GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Uitspraak : 20 september 2017 Zaaknummers : 200.204.574/01 en 200.204.575/01 Rekestnummers rechtbank : FA RK 15-10191 en FA RK 16-3615 Zaaknummers rechtbank : C/09/502774 en C/09/51088 [appellant] , wonende te [woonplaats] , verzoeker, tevens incidenteel verweerder, in hoger beroep, hierna te noemen: de man, advocaat mr. J.A. van Keulen te Den Haag, tegen [geïntimeerde] , wonende te [woonplaats] , verweerster, tevens incidenteel verzoekster, in hoger beroep, hierna te noemen: de vrouw, advocaat mr. J. Brouwer te Den Haag. PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP De man is op 30 november 2016 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 13 september 2016 van de rechtbank Den Haag. De vrouw heeft op 12 januari 2017 een verweerschrift tevens houdende incidenteel appel ingediend. De man heeft op 17 februari 2017 een verweerschrift op het incidenteel appel ingediend. Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen: van de zijde van de man: - op 6 februari 2017 een V-formulier van diezelfde datum met als bijlagen; - op 19 juni 2017 een V-formulier van diezelfde datum met bijlagen; - op 23 juni 2017 een V-formulier van 22 juni 2017 met bijlage; van de zijde van de vrouw: - op 19 juni 2017 een brief van diezelfde datum met als bijlage een V-formulier van eveneens diezelfde datum met bijlagen. De zaak is op 30 juni 2017 mondeling behandeld. Ter zitting waren aanwezig: - de man, bijgestaan door zijn advocaat; - de vrouw, bijgestaan door haar advocaat. Beide advocaten hebben ter zitting pleitnotities overgelegd. De hierna te noemen oudste minderjarige heeft schriftelijk zijn mening kenbaar. PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking. Bij die beschikking is de echtscheiding tussen de in de wettelijke gemeenschap van goederen gehuwde partijen uitgesproken. Tevens is - uitvoerbaar bij voorraad en voor zover hier van belang - de verdeling van de huwelijksgemeenschap vastgesteld. Voorts is bepaald: - dat de overige door partijen genoemde bankrekeningen zijn opgeheven/worden opgeheven en reeds zijn verdeeld/niet meer behoeven te worden verdeeld; - dat de inboedel tussen partijen reeds is verdeeld; Het meer of anders verzochte is afgewezen. Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep niet tegen is opgekomen. De echtscheidingsbeschikking is op 5 oktober 2016 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Hieronder zal het hof zo nodig op hele bedragen afronden. BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP 1. In geschil zijn: de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding (hierna ook: kinderalimentatie) van de minderjarigen: - [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , hierna: de oudste minderjarige en - [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , hierna: de jongste minderjarige hierna tezamen te noemen: de minderjarigen, alsmede de verdeling van de huwelijksgemeenschap. 2. De man verzoekt bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: a. ade bestreden beschikking te bekrachtigen voor zover het de vaststelling betreft dat de man geen kinderalimentatie aan de vrouw is verschuldigd onder verbetering van gronden. De man verzoekt het hof te bepalen dat de vrouw alle verblijfsoverstijgende kosten voor haar rekening moet nemen, bde vrouw te veroordelen twee rekeningen op naam van de kinderen te openen waarop op elke rekening € 22.926,84 dient te worden gestort te vermeerderen met de rente die sedert 1 oktober 2016 op de saldi is gevormd onder zodanige voorwaarden als het hof in redelijkheid vermeent te behoren, cde vrouw te veroordelen de helft van het saldo van de [bank] rekeningen aan de man over te maken zijnde € 826,30 binnen 2 weken na de te wijzen beschikking en de vrouw voorts te veroordelen de helft van de [bank] rekening zijnde een bedrag van € 2.455,- en voorts de helft van het bedrag waarmee zij de gemeenschap heeft benadeeld groot € 1.088,26 binnen 2 weken na afgifte van de beschikking van het hof aan de man te betalen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum inschrijving van de echtscheidingsbeschikking zijnde 5 oktober 2016, dde vrouw te gebieden opgave te doen van haar pensioenopbouw tijdens huwelijk, de waarde ervan, de aanvangsdatum van haar pensioen en referentienummers waaronder de pensioenen bij de diverse pensioenfondsen bekend zijn en deze binnen twee weken na het onherroepelijk worden van de beschikking van het hof aan de man te overhandigen op straffe van een dwangsom van € 50,- per dag per pensioenfonds en per onderdeel dat zij aan die veroordeling geen gevolg geeft, e. de