GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht meervoudige kamer nummer BK-17/00706 Uitspraak van 19 december 2017 in het geding tussen: [X] te [Z] , belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Heerlen, de Inspecteur, op het hoger beroep van de Inspecteur tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 23 juni 2017, nummer SGR 16/9384, betreffende de onder 1.1. vermelde beschikking. Beschikking, bezwaar en geding in eerste aanleg 1.1. De Inspecteur heeft het door belanghebbende gedane verzoek om toepassing van de 30%-bewijsregel voor extraterritoriale kosten als bedoeld in artikel 10ei, lid 1, van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 (tekst 2012; het Uitvoeringsbesluit), bij beschikking van 10 oktober 2012 afgewezen. 1.2. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar afgewezen. 1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd en de Inspecteur opgedragen opnieuw uitspraak op het bezwaar te doen met inachtneming van hetgeen de Rechtbank in rechtsoverweging 16 van haar uitspraak heeft overwogen, alsmede de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende voor een bedrag van €1.238 en de vergoeding van het door belanghebbende in beroep betaalde griffierecht gelast. Loop van het geding in hoger beroep 2.1. De Inspecteur is van de uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. 2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 7 november 2017, gehouden te Den Haag. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Vaststaande feiten 3.1. Belanghebbende heeft op 22 december 2011 met een in Nederland gevestigde werkgever, [Y] B.V. (de werkgever) een arbeidsovereenkomst met ingang van 1 januari 2012 gesloten, waarbij belanghebbende wordt tewerkgesteld in Nederland vanaf 1 januari 2012. 3.2. Gedurende de periode van 24 maanden voorafgaand aan de aanvang van zijn tewerkstelling in Nederland was belanghebbende woonachtig in Duitsland op een afstand van minder dan 150 kilometer van de Nederlandse grens. 3.3. Vanaf 1 januari 2012 zijn de voorwaarden voor toepassing van de 30%-regeling gewijzigd. Onder meer is het in artikel 10e van het Uitvoeringsbesluit opgenomen begrip ‘ingekomen werknemer’ gewijzigd door daaraan als voorwaarde toe te voegen dat de werknemer in meer dan twee derde van de periode van 24 maanden voorafgaand aan de aanvang van de tewerkstelling in Nederland woonachtig was op een afstand van meer dan 150 kilometer van de grens van Nederland (het 150-kilometercriterium). 3.4. Belanghebbende en zijn werkgever hebben bij op 16 augustus 2012 bij de Belastingdienst ingekomen verzoek, gezamenlijk verzocht om toepassing van de 30%-regeling met ingang van 1 augustus 2012. De Inspecteur heeft het verzoek bij brief van 10 oktober 2012 afgewezen met toepassing van artikel 10e van het Uitvoeringsbesluit zoals dat geldt met ingang van 1 januari 2012. Oordeel van de Rechtbank 4. De Rechtbank heeft omtrent het geschil, voor zover in hoger beroep van belang, als volgt overwogen: “15. Ondanks een per direct ingaande wijziging van de 30%-regeling op 1 januari 2012 is door de Hoge Raad in het arrest van 19 juni 2015 (ECLI:NL:HR:2015:1670) geoordeeld dat voor de vraag of sprake is van een ‘ingekomen werknemer’ moet worden aangesloten bij het moment waarop de arbeidsovereenkomst is gesloten in het aan de wijziging voorafgaande jaar 2011. De Hoge Raad heeft daartoe het volgende overwogen: “Aan de 30%-bewijsregel heeft mede de gedachte ten grondslag gelegen dat door vergroting van het netto besteedbare loon van de betrokken werknemer een faciliteit wordt geboden die het bedrijfsleven beter in staat stelt schaarse specifieke deskundigheid aan te trekken. Het strookt met deze gedachte om aan de hand van de feiten ten tijde van de