ECLI:NL:GHDHA:2017:3231
GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer : 200.192.364/01 Rolnummer rechtbank : C/09/482313/HA ZA 15-155 arrest van 29 augustus 2017 inzake [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, hierna te noemen: [appellant], advocaat: mr. H.F.M. Struycken te Amsterdam, tegen DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Veiligheid en Justitie), zetelend te Den Haag, geïntimeerde, hierna te noemen: de Staat, advocaat: mr. G.C. Nieuwland te Den Haag.
Het geding Bij exploot van 21 april 2016 heeft [appellant] hoger beroep ingesteld tegen het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Den Haag, team handel, van 17 februari 2016. Bij memorie van grieven (met producties), teven houdende vermeerdering/verandering van eis en houdende het verzoek de gestelde rechtsvragen voor te leggen aan het EHRM, heeft [appellant] drie grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en zijn eis gewijzigd. De Staat heeft de grieven bij memorie van antwoord bestreden. Vervolgens is arrest gevraagd.
Beoordeling van het hoger beroep 1. De door de rechtbank vastgestelde feiten zijn niet in geschil, zodat ook het hof van deze feiten zal uitgaan. Het gaat in deze zaak samengevat om het volgende.
Vermissing en misbruik van het rijbewijs, en de gevolgen daarvan 1.1 [appellant] is eind september 1995 zijn rijbewijs kwijtgeraakt. Op 3 november 1995 heeft hij aangifte gedaan van de vermissing van zijn rijbewijs. Op 14 maart 1997 is aan [appellant] een nieuw rijbewijs afgegeven.
1.2 In de periode vanaf de vermissing van het rijbewijs tot en met 14 maart 1997 is met behulp van het vermiste rijbewijs door derden een groot aantal auto’s op de naam van [appellant] gesteld. In totaal zijn in die periode 1737 kentekenregistraties van motorvoertuigen op naam van [appellant] gesteld en kentekenbewijzen afgegeven.
1.3 Vervolgens zijn met deze auto’s diverse overtredingen van de Wet Administratiefrechtelijke Handhaving Verkeersvoorschriften (Wahv) begaan, zoals het niet verstrekken van keuringsbewijzen (apk), overtreding van de toegestane maximum snelheid en overtreding van een parkeerverbod. Als gevolg van deze overtredingen zijn aan [appellant] diverse boetebeschikkingen opgelegd.
1.4 Daarnaast zijn, als gevolg van de kentekenregistraties, aan [appellant] belastingaanslagen opgelegd van meer dan één miljoen euro.
1.5 In mei 1996 is de bijstandsuitkering van [appellant] beëindigd.
1.6 [appellant] is op grond van de Wahv, vanwege het niet betalen van de hem opgelegde boetes, van 7 tot 14 juni 1996 (zeven dagen) in gijzeling genomen.
1.7 Op 28 juni 1996 heeft de politie [appellant] gehoord als zogeheten ‘katvanger’. Er is geen strafrechtelijke vervolging ingesteld tegen hem.
1.8 Bij brief van 1 juli 1996 heeft de raadsman van [appellant] bij de officier van justitie bezwaar gemaakt tegen diverse aan [appellant] opgelegde boetebeschikkingen, op grond van het feit dat [appellant] niet de beschikking had gehad over de voertuigen waarmee de overtredingen waren begaan. De advocaat heeft in dezelfde brief melding gemaakt van de vermissing van het rijbewijs en aangifte gedaan van valsheid in geschrifte door de gebruikers van de desbetreffende voertuigen. Daarnaast heeft de advocaat de officier van justitie verzocht om ervoor zorg te dragen dat het vermiste rijbewijs ongeldig zou worden verklaard en dat landelijk via de centrale computer zou worden doorgegeven dat een ieder wordt aangehouden die gebruik maakt van het betreffende rijbewijs, met de navolgende toelichting: “De heer [appellant] heeft getracht dit op advies van rechercheur C (…) zelf te bewerkstelligen, doch men wenst dat op de afdeling afgifte rijbewijzen van de gemeente niet te doen voordat een nieuw rijbewijs is aangevraagd en daarvoor heeft de heer [appellant] geen geld temeer omdat hem al maanden een uitkering wordt geweigerd, omdat hij zoveel auto’s op zijn naam heeft staan.”