vrouw te gebieden binnen twee weken na het onherroepelijk worden van de beschikking van het hof aan alle betrokken buitenlandse pensioenfondsen mededeling te doen (met afschrift aan de man), waarin zij de fondsen op de hoogte stelt van de echtscheiding en het feit dat de man recht heeft op de helft van het tijdens huwelijk opgebouwde pensioen, met het verzoek de man te informeren over het moment waarop de vrouw haar pensioen gaat genieten op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 50,- per dag per pensioenfonds dat zij aan die veroordeling geen gevolg geeft, fde vrouw te gebieden van iedere verlaging of verhoging van haar pensioen en daarnaast eens per kalenderjaar in de maand maart van de hoogte van haar maandelijkse bruto pensioenuitkering een bewijsstuk aan de man te zenden op straffe van een dwangsom van € 50,- per dag dat de vrouw na 31 maart van elk kalenderjaar nalatig is deze veroordeling na te komen, gde vrouw te veroordelen tot betaling van het bedrag dat zij ter zake van de pensioenverevening van haar pensioenen aan de man dient te voldoen, binnen 14 dagen nadat zij pensioen zal gaan genieten te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen nadat het bedrag aan haar zelf wordt uitgekeerd, indien zij in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen, h.met veroordeling van de vrouw in de kosten van deze procedure. 3. De vrouw bestrijdt het beroep en verzoekt de verzoeken van de man zoals vermeld in zijn beroepschrift niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel af te wijzen. De vrouw verzoekt in incidenteel appel de bestreden beschikking te vernietigen voor zover het betreft de hiernavolgende onderwerpen en opnieuw beschikkende te bepalen dat: de behoefte van de oudste minderjarige € 700,- per maand bedraagt; de man met ingang van 13 september 2016 een bedrag aan de vrouw dient te voldoen van inzake de kosten van verzorging en opvoeding voor de jongste minderjarige maandelijks een bedrag van € 300,-; en voor de oudste minderjarige maandelijks een bedrag van € 435,-, telkens bij vooruitbetaling te voldoen en vermeerderd met iedere uitkering die hem op grond van geldende wetten of andere regelingen voor de minderjarigen zal of kan worden verleend, welke bijdrage zal zijn onderworpen aan de wettelijke indexering als bedoeld in artikel 1:402a BW, voor het eerst per 1 januari 2017; de man aan de vrouw zal voldoen de helft van de waarde van de auto [merk] met kenteken [kenteken] , in totaal een bedrag van € 3.675,-, binnen een maand na bekendmaking van de beschikking van het hof; de man aan de vrouw zal voldoen een bedrag van € 29.272,17 hetgeen de vrouw toekomt uit hoofde van de vordering van de vrouw op de huwelijksgemeenschap, voortvloeiende uit de nalatenschap van de moeder van de vrouw, binnen een maand na bekendmaking van de beschikking van het hof; de man aan de vrouw zal voldoen een bedrag van € 1.588,87 hetgeen de vrouw toekomt uit hoofde van hetgeen partijen zijn overeengekomen ten aanzien van de kosten voor de aankoop van de laptops voor de kinderen, almede een schoolreis naar Parijs voor de oudste minderjarige, diens reisverzekering en de verzekering van de auto over de periode 1 oktober 2015 - 1 oktober 2016, uiterlijk een maand na bekendmaking van de beschikking van het hof; de beschikking zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren; de man te veroordelen in de kosten van de procedure. 4. De man verzet zich daartegen en verzoekt de verzoeken van de vrouw af te wijzen, althans de vrouw in haar verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren, met veroordeling van de vrouw in de kosten van beide instanties. Inleiding 5. Alvorens inhoudelijk op de zaak in te gaan overweegt het hof het volgende. 6. De vrouw stelt zich in de inleiding van haar verweerschrift tevens houdende incidenteel appel op het standpunt dat de grieven van de man onduidelijk zijn en dat hij in hoger beroep ten onrechte verwijst naar pleitnotities die in eerste aanleg niet volledig zijn overgelegd. In haar optiek zou de man daarom niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. 7. Het hof is van oordeel dat de grieven van de man voldoende duidelijk zijn. De vrouw heeft daar ook inhoudelijk verweer tegen gevoerd. Wat de pleitnoties betreft, overweegt het hof dat de vrouw op de in hoger beroep aangehaalde passages alsnog heeft kunnen reageren. Zij wordt hiermee niet in haar procesbelangen geschaad. De man kan derhalve ontvangen worden in zijn hoger beroep. Kinderalimentatie Behoefte oudste minderjarige 8. In eerste aanleg zijn partijen overeengekomen dat de behoefte van de minderjarigen kan worden gesteld op € 600,- per maand per kind. 9. De vrouw is van mening dat de behoefte van de oudste minderjarige moet worden verhoogd met de bijzondere kosten die zijn zwemsportactiviteiten met zich brengen. Deze kosten zien onder meer op contributies, inschrijfgelden voor wedstrijden en zwemkleding en -benodigdheden. Volgens de vrouw bedraagt de behoefte van de oudste minderjarige derhalve € 700,- in plaats van € 600,- per maand. 