GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Uitspraak : 22 februari 2017 Zaaknummer : 200.205.295/01 Rekestnummer rechtbank : JE RK 16-1463 Zaaknummer rechtbank : C/09/515146 [appellante] , wonende te [woonplaats] , verzoekster in hoger beroep, hierna te noemen: de moeder, advocaat mr. M.C. Carli-Lodder te Den Haag, tegen de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering te Diemen, verweerster in hoger beroep, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling Als degene wiens verklaring in verband met de beoordeling van het verzoek van betekenis kan zijn, is aangemerkt: [naam] , wonende te Alphen aan den Rijn, hierna te noemen: de vader. In verband met het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: de raad voor de kinderbescherming te Den Haag, hierna te noemen: de raad. PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP De moeder is op 9 december 2016 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 12 september 2016 van de kinderrechter in de rechtbank Den Haag. De gecertificeerde instelling heeft op 29 december 2016 een verweerschrift ingediend. De raad heeft bij brief van 21 december 2016 aan het hof laten weten niet ter zitting te zullen verschijnen. Voorts is van de zijde van de moeder op 12 januari 2017 een V-formulier van 11 januari 2017 met bijlagen ingekomen. De zaak is op 27 januari 2017 mondeling behandeld. Ter zitting waren aanwezig: - de moeder, bijgestaan door haar advocaat; - de vader; - [naam] namens de gecertificeerde instelling. De advocaat van de moeder heeft ter zitting het proces-verbaal van de zitting van 12 september 2016 bij de rechtbank Den Haag overgelegd. De hierna te noemen minderjarige [minderjarige] heeft schriftelijk zijn mening kenbaar gemaakt. PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking. Bij die beschikking is – voor zover van belang – de ondertoezichtstelling van de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (hierna te noemen: de minderjarige) verlengd van 15 september 2016 tot 9 september 2017. Voorts is de aan de gecertificeerde instelling verleende machtiging de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gezinshuis verlengd van 15 september 2016 tot 9 september 2017, zijnde de duur van de ondertoezichtstelling. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het hof gaat uit van de door de kinderrechter vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast: de minderjarige is erkend door de vader; de moeder is belast met het ouderlijk gezag; het verzoek van de raad, het gezag van de moeder te beëindigen, is bij beschikking van 28 april 2016 door de rechtbank Den Haag afgewezen; de minderjarige verblijft feitelijk in een gezinshuis. BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP 1. In geschil is de verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige voor de periode van 15 september 2016 tot 9 september 2017. 2. Het hof merkt, anders dan de rechtbank, de vader niet aan als belanghebbende omdat hij niet (mede) met het ouderlijk gezag is belast over de minderjarige. Hij is als informant in de onderhavige procedure betrokken. 3. De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende: primair: het inleidend verzoek strekkende tot verlenging van de ondertoezichtstelling en van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige af te wijzen; subsidiair: indien mocht worden beslist tot verlenging van de ondertoezichtstelling en van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige, daarbij een andere gezinsvoogd te benoemen dan de gecertificeerde instelling. 4. De gecertificeerde instelling verweert zich daartegen en verzoekt het hof het door de moeder ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen. 5. De moeder voert het volgende aan. De minderjarige werd in 2008 voor het eerst onder toezicht gesteld, enerzijds vanwege de medische en cognitieve problematiek van hemzelf en anderzijds vanwege persoonlijke problemen toen bij de moeder. De moeder is niet voornemens de minderjarige weg te halen bij zijn huidige gezinswoonvorm. Zij houdt er echter wel rekening mee dat zich in de toekomst een situatie kan voordoen waarin het mogelijk zal zijn om de minderjarige wel weer bij haar thuis te kunnen laten wonen. Dit zal echter niet eerder gebeuren dan nadat hiernaar goed onderzoek zal zijn gedaan en indien alle betrokkenen achter een thuisplaatsing staan. De moeder betwist dat zij in 2014 niet in staat was voor de minderjarige te kunnen zorgen. De moeder heeft destijds juist aangegeven dat de minderjarige er nog niet klaar voor was om bij haar te kunnen wonen. De moeder ziet geen toegevoegde waarde voor de gecertificeerde instelling, nu zij volledig achter de huidige woonsituatie van de minderjarige staat en daarbij een goede band onderhoudt met de coördinator van de gezinswoonvorm. De conclusie van de rechtbank dat de gecertificeerde instelling ervoor dient te waken dat de minderjarige door de moeder wordt thuisgehaald terwijl zulks niet in zijn belang is, is dan ook een onterecht oordeel dat niet op de juiste feiten is gebaseerd. Daarnaast is de moeder van mening dat de verhouding tussen haar en de gecertificeerde instelling zodanig is verslechterd dat een andere gezinsvoogdij instelling dient te worden benoemd. Zij is van mening dat de houding van de gecertificeerde instelling in meerdere incidenten ertoe heeft geleid dat niet in het belang van de minderjarige werd gehandeld. Zo is hij jarenlang van de ene naar de andere verblijfplaats gegaan waardoor hij zich steeds opnieuw moest aanpassen aan een nieuwe situatie. Hij heeft hierdoor in eerste instantie meer problemen gekregen dan nodig, gelet op zijn gezondheidssituatie. Verder heeft de moeder het verzoek tot gezag beëindiging als een dolk in haar rug ervaren. 6. De gecertificeerde instelling acht het van belang dat de minderjarige in zijn huidige gezinswoonvorm kan blijven wonen en dat de huidige zorg gecontinueerd kan worden. De gecertificeerde instelling is er onvoldoende van overtuigd dat dit kan binnen het vrijwillige kader. De minderjarige heeft meerdere ingrijpende gebeurtenissen meegemaakt: ziekenhuisopnames in verband met zijn hartafwijking, de relatiebreuk van zijn ouders, de uithuisplaatsing, verhuizingen van behandelgroepen en plaatsing in de huidige gezinswoonvorm. Deze gebeurtenissen hebben geleid tot basisonveiligheid die zich uit in claimend, druk, angstig en zelfbepalend gedrag. Om de minderjarige in zijn ontwikkeling te stimuleren is het belangrijk dat de volwassenen om hem heen hem goed begrijpen en helpen hem “op andere gedachten te brengen”. De gecertificeerde instelling is van mening dat de gronden voor de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing nog aanwezig zijn. 7. De vader heeft ter zitting laten weten zelf in het kader van de ondertoezichtstelling tegen beperkingen aan te lopen in bijvoorbeeld het aantal uren omgang dat hij heeft met de minderjarige. Voorts heeft hij laten weten er vertrouwen in te hebben dat de moeder de belangen van de minderjarige op juiste wijze kan behartigen indien de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing zouden worden beëindigd. De moeder heeft naar zijn mening een positieve ontwikkeling doorgemaakt. Ten slotte heeft de vader laten weten dat de communicatie tussen hem en de moeder op dit moment goed verloopt. Op dit moment hebben zij regelmatig contact en de vader is voornemens dit te continueren. 8. Het hof overweegt als volgt. De kinderrechter kan, op grond van artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling indien de minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd en: a.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.