GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer : 200.221.827/01 Zaaknummer rechtbank : C/10/528064/KG RK 17-867 Beschikking van 15 december 2017 in het incident en in de hoofdzaak inzake S’Energy B.V., gevestigd te Rotterdam, appellante in de hoofdzaak en verzoekster in het incident, hierna te noemen: S’Energy, advocaten: mr. R.M. Hermans en mr. R.L.M.M. Tan te Amsterdam, tegen PZEM N.V., voorheen genaamd Delta N.V., gevestigd te Middelburg, geïntimeerde in de hoofdzaak en verweerster in het incident, hierna te noemen: PZEM, advocaten: mr. P.D. Olden en mr. R.J. van Galen te Amsterdam. Het geding Bij beroepschrift door het hof ontvangen op 23 augustus 2017 is S’Energy in hoger beroep gekomen van een door de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam, locatie Rotterdam, tussen partijen gegeven beschikking van 3 juli 2017. S’Energy heeft tegen de beschikking drie grieven aangevoerd. Vervolgens heeft S’Energy een verzoek gedaan tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad ex artikel 360 lid 2 Rv, tevens verzoek tot versnelde behandeling van de hoofdzaak. PZEM heeft in een verweerschrift (ten gronde en in het incident) de grieven bestreden en verweer gevoerd tegen het incidenteel verzoek.Tijdens de mondelinge behandeling van het incidenteel verzoek op 8 november 2017 en van de hoofdzaak op 27 november 2017 hebben partijen hun standpunt toegelicht, S’Energy door mr. R.M. Hermans, voornoemd, en mr. Malmberg, advocaat te Den Haag, en PZEM door mr. R.J. van Galen en mr. P. Olden, voornoemd, mede aan de hand van overgelegde pleitnotities.Het hof heeft partijen ter zitting van 27 november 2017 medegedeeld in de hoofdzaak en in het incident heden (tegelijkertijd) uitspraak te zullen doen.Beoordeling van het hoger beroep Het gaat in deze zaak om het volgende: In maart 2009 hebben S’Energy en PZEM (toen geheten: Delta) een vaststellingsovereenkomst gesloten, waarmee zij beoogden hun onderlinge geschil in de joint-venture Sunergy tot oplossing te brengen. Ter uitvoering van deze vaststellingsovereenkomst ontving S’Energy een vergoeding van circa € 34 miljoen voor de overdracht van haar aandelen. Op 6 augustus 2010 heeft S’Energy PZEM in rechte betrokken en onder meer gevorderd – kort gezegd – PZEM te veroordelen tot vergoeding van schade, op te maken bij staat. De rechtbank Amsterdam heeft de vorderingen van S’Energy in haar vonnis van 22 februari 2012 afgewezen. In hoger beroep heeft het hof Amsterdam een deskundigenbericht bevolen. Tegen twee arresten van het hof Amsterdam, namelijk de arresten van 24 juni 2014 en 2 juni 2015, is door partijen cassatieberoep ingesteld. In zijn arrest van 27 januari 2017 heeft de Hoge Raad beide arresten van het hof Amsterdam vernietigd en de zaak verwezen naar dit hof. S’Energy moet de zaak nog aanbrengen bij het hof. Op 31 mei 2017 heeft S’Energy de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam (verder: voorzieningenrechter) schriftelijk verzocht haar verlof te verlenen voor het leggen van conservatoir derdenbeslag ten laste van PZEM onder Stedin Holding NV en Stedin Netbeheer BV (verder tezamen aan te duiden: Stedin) op hetgeen deze vennootschappen aan PZEM verschuldigd waren of zouden worden uit hoofde van een ten tijde van het beslag bestaande rechtsverhouding, dit tot zekerheid van de voldoening van een vordering begroot op € 93.060.000,-- op PZEM. De voorzieningenrechter heeft dat verlof bij beschikking van 7 juni 2017 ‘voorlopig’ verleend en de vordering ‘voorlopig’ begroot