10. De man betwist dat sprake is van excessieve kosten voor de oudste minderjarige. De kosten van het halen en brengen worden door hem gedragen. De meeste door de vrouw opgevoerde kosten worden geacht te zijn verdisconteerd in de Nibud-tabel. Deze kosten komen neer op € 95,- per maand, hetgeen niet buitensporig is voor een gewone hobby. 11. Het hof acht de argumenten die de vrouw aandraagt en die zien op de door de oudste minderjarige beoefende zwemsport niet zodanig dat deze tot een verhoogde behoefte bij die minderjarige leiden. De man heeft de stellingen van de vrouw gemotiveerd weersproken. Het hof ziet derhalve geen reden af te wijken van de door partijen overeengekomen behoefte van € 600,- voor de oudste minderjarige. Verdeling kosten van de kinderen 12. De vrouw heeft in hoger beroep de kinderalimentatie in volle omvang aan de orde gesteld. Het hof zal wat de ingangsdatum betreft, aanhaken bij de ingangsdatum van de partneralimentatie, te weten 5 oktober 2016. De advocaat van de man heeft terechtzitting ingestemd met het hanteren van de inkomensgegevens van 2017. Hetgeen partijen omtrent het inkomen in de jaren 2015 en 2016 hebben gesteld, behoeft derhalve geen verdere bespreking. 13. Ter zitting is voorts met partijen besproken van welk netto besteedbaar inkomen (NBI) van de vrouw moet worden uitgegaan, aangezien zij voor een internationale organisatie werkt. De vrouw stelt zich op het standpunt dat de diverse ‘allowances’ die zij ontvangt ter compensatie van het missen van bepaalde belastingvoordelen in Nederland, niet betrokken dienen te worden in de draagkrachtberekening. De man wenst uit te gaan van het netto inkomen van de vrouw inclusief de ‘allowances’ en is bovendien van mening dat de reiskostenvergoeding die de vrouw ontvangt, bij haar inkomen dient te worden opgeteld. 14. Het hof acht het redelijk uit te gaan van het netto inkomen van de vrouw exclusief ‘allowances’, waarbij het hof ervan uitgaat dat de vrouw de extra kosten die zij stelt te hebben - zoals het niet vergoede deel van de ziektekosten van de minderjarigen - voldoet uit die ‘allowances’, die - zoals de vrouw heeft betoogd - het karakter hebben van tegemoetkoming in kosten. Het hof ziet geen aanleiding de reiskostenvergoeding bij het netto-inkomen van de vrouw op te tellen, zoals de man voorstaat. Tegenover deze vergoeding staan immers reiskosten van de vrouw. Het hof volgt de vrouw in de berekening van haar NBI van € 4.078,- per maand, conform de overgelegde productie 34. De man heeft tegen de wijze waarop deze berekening is uitgevoerd op zich geen bezwaar gemaakt. 15. Voor het NBI van de man volgt het hof de als productie 10 bij het verweerschrift in incidenteel appel overgelegde draagkrachtberekening van de man. De man heeft ter zitting onweersproken gesteld dat zijn in komen in 2017 nauwelijks is veranderd ten opzichte van 2016, hetgeen ook het hof concludeert uit de overgelegde loonstroken 2017. Uit voormelde draagkrachtberekening blijkt een NBI van € 2.779,- per maand. 16. Nu de advocaat van de man uitdrukkelijk wenst dat bij de berekening van de kinderalimentatie de zorgkorting wordt betrokken, zal het hof de kinderalimentatie forfaitair berekenen volgens de formule. Weliswaar heeft de advocaat van de man ter terechtzitting aangegeven uit te willen gaan van het werkelijke inkomen en de werkelijke kosten van partijen, maar in dat rekensysteem past niet het toepassen van zorgkorting. Het hof is van oordeel dat de formule in het onderhavige geval binnen de wettelijke normen past. 17. Gelet op het vorenstaande berekent het hof de draagkracht van de vrouw op 70% x [4.078 – (0,3 x 4.078) + 905)] = € 1.365,- per maand. De draagkracht van de man bedraagt dan 70% x [2.779 – (0,3 x 2.779) + 905)] = € 728,- per maand. 18. Tussen partijen is niet in geschil dat zij ten aanzien van de jongste minderjarige een co-ouderschap voeren en dat zij een gelijk aandeel in de totale kosten van haar verzorging en opvoeding hebben. Het hof zal daarom geen kinderalimentatie ten behoeve van de jongste minderjarige vaststellen en het desbetreffende verzoek van de vrouw afwijzen. Het hof gaat ervan uit dat iedere partij tevens de helft van de verblijfsoverstijgende kosten van de jongste minderjarige voor zijn/haar rekening neemt. 