Rolnummer: 22-001307-16 Parketnummer: 10-996520-15 Datum uitspraak: 10 maart 2017 TEGENSPRAAK Gerechtshof Den Haag meervoudige kamer voor strafzaken zitting houdende in de extra beveiligde zittingszaal van de rechtbank Noord-Holland te Badhoevedorp Arrest gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 15 maart 2016 in de strafzaak tegen de verdachte: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987, [adres]. Inhoudsopgave 1. Onderzoek van de zaak 2. Procesgang 3. Het vonnis waarvan beroep 4. Tenlastelegging 5. Achtergrond 6. Juridisch kader 6.1 Algemene opmerkingen 6.2 Juridisch kader inzake artikel 421 Sr (feit 1) 6.3 Juridisch kader inzake het opzettelijk overtreden van de Sanctiewet 1977 jo. de Sanctieregeling Al Qa’ida 2011 (feit 2) dan wel de Sanctieregeling Terrorisme 2007-II (feit 3) 6.4 Juridisch kader inzake artikel 225 Sr (feit 4) 7. Standpunten van het Openbaar Ministerie en van de verdediging 7.1 Standpunten van het Openbaar Ministerie 7.2 Standpunten van de verdediging 8. De door het hof vastgestelde feiten 9. Bewijsoverwegingen 10. Beoordeling van de tenlastelegging 10.1 Overwegingen ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit 10.2 Overwegingen ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit 10.3 Overwegingen ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde feit 10.4 Overwegingen ten aanzien van de onder 4A en 4B ten laste gelegde feiten 11. Bewezenverklaring 12. Strafbaarheid van de feiten 13. Strafbaarheid van de verdachte 14. Vordering van de advocaat-generaal 15. Strafmotivering 16. Vordering tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis 17. Toepasselijke wettelijke voorschriften 18. BESLISSING 1Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 17 februari 2017 en 10 maart 2017. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. 2Procesgang In eerste aanleg is de officier van justitie ter zake van het onder 4 impliciet tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde niet-ontvankelijk in de vervolging verklaard en is de verdachte ter zake van het onder 1, 2, 3 en 4 impliciet eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren en onder de algemene en bijzondere voorwaarden, zoals weergegeven in het vonnis waarvan beroep. Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. 3Het vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt. 4Tenlastelegging Aan de verdachte is - na aanpassing van de omschrijving van de tenlastelegging op de voet van artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering - ten laste gelegd dat: 1. hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 september 2013 tot en met 24 december 2014 te Den Haag en/of (elders) in Nederland en/of te Hatay en/of te Istanbul en/of (elders) in Turkije en/of Syrië en/of Irak, tezamen en in vereniging met (een) ander(
(9)maal via money transfers, geld gezonden aan zijn broer [man 1] in Syrië, voor een totaalbedrag van € 16.937,-, te weten op 16 september 2013: € 4.713,-, op 21 mei 2014: € 1.400,-, op 29 mei 2014: € 326,-, op 13 juni 2014: € 70,-, op 15 juli 2014: € 5.000,-, op 6 september 2014: € 1.456,-, op 15 september 2014: € 1.306,-, op 16 oktober 2014: € 1.701,- en op 24 december 2014: € 965,-. De verdachte deed dit vanuit Den Haag via subagenten. De verdachte heeft verklaard dat hij van zijn broer via Skype instructies kreeg aan wie hij het geld moest overmaken en dat zijn broer dit geld ook heeft ontvangen. Bij een van de overboekingen, te weten die op 21 mei 2014, heeft de verdachte in strijd met de waarheid aan een medewerker van Western Union desgevraagd gemeld dat het geld bedoeld was voor de verbouwing van een huis, waarvoor de ontvanger geld had geleend.
- De verdachte heeft op 9 juli 2014 vanaf het IP-adres van [bedrijf] te Den Haag bij de Belastingdienst een verzoek Voorlopige Aanslag 2014 IB/PVV ten behoeve van het BSN/sofinummer [BSN] van de verdachte ingediend. In dit verzoek waren onder meer de volgende gegevens opgegeven: Naam werkgever: [werkgever], Loon uit tegenwoordige arbeid: 150.000, Aftrekbaar bedrag levensonderhoud kinderen: 19.000, Aftrekbaar bedrag specifieke zorgkosten: 2.000, Aftrekbaar bedrag weekenduitgaven ernstig gehandicapten: 10.100, Aftrekbaar bedrag giften: 1.
- Naar aanleiding van dit verzoek werd door de Belastingdienst een bedrag van in totaal € 10.289,- overgemaakt naar een bankrekening van de verdachte. Een gedeelte van dit bedrag heeft de verdachte eveneens via money transfers overgemaakt naar een tussenpersoon ter doorgeleiding daarvan naar de broer van de verdachte.
