklaard. 12.2 Het standpunt van de verdediging De verdachte heeft het onvoorwaardelijke deel van de in eerste aanleg opgelegde straf volledig uitgezeten en hij heeft een lange tijd op de terroristenafdeling in voorlopige hechtenis verbleven. Indien de bijzondere voorwaarden zoals gevorderd door de advocaat-generaal zullen worden opgelegd, dan zal de verdachte nog 3 jaar worden gestraft. De verdachte wordt in zijn dagelijks leven erg beperkt door de enkelband. Hij kan bijvoorbeeld geen familieleden ophalen van het vliegveld en hij kan geen inkopen doen in Duitsland. Daarnaast bemoeilijken de locatieverboden een baan in de transportsector. De gevorderde contactverboden, met name ten aanzien van de personen die de verdachte als goede vrienden beschouwt ([betrokkene 12], [betrokkene 14] en [betrokkene 15]) leveren een onredelijke inbreuk op zijn privacy op. De verdediging verzoekt het hof om geen contactverboden op te leggen. De verdediging verzoekt het hof voorts een kortere proeftijd dan de gevorderde proeftijd voor de duur van 3 jaar op te leggen. 12.3 Het oordeel van het hof Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. 12.3.1 De ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan 1. De verdachte heeft zich in de periode van 1 januari 2014 tot en met 25 november 2014 schuldig gemaakt aan deelname aan een terroristische organisatie, het (medeplegen van het) voorbereiden en/of bevorderen van terroristische misdrijven en het (medeplegen van het) financieren van terrorisme. 2. De verdachte heeft samen met een medeverdachte plannen gemaakt om uit te reizen naar het strijdgebied in Syrië, om zich aldaar aan te sluiten bij de gewapende jihadstrijd. De verdachte heeft zich daartoe middelen en inlichtingen verschaft. Hij heeft hiertoe onder meer contact gehad met Jihadstrijders in het strijdgebied in Syrië. De verdachte heeft voorts [medeverdachte 1] geholpen met informatie over de uitreis naar Syrië met het oog op aansluiting bij een jihadistische groepering. De verdachte heeft tevens de aansluiting bij IS van [betrokkene 1] gefaciliteerd, onder andere door informatie in te winnen en door te geven over de te volgen routes naar het strijdgebied in Syrië. Ook heeft de verdachte een telefoon en laptops verstuurd naar in het strijdgebied in Syrië aanwezige jihadstrijders. Daarnaast heeft de verdachte geldbedragen ingezameld en verstuurd ten behoeve van jihadstrijders in Syrië. 3. Aldus handelende heeft de verdachte een wezenlijke bijdrage geleverd dan wel beoogd te leveren aan de gewelddadige jihadstrijd in Syrië en aldus aan de (verdergaande) destabilisering en onveiligheid in (de regio van) Syrië. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat jihadistische groeperingen, in het bijzonder IS en Jabhat al-Nusra, zich in Syrië op grote schaal schuldig maken aan grove mensenrechtenschendingen. Gelet op het bloedige en angstaanjagende geweld waaraan deze terroristische groeperingen zich structureel bezondigen en in het recente verleden hebben bezondigd, moet het afreizen naar Syrië met het doel om daaraan deel te nemen op krachtige wijze worden tegengegaan. Daarom dienen in zaken als die van de verdachte de strafdoelen van vergelding en afschrikking bij de keuze van de strafsoort en de hoogte van de op te leggen straf naar het oordeel van het hof een bepalende rol te spelen, ook indien degene die voornemens is uit te reizen – zoals hier – er niet in is geslaagd de plaats van bestemming te bereiken. 12.3.2 De persoon van de verdachte en de persoonlijke omstandigheden Justitiële documentatie 1. Het hof heeft bij de op te leggen straf acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 14 augustus 2017, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit. Verklaring van de verdachte 2. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 30 augustus 2017 verklaard dat het goed met hem gaat sinds de opheffing van de voorlopige hechtenis. Hij staat niet meer op de Sanctielijst. Hij heeft een fulltime baan en hij heeft zich bij de Islamitische Universiteit in Rotterdam ingeschreven voor een studie. Hij is nog steeds getrouwd en heeft een stabiele relatie. Verklaring van de deskundige [reclasseringswerker] 3. Ter terechtzitting in hoger beroep van 30 augustus 2017 is [reclasseringswerker] als deskundige gehoord. [Reclasseringswerker] is een van de twee reclasseringswerkers met wie de verdachte contact heeft gehad na de opheffing van de voorlopige hechtenis. De deskundige heeft het volgende over het contact met de verdachte verklaard. 4. De reclassering voert wekelijks gesprekken met de verdachte en deze gesprekken verlopen in goede sfeer. 5. Op 30 juni 2017 is de verdachte van de Sanctielijst afgehaald. 6. De in eerste aanleg opgelegde bijzondere voorwaarden zien op controle. Deze controle acht de deskundige thans nog nodig. De reclassering heeft nog geen inhoudelijke gesprekken met de verdachte gevoerd nu de behandeling van de strafzaak in hoger beroep nog niet was afgerond. De gesprekken zijn tot nu toe oppervlakkig geweest en er is met name gesproken over de omstandigheid dat de verdachte op de Sanctielijst stond, zijn financiën, zijn werk en de praktische invulling van zaken. De reclassering heeft niet met de verdachte over het geloof gesproken. De reclassering kan gesprekken met een Imam regelen als de verdachte dat wil. 7. De deskundige adviseert de verdachte geen langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen dan de straf die hij thans reeds heeft uitgezeten. De deskundige adviseert de verdachte de bijzondere voorwaarden op te leggen die zijn geadviseerd in het reclasseringsadvies d.d. 6 april 2017 en daaraan toe te voegen de bijzondere voorwaarde dat de verdachte medewerking zal verlenen aan het voeren van gesprekken met een deskundige over zijn geloof. Rapportages 8. Het hof heeft acht geslagen op de rapportage van Reclassering Nederland d.d. 6 april 2017. In dit rapport is onder meer het volgende vermeld. 9. De reclassering ziet een discrepantie tussen de uitkomsten van het NIFP onderzoek en hoe de verdachte zichzelf ervaart en/of presenteert. De verdachte schetst een louter positief zelfbeeld en geeft aan dat hij altijd uit goede intenties handelt en bereid is om aan zichzelf te werken. Tot op heden lijkt hij niet de noodzaak te voelen om iets aan zichzelf of zijn opvattingen te veranderen. De problemen die hij ervaart zijn voornamelijk van externe aard, zoals een verkeerd beeld dat door justitie van hem geschetst wordt. 10. De reclassering merkt op dat de verdachte geen sympathie lijkt te hebben voor IS, maar dat hij zich daarentegen lovend uitsprak over Jabhat al-Nusra. Zij zouden niet de daden plegen van IS en in tegenstelling tot IS opkomen voor de bevolking en zich inzetten voor hun bescherming, aldus de verdachte. Het feit dat Jabhat al-Nusra wordt aangeduid als een terroristische organisatie lijkt zijn mening niet te beïnvloeden. De verdachte heeft verklaard nooit de intentie te hebben gehad om zich aan te sluiten of mee te vechten. Doch hij heeft vrienden die bij deze groepering zouden zitten wel altijd gesteund. Hij heeft nooit de noodzaak gezien om afstand te nemen van deze groep of van deze personen. 11. De reclassering kan geen uitspraken doen over het recidiveris