op genoemd bedrag; de voorzieningenrechter bepaalde daarbij dat een mondelinge behandeling zou plaatsvinden op 19 juni 2017, na het leggen van het beslag.S’Energy heeft de derdenbeslagen op 8 juni 2017 gelegd. Op initiatief van PZEM, die kort na het leggen van het conservatoir beslag onder Stedin contact had opgenomen met S’Energy, is een bankgarantie verstrekt aan S’Energy voor het door de voorzieningenrechter voorlopig begrote bedrag. In een e-mail van de advocaat van PZEM aan de advocaat van S’Energy van 10 juni 2017 heeft deze geschreven:“Uitgangspunt is dat de zekerheidsstelling er niet toe mag leiden dat de positie van S’Energy verbetert ten opzichte van beslaglegging.”Rondom het stellen van de bankgarantie heeft PZEM niet te kennen gegeven dat zij een tegengarantie wenste of zou verlangen in het kader van de verdere beoordeling van het beslagverlof door de voorzieningenrechter. Met een verweerschrift van 15 juni 2017 is PZEM tegen de verlening van het verzochte verlof opgekomen; PZEM heeft subsidiair – voor het geval het verzoek tot verlofverlening niet (alsnog) zou worden afgewezen – verzocht om S’Energy te verplichten zekerheid te stellen, onder meer omdat S’Energy een “lege huls” zou zijn. De voorzieningenrechter heeft op 3 juli 2017 het verlof tot conservatoire beslaglegging ‘definitief’ verleend onder de voorwaarde dat S’Energy binnen drie weken na de datum van de beschikking zekerheid zou stellen voor de schade die het beslag zou kunnen veroorzaken. Het bedrag waarvoor S’Energy zekerheid diende te stellen werd gesteld op € 10 mio. De voorzieningenrechter wees het verzoek af als toereikende zekerheid niet binnen de genoemde drie weken zou zijn gesteld. De voorzieningenrechter heeft de beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard.Bij beschikkingen van 21 juli 2017 en van 25 augustus 2017 heeft de voorzieningenrechter de termijn om zekerheid te stellen op de voet van het bepaalde in artikel 616 lid 4 Rv verlengd, laatstelijk tot en met 31 december 2017. Het verzoek van S’Energy, in het incident en in de hoofdzaak 3. In het incident verzoekt S’Energy de uitvoerbaarheid bij voorraad van de beschikking van de voorzieningenrechter te schorsen “voor zover die uitvoerbaarheid bij voorraad betrekking heeft op de aan het verlof verbonden voorwaarde” tot (kort gezegd) het stellen van zekerheid door S’Energy. Daarbij heeft S’Energy aangetekend dat het haar erom te doen is dat het beslagverlof hangende het hoger beroep in stand blijft. Verder heeft S’Energy verzocht PZEM in de kosten te veroordelen.In de hoofdzaak verzoekt S’Energy het hof om de beschikking waarvan beroep te vernietigen voor zover het betreft de aan het verleende verlof verbonden voorwaarde dat S’Energy een deugdelijke zekerheid moet stellen ter grootte van € 10 mio. S’Energy verzoekt PZEM te veroordelen in de kosten van het geding. Behoudens ten aanzien van het schorsingsverzoek geldt dat S’Energy wenst dat de desbetreffende beslissingen uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.De beoordeling, in de hoofdzaak en in het incident Staat hoger beroep open tegen de beschikking van de voorzieningenrechter? 4. PZEM voert aan dat S’Energy niet in haar hoger beroep kan worden ontvangen omdat het verzoek tot verlening van het verlof tot conservatoire beslaglegging van S’Energy is gehonoreerd en de wet hoger beroep tegen een krachtens artikel 700 lid 2 Rv gegeven verlof uitsluit. 