totstandkoming van de arbeidsovereenkomst te beoordelen of de betrokken werknemer over de vereiste specifieke deskundigheid beschikt. Op dat moment staat immers de binnenlandse (aspirant-)werkgever in concurrentie tot buitenlandse (aspirant-)werkgevers en heeft hij baat bij het bestaan van de faciliteit (zie onderdeel 3.4.3 van het arrest BNB 2006/264). Daarbij sluit aan dat het tijdstip van de totstandkoming van de arbeidsovereenkomst eveneens maatgevend is als het erom gaat aan de hand van welke wettelijke voorschriften de aanwezigheid van specifieke deskundigheid moet worden beoordeeld. Die beoordeling moet dus plaatsvinden aan de hand van de op dat moment geldende wettelijke voorschriften, ook in het geval dat het verzoek tot toepassing van de 30%-bewijsregel later wordt gedaan en de regelgeving inmiddels is gewijzigd. In het onderhavige geval moet derhalve aan de hand van de regeling-2011 worden getoetst of belanghebbende over de vereiste specifieke deskundigheid beschikt.” 16. Ook voor onderhavig geval dient naar het oordeel van de rechtbank het onder 15 genoemde arrest tot uitgangspunt te worden genomen en dient de toetst - of de betrokken werknemer over de vereiste specifieke deskundigheid beschikt - te worden aangelegd naar het moment waarop de arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen. Dit betekent dat de afstandseis in het onderhavige geval niet van toepassing is. Het andersluidende standpunt van [de Inspecteur] berust op een onjuiste rechtsopvatting. 17. Vast staat dat de arbeidsovereenkomst in het geval van [belanghebbende] in 2011 tot stand is gekomen. Dit betekent dat gegeven het oordeel onder 16, [de Inspecteur] het verzoek ten onrechte heeft afgewezen en dat het beroep gegrond dient te worden verklaard onder terugwijzing naar [de Inspecteur] opdat deze opnieuw uitspraak op het bezwaar van [belanghebbende] doet met inachtneming van hetgeen is overwogen onder 16.” Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen 5.1. In geschil is of het verzoek om toepassing van de 30%-regeling terecht is afgewezen, meer in het bijzonder of belanghebbende moet voldoen aan het 150-kilometercriterium dat met ingang van 1 januari 2012 is opgenomen in artikel 10e van het Uitvoeringsbesluit. 5.2. De Inspecteur neemt het standpunt in dat het verzoek terecht is beoordeeld aan de hand van de voorwaarden die gelden vanaf 1 januari 2012, aangezien de tewerkstelling van belanghebbende in Nederland pas in 2012 is aangevangen. 5.3. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat het verzoek moet worden beoordeeld aan de hand van de voorwaarden die golden tot en met 31 december 2011, aangezien de arbeidsovereenkomst in 2011 is gesloten. Conclusies van partijen 6.1. Het hoger beroep van de Inspecteur strekt tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en bevestiging van de uitspraak op bezwaar. 6.2. Belanghebbende heeft geconcludeerd tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. Beoordeling van het hoger beroep Wettelijk kader en wijziging voorwaarden 30%-regeling per 1 januari 2012 7.1. Ingevolge artikel 31a, lid 2, aanhef en letter e, van de Wet op de loonbelasting 1964 (tekst 2012; de Wet LB 1964) kunnen aan werknemers toegekende vergoedingen en verstrekkingen onbelast plaatsvinden indien zij betrekking hebben op extra kosten van tijdelijk verblijf van een werknemer buiten het land van herkomst (extraterritoriale kosten). Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de extraterritoriale kosten van (onder meer) een werknemer van buiten Nederland die door een in Nederland inhoudingsplichtige werkgever in dienstbetrekking wordt genomen. Bij die regels kan worden bepaald dat vergoedingen van kosten en verstrekkingen van verblijf buiten het land van herkomst gedurende ten hoogste acht jaar ten minste worden beschouwd als vergoeding voor extraterritoriale kosten tot ten hoogste 30% van het bij die regels aan te wijzen gedeelte van het loon. Deze regels zijn gesteld in hoofdstuk 4A van het Uitvoeringsbesluit. 