1.9 [appellant] is wederom in gijzeling genomen van 18 december 1996 tot 22 januari 1997 (35 dagen).
1.10 Zoals hierboven reeds vermeld heeft [appellant], na een aanvraag daartoe, op 14 maart 1997 een nieuw rijbewijs verkregen. Met ingang van die datum konden er door derden geen kentekenregistraties meer plaatsvinden met behulp van het vermiste rijbewijs.
1.11 Vanaf 1997 of 1998 tot begin 2004 is [appellant] ondergedoken.
1.12 [appellant] is op 8 januari 2004 opnieuw op grond van de Wahv in gijzeling genomen. [appellant] is op 26 januari 2004 in vrijheid gesteld. [appellant] heeft in die periode de navolgende procedures gestart.
Bestuursrechtelijke procedure tegen RDW 1.13 Op 13 januari 2004 heeft [appellant] de Algemeen Directeur van de Dienst Wegverkeer te Zoetermeer (hierna: RDW) verzocht om (een aantal) kentekenregistraties aan te passen.
1.14 Bij besluit van 2 april 2004 heeft de RDW de tenaamstelling van 240 kentekens met ingang van die datum vervallen verklaard, waardoor de bijhorende kentekenbewijzen ongeldig werden. De overige van de in totaal 1737 tenaamstellingen (zie 1.2) waren vóór 2 april 2004 reeds vervallen. De RDW heeft de vervallenverklaring niet, zoals verzocht, met terugwerkende kracht vervallen verklaard, omdat “daarmee de zuiverheid van dat register [Hof: het kentekenregister] ernstig zou worden aangetast.” De RDW adviseert [appellant] in dit besluit om in het geval hij niet verantwoordelijk is geweest voor de voertuigen vóór de datum van vervallenverklaring, zich te wenden tot de instanties die hem in verband met deze voertuigen aansprakelijk hebben gehouden, zoals de officier van justitie en de Belastingdienst.
1.15 [appellant] heeft tegen deze beslissing - tevergeefs - bezwaar gemaakt bij de RDW en vervolgens beroep ingesteld bij de rechtbank Rotterdam. Nadat het beroep door de rechtbank ongegrond was verklaard, heeft [appellant] beroep ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS). De ABRvS heeft in haar uitspraak van 7 december 2005 de beslissing van de rechtbank in stand gelaten.
EHRM 14 februari 2012 1.16 [appellant] heeft zich op 10 februari 2006 met een klacht tegen de Staat tot het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) gewend. Hij heeft zich beroepen op schending van de artikelen 5, 6, 7 en 8 van het EVRM. Het EHRM heeft op 14 februari 2012 uitspraak gedaan en een schending van artikel 8 EVRM vastgesteld (EHRM, 14 februari 2012, no. 7094/06). Kort gezegd acht het hof het recht op respect voor het privéleven geschonden omdat het feit dat het vermiste rijbewijs op het moment van melding van die vermissing niet ongeldig is verklaard, misbruik van de identiteit van [appellant] door anderen mogelijk maakte. Het EHRM heeft onder meer het volgende overwogen:
Ten aanzien van artikel 8 EVRM “37. The Court takes the view that the failure to invalidate the applicant's driving license as soon as the applicant reported it missing, which made abuse of the applicant's identity by other persons possible, constitutes an ‘interference’ with the applicant's right to respect for his ‘private life’. (…) 38. The applicant's submissions notwithstanding, the Court accepts that the interference had a basis in domestic law, namely section 123 of the Road Traffic Act and section 40 of the Vehicle Registration Regulations as construed by the Administrative Jurisdiction Division.