5. Het hof neemt het bepaalde in artikel 700 lid 2 Rv tot uitgangspunt: hoger beroep tegen de beschikking waarbij verlof tot het leggen van conservatoir beslag is verleend, heeft de wetgever uitgesloten. De belangrijkste reden voor deze uitsluiting is dat de verzoeker/beslaglegger op het verkregen beslagverlof moet kunnen voortbouwen en de wetgever het uit een oogpunt van rechtszekerheid niet wenselijk achtte de geldigheid van de voortbouwende maatregelen van een nog lopende hogere voorziening afhankelijk te doen zijn (zie Parl. Gesch. Wijziging Rv. e.a.w. (Inv. 3, 5 en 6), blz. 68). Op basis van de wettekst en de wetsgeschiedenis van de artikelen 700 en 701 Rv valt echter niet duidelijk vast te stellen of – en zo ja: waarom – de wetgever hoger beroep ook heeft willen blokkeren in het geval de voorzieningenrechter het verlof tot conservatoire beslaglegging voorwaardelijk heeft verleend op de voet van het bepaalde in artikel 701 Rv. De verlening van het verlof is in dat geval afhankelijk gemaakt van het stellen van zekerheid door de verzoeker/beslaglegger ten behoeve van de beslagdebiteur, om verhaal van schade die door het beslag kan worden veroorzaakt veilig te stellen. Artikel 701 Rv rept niet over het al dan niet openstaan van hoger beroep. 6. Het hof is van oordeel dat hoger beroep in een dergelijk geval, een situatie die zich hier voordoet, wel open staat en motiveert dat als volgt.De wetgever heeft ten aanzien van de uitsluiting van een hogere voorziening tegen de verlening van het conservatoir beslagverlof overwogen dat de wet een “afzonderlijke weg” aanwijst voor de beslagdebiteur om tegen verlofverlening op te komen, namelijk het kort geding, zie artikel 705 Rv. Dat kort geding zou, zo overwoog de wetgever, een grondiger onderzoek mogelijk maken dan in het kader van bij de beschikking op het verzoekschrift dat ”meestal wordt gegeven zonder dat de wederpartij is gehoord”. Tegen de afwijzing van het verzoek tot verlening van dat verlof is wel hoger beroep door de verzoeker/beslaglegger opengesteld. De wetgever motiveerde die openstelling van hoger beroep zo: “Anderzijds is evenzeer onwenselijk dat de verzoeker niet tegen een weigering van het verlof (…) zou kunnen opkomen, nu hij bij het verkrijgen daarvan groot belang kan hebben” Zie Parl. Gesch. Wijziging Rv. e.a.w. (Inv. 3, 5 en 6), blz. 68. De wet biedt de verzoeker/beslaglegger niet een afzonderlijke (en met voldoende waarborgen omklede) rechtsgang om tegen een voorwaarde waaronder het verlof is verleend, op te komen.Het hof neemt in aanmerking dat een voorwaarde tot het stellen van zekerheid het leggen van het beslag illusoir kan maken; dat zal zich voordoen als de verzoeker/beslaglegger eenvoudigweg niet in staat is die zekerheid te stellen. Hij heeft dan wel het verzochte verlof maar de daaraan door de voorzieningenrechter verbonden voorwaarde maakt het in feite onmogelijk van het verlof gebruik te maken. En dat is exact wat S’Energy betoogt: zij heeft niet de middelen om zekerheid te verstrekken voor het bedrag dat de voorzieningenrechter in dit geval heeft bepaald. Voor S’Energy betekent het dat de voorwaardelijke verlofverlening in feite gelijk is te stellen met een weigering van het verzochte (immers onvoorwaardelijk te verlenen) verlof. De voorzieningenrechter die van de hem in artikel 701 Rv gegeven discretionaire bevoegdheid gebruikt maakt, zal een afweging hebben gemaakt van alle relevante omstandigheden, waaronder de kans dat de door de verzoeker/beslaglegger gepretendeerde vordering geen standhoudt. Naar het oordeel van het hof ligt het – gezien het voorgaande – meer voor de hand de verzoeker/beslaglegger de bevoegdheid toe te kennen tegen deze afweging door de voorzieningenrechter op te komen en derhalve tegen (het stellen van) die voorwaarde tot het verschaffen van zekerheid in hoger beroep te komen. Dat is dan ook de conclusie waartoe het hof komt: S’Energy is ontvankelijk in haar hoger beroep.Kan PZEM op zekerheid aanspraak maken gelet op de door partijen gesloten overeenkomst? 