7.2. Op grond van artikel 10ea, lid 1, van het Uitvoeringsbesluit worden vergoedingen en verstrekkingen van kosten, respectievelijk ter voorkoming van kosten van verblijf buiten het land van herkomst, ten aanzien van ingekomen werknemers op gezamenlijk verzoek van de werknemer en de inhoudingsplichtige, in elk geval beschouwd als vergoeding voor extraterritoriale kosten tot 30% van de grondslag. 7.3. De definitie van het voor de toepassing van de 30%-regeling relevante begrip ‘ingekomen werknemer’ is opgenomen in het tweede lid van artikel 10e van het Uitvoeringsbesluit. Deze definitie luidde in de tot en met 31 december 2011 geldende tekst: “2 Verstaan wordt onder: a. extraterritoriale werknemers: ingekomen werknemers (...); b. ingekomen werknemer: door een inhoudingsplichtige uit een ander land aangeworven, of naar een inhoudingsplichtige gezonden werknemer in de zin van artikel 2 van de wet, met een specifieke deskundigheid die op de Nederlandse arbeidsmarkt niet of schaars aanwezig is; (...)”. Bij artikel II, letter D, van het Besluit van 22 december 2011 tot wijziging van enige fiscale uitvoeringsbesluiten, Stb. 2011, 677 (het Besluit van 22 december 2011) is het 150-kilometercriterium toegevoegd aan de in artikel 10e van het Uitvoeringsbesluit opgenomen definitie van het begrip ‘ingekomen werknemer’. Met ingang van 1 januari 2012 luidt de definitie als volgt: “2 Verstaan wordt onder: a. extraterritoriale werknemers: ingekomen werknemers (...); b. ingekomen werknemer: door een inhoudingsplichtige uit een ander land aangeworven, of naar een inhoudingsplichtige gezonden werknemer in de zin van artikel 2 van de wet: 1°. met een specifieke deskundigheid die op de Nederlandse arbeidsmarkt niet of schaars aanwezig is; en 2°. die in meer dan twee derde van de periode van 24 maanden voorafgaand aan de aanvang van de tewerkstelling in Nederland woonachtig was op een afstand van meer dan 150 kilometer van de grens van Nederland (...).”. 7.4. De invoering van het 150-kilometercriterium heeft plaatsgevonden omdat gebleken was dat het gebruik van de 30%-regeling ruimer was dan was beoogd bij de invoering daarvan. De wetgever wilde toepassing van de 30%-regeling uitsluiten in gevallen waarin kan worden verondersteld dat de ingekomen werknemer dagelijks op en neer kan reizen naar zijn werk (forenzen) en daarom geen of slechts een gering bedrag aan extraterritoriale kosten zal hebben. De toepassing van het 30%-forfait op die groep werknemers leidde tot een belastingvrije vergoeding voor deze werknemers die niet in verhouding stond tot de door hen daadwerkelijk gemaakte kosten. De wetgever vond dat toepassing van de 30%-regeling, gelet op de doelstelling daarvan, zou leiden tot een ongerechtvaardigd voordeel voor deze werknemers ten opzichte van reeds in Nederland wonende werknemers die vergelijkbare kwaliteiten hebben en in een vergelijkbare situatie verkeren wat betreft de woon-werkafstand (vgl. HR 9 augustus 2013, nr. 12/05577, ECLI:NL:HR:2013:474, BNB 2013/230, r.o. 3.3.9). 