Ten aanzien van artikel 6 EVRM “49. The applicant complained that he had been detained for offences committed by others based solely on presumptions flowing from the registration of vehicles in his name. He relied on under 6 § 2 of the Convention (….) 51. Again leaving aside the question whether the requirements of Article 35 § 1 of the Convention have been met, the Court points out that in Falk v. the Netherlands (dec.), no. 66273/01, ECHR 2004-XI, it found, inter alia, that a person fined under Article 5 of the Traffic Regulations Administrative Enforcement Act could challenge the fine before a trial court with full competence in the matter. In such proceedings, the person concerned was not left without means of defence given that he or she could raise arguments based on section 8 of that Act.
Ten aanzien van artikel 5 EVRM “54. The applicant complained that his detention under section 28 of the Traffic Regulations Administrative Enforcement Act constituted deprivation of liberty not ordered by a competent court. When he had been committed for detention after failing to pay the fine, there had been no re-examination of the original decision imposing the fine even though the original decision had been flawed through not having reached him and because the offence had been committed by someone else. He relied on Article 5 of the Convention (….) 57. On the applicant's own admission, correspondence from public authority did not reach him because he had gone into hiding. It further notes that the applicant had the right to object to the public prosecutor against the imposition of the administrative fines (section 6 of the Traffic Regulations Administrative Enforcement Act); to apply to the District Court on the ground that he had not committed the offences (section 8); and to be heard by the District Court before the order to commit him to detention was given (section 28(2)) (see paragraph 23 above). These procedural guarantees are, in principle, adequate.
Toepassing van artikel 41 EVRM “62. (….) The applicant claimed compensation of pecuniary and non-pecuniary damage and costs and expenses.
A. Pecuniary and non-pecuniary damage 63. The applicant claimed the following sums in respect of pecuniary and non-pecuniary damage: a. 83,701.86 euros (EUR), the estimated sum which he had lost in respect of lost social- security benefits; b. EUR 11,000 towards the interest on debts which he was unable to service as a result of having lost his income; c. EUR 500, the estimated total of the fines which he had had to pay, which had been advanced by members of his family; d. EUR 4,530 for the time that he spent in detention, calculated according to domestic rates; e. EUR 100,000 in a single sum for “emotional damages” and the resulting loss of earning capacity in the future. (….) 65. Rule 60 of the Rules of Court provides, inter alia, that “the applicant must submit itemised particulars of all claims, together with any relevant supporting documents”, failing which “the Chamber may reject the claim in whole or in part”. The attention of the applicant’s representative was drawn to this provision by the Registrar at the appropriate stage of the proceedings.
B. Costs and expenses 68. The applicant claimed the following sums in respect of costs and expenses: (…) 70. The Court notes that these claims are entirely unspecified and unsupported by documentary evidence. Having regard to the dear terms of Rule 60 and referring to paragraph 65 above, it therefore rejects them.”
1.17 Het door het EHRM toegekende bedrag van € 9.000,- aan immateriële schade heeft de Staat aan [appellant] betaald.
Artikel 12 Sv-procedure en “schoning” van de documentatie van [appellant] 1.18 heeft op 12 februari 2004 een klaagschrift ingediend bij het gerechtshof Amsterdam, waarin hij de beslissing van de officier van justitie om geen strafvervolging in te stellen jegens diegenen die op zijn naam auto’s hebben laten registreren, bestrijdt.
1.19 Bij beschikking van 22 juni 2005 heeft het hof het beklag ongegrond verklaard. Daarbij heeft het hof het voorstel van de advocaat-generaal onderschreven om tot een eenmalige sanering over te gaan van de talloze procedures waarin [appellant] ongewild verwikkeld is geraakt, om zo de problematiek van [appellant] op te lossen.
