GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel Recht Zaaknummer: 200.175.548/01 Zaak-/rolnummers rechtbank: C/09/416501/HA ZA 12-452 (hierna: zaak 12-452) en C/09/418860/HA ZA 12-577 (hierna: zaak 12-577) Arrest d.d. 29 augustus 2017 Inzake TASTE OF NATURE HOLDING B.V., gevestigd te Monster, gemeente Westland, appellante/geïntimeerde in het incidenteel appel, hierna te noemen: ToN, advocaat: mr. M.W. Rijsdijk te Amsterdam, tegen CRESCO HANDELS-B.V., gevestigd te Honselersdijk, geïntimeerde/appellante in het incidenteel appel, hierna te noemen: Cresco, advocaat: mr. J.P. Heering te Den Haag. Het verloop van het geding Bij exploot van 11 juni 2015 is ToN in hoger beroep gekomen van de tussen partijen gewezen vonnissen van de rechtbank Den Haag van 8 mei 2013 (vonnis I), 18 maart 2015 (vonnis III) en 10 juni 2015 (vonnis IV). Bij memorie van grieven (MvG), met de producties 48 t/m 53, heeft ToN vier grieven tegen die vonnissen aangevoerd. Cresco heeft die grieven bestreden bij memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel appel (MvA/MvG-inc), met de producties 30 t/m 36, waarin zes grieven tegen vonnis I zijn opgeworpen. Vervolgens heeft ToN een 'akte in het principaal appel houdende een hulpverzoek tevens incidentele memorie van antwoord' (AH-MvA-inc), met de producties 54 en 55, genomen. Cresco heeft hierop gereageerd met een 'akte uitlating voorwaardelijk hulpverzoek' (AU), met de producties 37 en 38. Met het oog op de pleidooien zijn nog de volgende stukken naar het hof en de wederpartij gestuurd: ingekomen op 28 maart 2017 van Cresco: een 'akte houdende in het geding brengen van producties tevens verzoek tot het - voorafgaand aan de behandeling van de grieven van partijen - nemen van een beslissing over de uitleg van artikel 53 sub b EOV' (A-53), met de producties 39 t/m 45; ingekomen op 12 mei 2017 van ToN: een antwoordakte (AA), met de producties 56 t/m 60; ingekomen op 18 mei 2017 van Cresco: een akte met de producties 46 en 47; ingekomen op 23 mei 2017 van ToN: een akte, met de producties 61 t/m 63. Op daartoe strekkend verzoek van Cresco is productie 61 van ToN, houdende een rapport van haar octrooigemachtigde, geweigerd op de grond dat het in strijd is met de goede procesorde om kort voor het pleidooi dit rapport, dat blijkens punt 1 daarvan een reactie is op de medio 2016 genomen AU, over te leggen. Partijen hebben hun standpunten doen bepleiten ter zitting van dit hof van 8 juni 2017, ToN door mr. P.J.M. Steinhauser, advocaat te Bloemendaal, en Dr. [A] , octrooigemachtigde, en Cresco door mrs. M.R. Rijks en T. Berendsen, advocaten te 'sHertogenbosch, en ir. [B] , octrooigemachtigde. De raadslieden hebben zich hierbij bediend van pleitnota's (hierna: PA= pleitnota in Appel). Na afloop van de pleidooien is arrest gevraagd. De beoordeling van het hoger beroep De feiten 1. De volgende feiten worden als vaststaand aangenomen. a. Eetbare jonge groenteplanten worden aangeduid als spruiten of kiemplantjes. Voor de productie van de spruitplant die wordt aangeduid als 'kersspruit' of 'cress' worden de zaden gezaaid op een met water doordrenkte vaste ondergrond. Daarop laat men de zaden ontkiemen en de spruitplantjes doorgroeien, tot de zaadlobben (bladeren) zijn ontstaan. De verdere groei van de plantjes wordt dan tot stilstand gebracht door de plantjes te koelen, gewoonlijk voordat de planten groter zijn dan ongeveer 4 tot 15 cm. Deze spruiten zijn in Nederland al lang bekend (tuinkers). Daarnaast zijn er spruitplanten die het stadium van bladvorming nog niet hebben bereikt, de 'alfalfaspruiten'. Deze worden op een andere wijze gekweekt b. In Azië, vooral in Japan, worden jonge groene spruitplantjes van een bepaalde variant van de radijs (Raphanus sativa) gegeten, veelal verwerkt als salade en als garnering. Deze radijs- of daikon-cress heeft een pittige en peperachtige smaak en lijkt wel wat op de in Nederland bekende tuinkers. c. Anthocyaninen vormen een groep van kleurstoffen die voorkomen in veel hogere planten, waar ze zorgen voor de rode, paarse of blauw-zwarte kleuren van bloemen en fruit, zoals bosbessen en rode druiven. Daikonspruiten bevatten geen anthocyanine of hebben een laag anthocyanine-gehalte. d. ToN is houdster van Europees octrooi EP 1 290 938 (hierna: het octrooi of EP 938), verleend op 25 juni 2008 naar aanleiding van een op 7 september 2001 ingediende aanvrage. EP 938 is onder meer van kracht in Nederland en claimt (onder meer) radijsplanten die verhoogde gehaltes aan anthocyaninen bevatten. De conclusies 1 t/m 11 zijn productconclusies. De conclusies 1, 2, 5 en 11 luiden in de onbestreden Nederlandse vertaling aldus: 1. Raphanus sativa-plant, verkrijgbaar door het screenen van Raphanus sativa-planten op het vermogen om spruiten te produceren met ten minste enige paarse kleur, het zeljbestuiven en/of kruisen van de planten over meerdere generaties en het selecteren van de afstammelingen met spruiten met een paarse kleur, met het kenmerk, dat de spruit van de plant anthocyanines in een gehalte van ten minste 800 nmol per gram vers-gewicht van de spruit omvat. 