7.5. Bij de invoering van het 150-kilometercriterium is voorzien in overgangsrecht voor gevallen waarin de bewijsregel reeds vóór 1 januari 2012 wordt toegepast. Artikel IV van het Besluit van 22 december 2011 bepaalt: “1. Ten aanzien van een werknemer ten aanzien van wie de bewijsregel, bedoeld in artikel 10ea van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965, of, voor zover de inhoudingsplichtige een keuze heeft gemaakt als bedoeld in artikel 39c van de Wet op de loonbelasting 1964, de bewijsregel, bedoeld in artikel 9 van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 zoals dat luidde op 31 december 2010, op 31 december 2011 wordt toegepast: a. blijft artikel 10ee van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 zoals dat luidde op 31 december 2011, onderscheidenlijk artikel 9d van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 zoals dat vóór toepassing van artikel III luidde op 31 december 2010, van toepassing ingeval op 31 december 2011 niet meer dan 5 jaar van de looptijd van de bewijsregel, bedoeld in artikel 10ec, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965, onderscheidenlijk artikel 9b, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 zoals dat luidde op 31 december 2010, is verstreken; b. is artikel 10ee van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965, onderscheidenlijk artikel 9d van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 zoals dat luidde op 31 december 2010, niet van toepassing ingeval op 31 december 2011 meer dan 5 jaar van de looptijd van de bewijsregel, bedoeld in artikel 10ec, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965, onderscheidenlijk artikel 9b, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 zoals dat luidde op 31 december 2010, is verstreken. 2. (...)”. 7.6. Deze overgangsbepaling is in de bij het Besluit van 22 december 2011 behorende nota van toelichting als volgt toegelicht: “Artikel IV (overgangsbepaling 30%-regeling) De in dit artikel in het eerste lid opgenomen overgangsbepaling ziet op de aanpassing van artikel 10ee van het UBLB 1965 en – voor werknemers van werkgevers die nog hebben gekozen voor toepassing van het tot 1 januari 2011 geldende regime van vrije vergoedingen en verstrekkingen – de aanpassing van artikel 9d van het UBLB 1965 zoals dat luidde op 31 december 2010. Er zijn twee groepen waarvoor een overgangsregeling is getroffen met betrekking tot de aanpassing van deze artikelen. Allereerst blijft in de gevallen waarin de bewijsregel reeds vóór 1 januari 2012 wordt toegepast, doch op die datum vanaf de eerste dag van de tewerkstelling in Nederland nog niet meer dan 5 jaar, artikel 10ee van het UBLB 1965 zoals dat luidde op 31 december 2011 dan wel – in het geval de werkgever nog heeft gekozen voor toepassing van het tot 1 januari 2011 geldende regime van vrije vergoedingen en verstrekkingen – artikel 9d van het UBLB 1965 zoals dat vóór toepassing van artikel III luidde op 31 december 2010 van toepassing. Dat betekent voor die gevallen dat aan het begin van het zesde jaar van de looptijd van de bewijsregel voor het eerst getoetst zal worden aan de nieuwe criteria zoals het looncriterium en de 150 kilometergrens. In het geval voor een werknemer geldt dat op 1 januari 2012 al meer dan 5 jaar van de looptijd van de bewijsregel is verstreken, is artikel 10ee van het UBLB 1965 dan wel – in het geval de werkgever nog heeft gekozen voor toepassing van het tot 1 januari 2011 geldende regime van vrije vergoedingen en verstrekkingen – artikel 9d van het UBLB 1965 zoals dat luidde op 31 december 2010, niet van toepassing, dat wil zeggen noch de tot 1 januari 2012 geldende tekst, noch de vanaf die datum geldende tekst. Dit betekent dat bij die werknemers niet meer zal worden getoetst of nog wordt voldaan aan het criterium van ingekomen werknemer waardoor zij voor de resterende looptijd (zoals opgenomen in de beschikking) recht houden op de 30%-regeling.” (Stb. 2011, 677, p. 53-54). Is het 150-kilometercriterium van toepassing op belanghebbende? 7.7. In het arrest HR 28 april 2006, nr. 41.501, ECLI:NL:HR:2006:AU2303, BNB 2006/264, heeft de Hoge Raad beoordeeld op welk tijdstip moet worden getoetst of:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.