1.20 Bij klaagschrift van 23 juni 2005 heeft [appellant] het hof verzocht de beslissing te herzien. Bij tussenbeslissing van 15 januari 2007 heeft het hof aan de advocaat-generaal verzocht waarom “schoning” van de documentatie van [appellant] achterwege was gebleven. Uit een brief van 13 november 2008 van het OM blijkt dat de “schoning” van de documentatie destijds abusievelijk achterwege is gelaten; eind 2008 vindt alsnog de “schoning” plaats van alle CJIB-zaken. Het hof heeft het klaagschrift bij beschikking van 26 maart 2009 alsnog ongegrond verklaard.
Wahv-procedure - boetebeschikkingen 1.21 [appellant] heeft op 18 juni 2004 beroep ingesteld tegen de beslissingen van de officier van justitie ten aanzien van 39 op grond van de Wahv opgelegde boetebeschikkingen die aan hem werden verzonden in de periode van 28 mei 1997 tot en met 28 september 1999. In zijn uitspraak van 19 juli 2005 heeft de kantonrechter de termijnoverschrijding verschoonbaar geacht en de boetebeschikkingen inhoudelijk beoordeeld. De kantonrechter heeft de beroepen gegrond geacht en de boetebeschikkingen vernietigd. Daartoe overwoog de kantonrechter onder meer: “3.2. In de Wahv is geregeld, zakelijk weergegeven, dat de kentekenhouder aansprakelijk is in gevallen waarin niet aanstonds kan worden vastgesteld wie de bestuurder is (…). Bedoelde aansprakelijkheid impliceert dat de overheid ervoor zorg dient te dragen dat de kentekenregistratie uiterst zorgvuldig dient plaats te vinden. Voorts mag van de overheid verwacht worden dat zo veel mogelijk wordt voorkomen dat onjuiste of onterechte registraties plaatsvinden.
3.3.
Met gebruikmaking van een rijbewijs kan de houder daarvan een kenteken op zijn naam laten stellen. Al jaren is bekend dat gestolen rijbewijzen worden gebruikt om kentekens op naam te stellen van degene van wie het rijbewijs is gestolen. Pas nadat het rijbewijs ongeldig was geworden (was komen te vervallen) verviel de mogelijkheid om met dat rijbewijs kentekens te naam te stellen. Tot voor kort verviel een rijbewijs pas als een nieuw rijbewijs werd aangevraagd. Inmiddels is het zo dat door aangifte van verlies/diefstal van een rijbewijs met dat rijbewijs geen tenaamstelling meer mogelijk is. De periode dat van een gestolen rijbewijs gebruik gemaakt kan worden is daarmee is veel gevallen aanzienlijk bekort. Die verbetering heeft [appellant] niet kunnen baten.
3.4.
De raadsman van [appellant] heeft er op gewezen dat de autoriteiten hun verplichting om de juistheid van de gegevens van het kentekenregister te waarborgen niet naar behoren zijn nagekomen. Zowel politie- en justitieautoriteiten waren op de hoogte van de aangifte door [appellant] van het verlies van zijn rijbewijs en van het gebruik dat van dat rijbewijs werd gemaakt. Desondanks zijn maandenlang vele kentekens per dag op naam van [appellant] gesteld met gebruikmaking van dat rijbewijs.
3.5.
Gezien hetgeen onder 2.2. is overwogen is voldoende komen vast te staan dat [appellant] enorme gevolgen heeft ondervonden van het gebruik/misbruik dat van zijn (gestolen) rijbewijs is gemaakt. Indien [appellant] geen enkel verwijt kan worden gemaakt over het gebruik/misbruik dat van zijn rijbewijs is gemaakt zijn vorenbedoelde gevolgen onaanvaardbaar. Indien [appellant] wel een verwijt valt te maken (bijv. katvangerschap) heeft te gelden dat de gevolgen van dat onjuiste handelen in geen verhouding staan tot zijn vergrijp. Dat betekent echter niet dat de initiële beschikkingen die [appellant] heeft gekregen nietig zijn, zoals de raadsman heeft aangevoerd.