2. Plant volgens conclusie 1, waarbij het absorptiemaximum van de anthocyanines tussen 515 en 550 nm ligt. 5. Spruit, verkregen van een plant volgens conclusie 1. 11. Materiaal van een plant volgens conclusie 1, waarbij het materiaal zaad is, met het kenmerk, dat het zaad na ontkieming een spruit produceert en de spruit anthocyanines in een gehalte van tenminste 800 nmol per gram versgewicht van de spruit omvat. De conclusies 12 t/m 14 zijn werkwijzeconclusies, waarbij worden geclaimd werkwijzen voor de productie van spruiten volgens conclusie 5 (de conclusies 12 en 13) en een werkwijze voor de productie van anthocyanine, onder meer omvattende de stap om een plant volgens de conclusies I t/m 4 te kweken (conclusie 14). In § 0028 van de beschrijving van EP 938 is voorbeeld 1 'Kweek van de paarse spruit producerende Raphanus-lijnen' als volgt toegelicht (in de evenmin bestreden Nederlandse vertaling): 'In totaal werden 568 Raphanus sativa-lijnen, verkrijgbaar bij nationale genenbanken, gescreend op het vermogen ervan om paarse of purperen spruiten te produceren. Er werd gevonden dat 14 van deze lijnen spruiten produceerden met tenminste enige paarse kleur. Na verscheidene generaties van zelfbestuiving en selectie waren de meeste afstammelingen niet voldoende intens paars gekleurd. Slechts 2 van de 14 lijnen produceerden een significant intens paarse kleur, en werden geselecteerd om verder mee te kweken. Deze twee lijnen, CGN 6924 en CGN 7240, werden beide verkregen van de CGN-genenbank van Plant Research International (voorheen: CPRO-DLO) Wageningen, Nederland, en waren respectievelijk afkomstig uit de vroegere Duitse Democratische Republiek en uit China. Met deze twee lijnen werd een intensief kweekprogramma opgezet, waarbij twee generaties per jaar werden gekweekt, afwisselend op het noordelijke en het zuidelijke halfrond. Met de lijnen werd zowel zelfbestuiving als kruisbestuiving uitgevoerd, 1,waarbij nieuwe lijnen werden geselecteerd op basis van kleurintensiteit, tijd dat de paarse kleur naar groen verschoot, reproductietijd, zaadproductie en de hoeveelheid zaad per bloem, hoogte/lengte van de planten/plantjes, uniformiteit van de kiemtijd, het ontbreken van groene afstammelingen en de grootte en vorm van de zaadlobben. Doorgaans werd gevonden dat de lijnen met een purperen kleur minder zaad produceerden. Er werden per generatie ten minste 200 combinaties gescreend. Aldus werden verscheidene lijnen verkregen met een zeer intens paarse kleur, die geen groene afstammelingen produceerden. Eén van dergelijke lijnen, aangeduid als V33, werd op 13 augustus 2001 onder het Verdrag van Boedapest gedeponeerd bij de American Type Culture Collection, Manassas, Virginia, VS, en kreeg het ATTC-nr. PTA-3630 toegekend. Deze lijn kan als zodanig worden toegepast voor de productie van spruiten of kan worden toegepast bij kweekprogramma 's, optioneel in combinatie met CGN 6924 en CGN 7240 om de paarse kleur in de conventionele groene variëteiten te kruisen.' ToN heeft een licentie onder het octrooi verleend aan haar dochteronderneming [bedrijf X] Cress B.V. (hierna: [bedrijf X] ). [bedrijf X] houdt zich bezig met de ontwikkeling en productie van spruitplanten. f. Cresco, die zich eveneens bezig houdt met de productie en verhandeling van spruitplanten, brengt spruitplanten op de markt onder de namen Red Radish Cress en (Red) Purple Radish Cress. De vorderingen en de beslissingen van de rechtbank 2.1 In zaak 12-452 heeft Cresco nietigverklaring van het Nederlandse deel van EP 938 gevorderd op onder meer de gronden dat het niet nieuw en niet inventief is, en dat het valt onder de uitzondering op octrooieerbaarheid van artikel 53 sub b EOV voor werkwijzen van wezenlijk biologische aard voor de voortbrenging van planten of dieren. 