7. S’Energy neemt het standpunt in dat partijen een overeenkomst zijn aangegaan in het kader waarvan overeenstemming is bereikt over het stellen van een bankgarantie in plaats van het gelegde conservatoire derdenbeslag waartoe S’Energy op 7 juni 2017 “voorlopig” verlof was verleend. Het is die overeenkomst, en de uitleg die aan die overeenkomst moet worden gegeven, die in de visie van S’Energy in de weg stond en staat aan het – nadien nog – verlangen van zekerheid. En dat is wat PZEM niettemin heeft gedaan tijdens de mondelinge behandeling ten overstaan van de voorzieningenrechter en welk verzoek de voorzieningenrechter heeft ingewilligd door de voorwaarde aan de verlofverlening te verbinden. Volgens S’Energy behield PZEM zich het recht voor te bepleiten dat de voorzieningenrechter het ‘voorlopig’ verleende verlof niet definitief zou verlenen. Dat geldt ook voor de bevoegdheid om, zodra vast zou komen te staan dat S’Energy geen vordering heeft op PZEM, schadevergoeding te vorderen wegens het onrechtmatig leggen van beslag. Maar alsnog zekerheid verlangen kon PZEM niet meer, temeer niet nu zij bij haar aanbod de beslaggarantie te stellen een dergelijk voorbehoud niet had gemaakt, aldus S’Energy. 8. Het hof stelt voorop dat S’Energy het conservatoire beslag heeft gelegd onder een derde, Stedin, die ten tijde van de beslaglegging op grond van een koopovereenkomst met PZEM een koopprijs van circa € 488 mio. verschuldigd was. Deze koopprijs zou Stedin moeten voldoen ten tijde van een “closing” die drie werkdagen na de conservatoire derdenbeslaglegging plaats zou vinden. Deze transactie, noodzakelijk voor een beoogde splitsing van de activiteiten van PZEM, kon PZEM onmogelijk uitstellen, gezien de druk van toezichthouder ACM om de splitsing te realiseren, zo heeft PZEM onweersproken aangevoerd. PZEM heeft S’Energy daarom dadelijk vervangende zekerheid aangeboden in de vorm van een bankgarantie tot het bedrag van de door S’Energy begrote vordering van circa € 93 mio. Dat er haast mee gemoeid was, komt begrijpelijk en aannemelijk voor. Dat S’Energy die voortvarendheid van PZEM bij dit proces als “grote druk” heeft ervaren is ook voor te stellen, maar komt voor rekening van S’Energy die nu eenmaal heeft gekozen voor het middel van conservatoire derdenbeslaglegging, een middel dat drastisch kan ingrijpen in de bedrijfsvoering van de beslagdebiteur. Het hof gaat er dan ook aan voorbij dat S’Energy – zoals zij stelt – wellicht niet zou hebben ingestemd met een beslaggarantie als de druk van PZEM om aan de vervanging van het derdenbeslag door een bankgarantie mee te werken, minder groot was geweest. 9. Het zou PZEM hebben vrijgestaan de voorzieningenrechter om zekerheidstelling op de voet van artikel 701 Rv te vragen als het derdenbeslag onder Stedin nog in stand zou zijn geweest ten tijde van de mondelinge behandeling op 19 juni 2017. Het hof ziet niet in waarom PZEM die bevoegdheid niet meer toekwam, zoals S’Energy stelt, nadat zij (PZEM) de bankgarantie had gesteld. De onder 2
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.