3.6. (…) In artikel 8 Wahv is een regeling gegeven ter voorkoming van het ontsporen van de aansprakelijkheid van de kentekenhouder. Hoewel de zaak van [appellant] niet precies onder de daar genoemde gevallen kan worden gerangschikt wordt beslist dat de officier van justitie, naar analogie van artikel 8 onder a. Wahv, de beschikkingen had moeten vernietigen. De beroepen zijn mitsdien gegrond.”
Tegen deze uitspraak is geen beroep ingesteld.
Aansprakelijkstellingen en verdere verloop 1.22 Bij brief van 13 januari 2004 heeft de advocaat van [appellant] de Staat gemaand de gijzeling van [appellant] (zie 1.12.) te beëindigen en alle dwangmaatregelen ten aanzien van ten onrechte op zijn naam gestelde auto’s, ook die ter incasso van belastinggelden, achterwege te laten. Voorts heeft de advocaat de Staat aansprakelijk gesteld voor de schade die “betrokkene [[appellant], hof] heeft geleden door de ten onrechte ondergane gijzelingen en ten onrechte door betrokkene of diens familie uitgezeten en/of betaalde boetes en ten onrechte door hem betaalde belastingen”.
1.23 In 2004 zijn de bijstandsuitkeringen aan [appellant] weer hervat; [appellant] heeft nadien werk gevonden en geniet thans geen bijstandsuitkering.
1.24 [appellant] is in 2006/2007 in behandeling geweest in verband met psychische klachten.
1.25 Bij brief van 22 augustus 2008 heeft de advocaat van [appellant] onder verwijzing naar zijn brief van 13 januari 2004 de Staat het volgende bericht: “In verband met een mogelijke schaderegeling in het kader van de procedure bij het EHRM voor het totaal van de vordering wil ik de verjaring stuiten ingevolge 3:316 BW voor de vordering in verband de kosten voor rechtsbijstand etc. en immateriële schade voor de gijzelingsperiode in de periode 8 januari 2004 tot en met 26 januari 2004.”
1.26 Bij brief van 17 april 2014 heeft de advocaat van [appellant] de Staat aansprakelijk gesteld voor een totale schade van € 199.731,61 minus de uitgekeerde € 9.000, te vermeerderen met de daadwerkelijk gemaakte advocaatkosten.
I ingevolge artikel 392 Rv aan de Hoge Raad dan wel aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) als prejudiciële vragen voorlegt, kort gezegd, a. a) of de wetgeving ter zake van de registratie van kentekens strijdig is met elementaire grondbeginselen,
II voor recht verklaart dat: ( i) de Staat onrechtmatig heeft gehandeld jegens hem door tot strafvervolging over te gaan op grond van wetgeving die strijdig is met de elementaire beginselen van het strafrecht, waarbij een strafsanctie kan worden opgelegd op de persoon op wiens naam het motorvoertuig in het kentekenregister staat geregistreerd in verband met de verplichting tot keuring van een motorvoertuig, zonder dat vaststaat dat de kenteken geregistreerde dit motorrijtuig doet deelnemen of toelaat dat het deelneemt aan het verkeer en hem derhalve dienaangaande een verwijt treft; (ii) de Staat onrechtmatig (in strijd met artikel 430 lid 3 Rv) heeft gehandeld dan wel nagelaten, door niet, alvorens tot aanhouding en/of tenuitvoerlegging van een machtiging tot gijzeling over te gaan, deze machtiging tot gijzeling in persoon aan [appellant] te betekenen en hem alsnog aan te zeggen binnen twee dagen zijn verplichtingen na te komen en voorts tot ten uitvoerlegging is over gegaan terwijl [appellant] onmachtig was te betalen; (iii) de Staat onrechtmatig heeft gehandeld dan wel nagelaten door bij de tenuitvoerlegging van een machtiging tot gijzeling [appellant] niet binnen 87 uur na de vrijheidsbeneming voor de rechter te geleiden ter toetsing van de rechtmatigheid van de detentie/gijzeling op basis van de onderliggende strafbeschikking; (iv) de Staat onrechtmatig heeft gehandeld dan wel nagelaten door [appellant] na de vrijheidsbeneming niet binnen