19. Gelet op de leeftijd van de oudste minderjarige van 17 jaar en de vigerende zorgregeling - inhoudende dat hij om de week een weekend en in overleg eenmaal per week tijdens het avondeten bij de man is - acht het hof een zorgkorting van 15% geëigend. 20. Nu de kosten van de jongste minderjarige voor beide partijen € 300,- per maand bedragen, dient voor de berekening van ieders aandeel in de kosten van de oudste minderjarige hun draagkracht met dit bedrag te worden verminderd. De resterende draagkracht van de vrouw bedraagt dan € 1.065,- per maand en die van de man € 428,- per maand. 21. De verdeling van de kosten van de oudste minderjarige wordt berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte, ofwel: het deel van de vrouw bedraagt 1.065/1.493 x 600 = € 428,- per maand het deel van de man bedraagt 428/1.493 x 600 = € 172,- per maand. 22. De voor de oudste minderjarige geldende zorgkorting bedraagt 15% van de behoefte van € 600,- per maand, ofwel € 90,- per maand. Deze zorgkorting komt in mindering op de door de man te betalen bijdrage. Uit dit alles volgt dat de draagkracht van de man een kinderalimentatie voor de oudste minderjarige toelaat van € 82,- per maand. Het hof gaat er daarbij vanuit dat de vrouw de volledige verblijfsoverstijgende kosten van de oudste minderjarige draagt, nu hij bij haar zijn hoofdverblijf heeft. Verdeling Beroep op artikel 1:164 BW 23. De man stelt zich op het standpunt dat de vrouw de huwelijksgemeenschap heeft benadeeld als bedoeld in artikel 1:164 BW. Volgens de man dient zij de gelden die zij van de gemeenschappelijke rekeningen heeft opgenomen om haar advocaatkosten te betalen, derhalve aan de huwelijksgemeenschap te vergoeden. De rechtbank heeft verzuimd hierover een gemotiveerde beslissing te nemen. 24. De vrouw verweert zich daartegen en stelt dat partijen hebben afgesproken de advocaatkosten te voldoen van de gezamenlijke rekening. Toen het partijen niet lukte tot overeenstemming te komen, heeft de vrouw in november 2015 een andere advocaat gezocht, en de facturen van die advocaat voldaan van haar eigen rekening. 25. Het hof overweegt als volgt. Uit de door de man overgelegde bankafschriften (productie 8 bij verweerschrift in incidenteel appel) blijkt dat de advocaatkosten van beide partijen vóór de ontbinding van de huwelijksgemeenschap zijn betaald van de gemeenschappelijke rekening van partijen. Er zijn derhalve gemeenschapsschulden betaald. Dat de kosten van de advocaat van de vrouw hoger waren dan die van de man, doet daaraan niet af. Van een situatie als bedoeld in artikel 1:164 BW is geen sprake, zodat het beroep van de man op dit wetsartikel ook in hoger beroep niet slaagt. De bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd voor zover daarin het beroep van de man op voormeld artikel is afgewezen. Saldi bankrekeningen 26. De man klaagt dat de vrouw weigert de helft van het saldo van haar [bank] -rekening eindigend op nummer [rekeningnummer] aan de man over te maken. Voorts stelt de man dat de saldi van de [bank] eindigend op nummer [rekeningnummer] en de [bank] -rekening eindigend op nummer [rekeningnummer] , beide op naam van de vrouw gesteld, nog moeten worden verdeeld. 27. De vrouw wenst de door haar in verband met de verdeling van de banksaldi te betalen bedragen in één keer te verrekenen en heeft in afwachting van de uitkomst van het onderhavige hoger beroep nog even gewacht met betalen. 28. Het hof overweegt als volgt. Hetgeen de man aanvoert aangaande de [bank] -rekening op naam van de vrouw betreft een executiegeschil dat in de onderhavige procedure niet thuishoort. Het hof zal het desbetreffende verzoek van de man dan ook afwijzen. 29. Met betrekking tot de [bank] -rekening op naam van de vrouw heeft de rechtbank - anders dan de man meent - reeds beslist dat deze aan de vrouw zal worden toegedeeld, terwijl dan de [bank] -rekening op naam van de man eindigend op nummer [rekeningnummer] aan de man wordt toegedeeld, zonder verdere verrekening. Het hof hoeft hieromtrent derhalve geen beslissing te nemen. 30. Ten aanzien van de [bank] op naam van de vrouw, begrijpt het hof dat de man niet alleen doelt op de rekening eindigend op nummer [rekeningnummer] , maar ook op de overige drie [bank] op naam van de vrouw, tezamen door de rechtbank als f, g, h, en i aangeduid. Blijkens haar verweer heeft de vrouw deze grief van de man ook als zodanig opgevat. Ten aanzien van deze rekeningen geldt dat de saldi per peildatum 30 december 2015 bij helfte dienen te worden verdeeld. Het hof zal de (saldi van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.