← Nederland

ECLI:NL:GHDHA:2017:4196

Rolnummer: 22-005664-16 Parketnummer: 09-150991-16 Datum uitspraak: 22 december 2017 VERSTEK Gerechtshof Den Haag meervoudige kamer voor strafzaken Arrest gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 16 december 2016 in de strafzaak tegen de verdachte: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1994, [adres]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 22 december 2017. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd. Procesgang In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het ten laste gelegde veroordeeld tot een geldboete van € 500,-, subsidiair tien dagen hechtenis. Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: hij, als degene door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt, welke gedraging hij als bestuurder van een motorrijtuig (bestelbus) had verricht en welk verkeersongeval had plaatsgevonden in de gemeente 's-Gravenhage, op/aan de Brouwersgracht, op of omstreeks 31 augustus 2015 de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander, te weten [aangeefster], letsel en/of schade was toegebracht. Het vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daar niet mee verenigt. Vrijspraak Anders dan de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan de verdachte ten laste is gelegd. Weliswaar valt uit het dossier af te leiden dat de verdachte op 31 augustus 2015 een ongeval heeft veroorzaakt waarbij aan [aangeefster] letsel is toegebracht - immers, deze aangeefster heeft verklaard als voetgangster door een bestelbus, welke, naar later is vastgesteld, door de verdachte werd bestuurd, te zijn aangereden waarna zij is gevallen, haar moeder heeft verklaard dat er een bus aankwam waarna zij haar dochter zag vallen en blijkens de medische informatie heeft de aangeefster daarbij contusies opgelopen - maar op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting is niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte wist dan wel redelijkerwijs moest vermoeden dat hij een ongeval had veroorzaakt, laat staan dat hij wist dan wel redelijkerwijs moest vermoeden dat een ander ten gevolge van een door hem veroorzaakt ongeval letsel had opgelopen. Zo blijkt niets van een hoorbare klap, schreeuw of andere omstandigheid die erop wijst dat de verdachte iets van de aanrijding gemerkt moet hebben. De verdachte behoort dan ook van het ten laste gelegde te worden vrijgesproken. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij. Dit arrest is gewezen door mr. L.A.J.M. van Dijk, mr. A.J.M. Kaptein en mr. S. Verheijen, in bijzijn van de griffier A. van der Schalk. Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 22 december 2017.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.