2.2 In zaak 12-577 heeft ToN gevorderd: een verbod om inbreuk te maken op EP 938, een bevel tot het afleggen van rekening en verantwoording en schadevergoeding/ winstafdracht. 2.3 In (tussen-)vonnis I heeft de rechtbank in beide zaken - Cresco's overige nietigheidsgronden verwerpend - Cresco toegelaten tot het bewijs van de aan haar niet-nieuwheidsbetoog ten grondslag gelegde stelling, dat van openbaar voorgebruik sprake was omdat [bedrijf X] de producten volgens het octrooi al voor de datum van de octrooi-aanvraag aan afnemers had geleverd. In zaak 12-577 is ToN opgedragen te bewijzen dat Cresco inbreuk op het octrooi (heeft) (ge)maakt. 2.4 Vervolgens zijn als getuigen gehoord onder meer: - [getuige 1] (hierna: [getuige 1] ); - [getuige 1] , [functienaam] , tevens […] van ToN (hierna: [getuige 1] ). 2.5 In (gedeeltelijk eind-)vonnis III heeft de rechtbank Cresco geslaagd geacht in het bewijs van openbaar voorgebruik. Zij heeft in het dictum van dat vonnis: - in zaak 12-452 de vordering van Cresco tot nietigverklaring van het octrooi toegewezen; - in zaak 12-577 de inbreukvordering van ToN afgewezen; - in beide zaken ToN veroordeeld om € 62.455,17 aan proceskosten aan Cresco te betalen; - de zaken naar de rol verwezen voor een akte zijdens ToN in verband met door Cresco aanvullend gevorderde proceskosten. In (eind-)vonnis IV zijn deze aanvullende proceskosten in beide zaken toegewezen tot € 6.699,20. De hoger beroepen; inleidende overwegingen 3 .1 De grieven 1 t/m 3 van ToN richten zich tegen de nietigverklaring van het octrooi en de afwijzing van haar inbreukvorderingen. Met grief 4 komt ToN subsidiair op tegen de hoogte van de ten laste van haar uitgesproken proceskostenveroordeling. 3.2 Cresco's grieven in het incidenteel appel keren zich tegen de verwerping in vonnis I van haar andere nietigheidsgronden dan openbaar voorgebruik. In punt 191 MvA/MvG-inc heeft Cresco opgemerkt dat zij bij deze grieven belang heeft voor zover het octrooi niet nietig wordt geacht wegens openbaar voorgebruik. 3.3 Het hof zal eerst onderzoeken of sprake is van openbaar voorgebruik, zoals Cresco stelt maar ToN betwist. Openbaar voorgebruik; de conclusies 1, 5 en 11 4.1 Het hof stelt voorop dat het octrooi betrekking heeft op (de werkwijze voor de productie van) een enkele plant, een enkele spruit of een enkel zaadje met een anthocyaninegehalte van tenminste 800 nmol per gram versgewicht van de spruit, en niet - zoals ToN tot uitgangspunt lijkt te nemen - een hoeveelheid planten, spruiten of zaadjes die gemiddeld ten minste dat anthocyaninegehalte hebben. Dit blijkt niet alleen uit de tekst van de conclusies waarin gesproken wordt over 'plant' en 'spruit', maar ook uit de beschrijving van EP 938, meer in het bijzonder de volgende passages: - § 0012: 'De Raphanus-plant volgens de uitvinding is bij voorkeur een plant van de soort Raphanus sativa( ... )'; - § 0014: 'Een ander aspect van de uitvinding heeft betrekking op een Raphanus-plant van de uitvinding, waarbij de plant een hierboven gedefinieerde spruit is. Bij een voorkeursuitvinding van de uitvinding is de spruit een spruit die het tweebladige stadium nog niet heeft bereikt, d.w.z. de zogenaamde 'alfalfaspruiten'. (... ). - § 0015: 'Een nog ander aspect van de uitvinding heeft betrekking op een Raphanus-plant volgens de uitvinding, waarbij de plant een plantje is met tenminste twee bladeren'; - § 0016: 'Een nog ander aspect van de uitvinding heeft betrekking op materiaal van de hierboven gedefinieerde Raphanus-plant volgens de uitvinding. Het materiaal kan een( ) zaadje zijn, met het kenmerk, dat het zaad na ontkieming een spruit voortbrengt en de spruit anthocyanines omvat in een gehalte van tenminste 800 nmol per gram versgewicht van de spruit'. Cesco heeft er verder terecht op gewezen (punt 113 MvA/MvG-inc) dat voormeld uitgangspunt van ToN ook afgezien van het voorgaande niet juist kan zijn omdat onduidelijk is welke hoeveelheid planten in aanmerking zou moeten worden genomen. Het octrooi verstrekt hierover geen enkele informatie 4.2 Op grond van: de punten 3, 7 en 8 van de toelichting op grief 1 in de MvG; de getuigenverklaring van [getuige 1] ; de schriftelijke verklaring van [betrokkene] , die door ToN als productie 39 is overgelegd; de aanvraag tot verlening van het kwekersrecht (productie 8 van Cresco in zaak 12-577); onweersproken vaststellingen in de rovv. 2.3 en 2.7, 1e volzin, van vonnis III, worden de volgende feiten als vaststaand beschouwd:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.