zes uur te voorzien van rechtsbijstand door een advocaat; ( v) de Staat jegens [appellant] onrechtmatig tekort is geschoten in zijn zorgplicht als registerhouder van het kentekenregister, welke zorgplicht erin bestaat dat het kentekenregister (basisregister) de feitelijke juiste gegevens bevat, en hem het recht tot correctie daarvan (met terugwerkende kracht) heeft ontzegd; (vi) de Staat ten onrechte gegevens van [appellant] heeft verstrekt aan overheidsinstanties, die op basis van die gegevens tot strafbeschikkingen over zijn gegaan, zonder geverifieerd te hebben of deze gegevens juist waren; en voorts:
III. de Staat veroordeelt tot betaling aan [appellant] van een schadevergoeding van € 190.731,86, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 juli 2010, althans tot een door de rechtbank te benoemen deskundigen nader vast te stellen schadevergoeding, een en ander op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, IV. de Staat veroordeelt in de buitengerechtelijke kosten van € 2.000, en V. de Staat veroordeelt in de kosten van deze procedure 3. De rechtbank heeft, kort samengevat, overwogen dat de vorderingen tot schadevergoeding zijn verjaard en dat [appellant] geen zelfstandig belang heeft bij de gevorderde verklaringen voor recht. Ten overvloede heeft de rechtbank overwogen dat het grootste deel van de vorderingen tot schadevergoeding afstuit op een gebrek aan onderbouwing van het causaal verband en de omvang van de schade. Bij deze stand van zaken bestond geen noodzaak tot het stellen van prejudiciële vragen. [appellant] is in de proceskosten van de Staat veroordeeld en deze kostenveroordeling is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
I. aan het HvJEU de volgende prejudiciële rechtsvragen voorlegt:
II. voor recht verklaart
III. de Staat veroordeelt tot betaling aan [appellant] van een schadevergoeding van € 190.731,86, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 juli 2010, althans subsidiair, de Staat veroordeelt tot betaling van een door een door de rechtbank te benoemen deskundige nader vast te stellen schadevergoeding, dan wel tot betaling van een schadevergoeding nader op te maken bij staat;
IV. de Staat veroordeelt tot vergoeding van de buitengerechtelijke kosten van € 2.000,- en de proceskosten van de Staat.
Hij stuurde in 1996 ook een brief aan het openbaar ministerie, waarin hij bezwaar maakte tegen de aan hem opgelegde boetes en waarin hij verzocht om zorg te dragen voor ongeldigverklaring van het rijbewijs (zie onder 1.8). Daarbij maakte [appellant] melding van het feit dat hem bij de gemeente was medegedeeld dat ongeldigverklaring niet mogelijk was voordat een nieuw rijbewijs was aangevraagd. In maart 1997 heeft [appellant] alsnog een nieuw rijbewijs aangevraagd en gekregen. Na een periode ondergedoken geweest te zijn is [appellant] in januari 2004 (voor de laatste maal ter zake van de in het geding zijnde kwestie) opnieuw in gijzeling genomen (zie 1.12). Ook van de daardoor geleden schade wenst [appellant] vergoeding, zo begrijpt het hof.
In dezelfde maand, januari 2004, heeft [appellant] de RDW aangeschreven (zie onder 1.13) en de Staat aansprakelijk gesteld (zie onder 1.22) en een paar maanden later heeft hij beroep ingesteld tegen de beslissingen van de officier van justitie ten aanzien van een aantal boetebeschikkingen (zie onder 1.20). In 2005 deed de kantonrechter uitspraak in de Wahv-procedure (zie onder 1.21) en in december van dat jaar deed de ABRvS uitspraak in de bestuursrechtelijke procedure tegen de RDW (zie onder 1.15).
Beslissing Het hof:
Dit arrest is gewezen door mrs. E.M. Dousma-Valk, G. Dulek-Schermers en P. Glazener en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 augustus 2017, in aanwezigheid van de griffier.