- Bij de FIOD/ECD heeft de verdachte verklaringen afgelegd die er in de kern op neerkomen dat hij een jongen die hij wel eens tegenkwam bij [bedrijf] heeft gevraagd hem te helpen. Samen met hem heeft hij het verzoek Voorlopige Aanslag 2014 IB/PVV gedaan. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat deze jongen [man 3] zou heten. De verdachte weet niet wat zijn achternaam is. De verdachte heeft het verzoek Voorlopige Aanslag ondertekend met zijn DigiD. De verdachte heeft volgens zijn verklaring zelf de in het verzoek opgegeven valse gegevens en valse bedragen verzonnen. Hij heeft voorts verklaard het verzoek Voorlopige Aanslag met valselijk opgegeven bedragen te hebben gedaan om geld naar zijn broer [man 1] te kunnen sturen.
- [ Man 1] is – volgens de verklaringen van de verdachte – sinds maart 2013, met een onderbreking in mei 2013, in Syrië geweest. De verdachte heeft verklaard dat zijn broer al die tijd in de buurt van de stad Aleppo verbleef. [Man 1] is o.a. voor het namens IS(IS) deelnemen aan de terroristische strijd in Syrië door de rechtbank in Den Haag veroordeeld tot zes jaar gevangenisstraf.
- De verdachte heeft verklaard dat zijn broer in de aanloop voor zijn vertrek steeds radicaler en fundamentalistischer werd. Volgens de verdachte vond zijn broer [man 1] de ontwikkelingen in Syrië goed en was hij het ermee eens dat mensen naar Syrië gingen om te strijden. Toen de verdachte het daarmee niet eens was heeft [man 1] hem, de verdachte, volgens eigen zeggen bijna een tand uit de mond geslagen. Dat was kort voor het vertrek van zijn broer in maart
- Volgens de verdachte heeft hij sinds mei 2013 geweten dat zijn broer [man 1] ‘een strijder’ is en dat hij in Syrië aan het vechten is. Hij weet wat er in Syrië gebeurt en hij heeft op Twitter gezien dat er wordt gevochten. De verdachte heeft verklaard dat hij indertijd ook al wist dat het gebied waar zijn broer naar toe was gegaan, onveilig was. Hij zou nooit slechte bedoelingen hebben gehad om de Islamitische Staat te steunen. De verdachte heeft ook verklaard dat hij in de zomer van 2014 op internet een foto heeft gezien waarop zijn broer samen met andere mensen op een plein/straat stond afgebeeld. De mensen waren aan het juichen. Er stonden ook wapens op de foto. De broer van de verdachte had ook een wapen. Hij heeft voorts verklaard dat hij op internet informatie vond over zijn broer. De verdachte heeft in zijn verhoor bij de FIOD gezegd dat hij altijd geweten heeft dat hij voor het overmaken van het geld ooit zou worden aangehouden.
- De verdachte onderhield en onderhoudt nog steeds contact met zijn broer in Syrië via social media, waaronder Facebook en Twitter, en ook telefonisch en via WhatsApp en Skype. Hij had in ieder geval éénmaal per week contact. Zijn broer heeft hem wel eens gezegd dat ze werden aangevallen en hij heeft volgens de verdachte ook wel eens gezegd dat het goed ging met de strijd.
- Uit het van de onderhavige zaak deel uitmakende (gevoegde) zaaksdossier MOKKA is gebleken dat [man 1] de gebruiker van het Facebookaccount “[naam Facebookaccount]” was. Hij gebruikte als omslagfoto een afbeelding van een strijder met de tekst “join the caravan” en als profielfoto een afbeelding van een niet nader bekende persoon met een wapen. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij dit account van zijn broer heeft gezien op internet en dat zijn broer dit account met deze profielfoto al had, voordat hij naar Syrië vertrok. Op dit Facebookaccount zijn onder meer de volgende berichten geplaatst: - in de periode van 1 maart tot en met 30 maart 2014: een bericht waarin staat “InshaAllah is dit mijn ontmoetingsplek met de dood!”, waarbij in het profiel Aleppo is aangegeven als woonplaats. 8 april 2014: er worden twee foto’s van een Kalasjnikov geplaatst met daarbij het bericht: “Krijgen jullie ook zo’n warm gevoel van binnen? Wie weet zo 1 te vinden maar dan met een ster.” 25 april 2014: er wordt een foto van [man 1] op dit account geplaatst met de opmerking “Nieuwe foto van half #Marokkaanse half Surinaamse [strijdnaam] uit #[plaats] in de Syrische #al_Baab.” Twee uur later wordt dezelfde foto op Shaam Nieuws Netwerk geplaatst. 5 juni 2014: “Nadat ik heb gezien hoe mijn geliefde broeders heen zijn gegaan wens ik niks meer dan het zelfde heen gaan naar de tevredenheid van mijn heer.” 25 juni 2014: er worden foto’s geplaatst van een kruisiging met daarbij de tekst: “En hier zie je hem staan. Kruisiging van een man hij heeft gelogen en mensen valselijk beschuldig hij zal 3 uur lang werden gekruisigd dat iedereen weet wie hij is en dat iedereen weet dat het een leugenaar is en dat niemand meer van hem een getuigenis meer aan kan nemen”. Later wordt het volgende bericht geplaatst: “Nu in al bab Zweepslagen en kruisiging zal foto’s maken inshaAllah als het kan. 29 juni 2014: er wordt een foto geplaatst waarop [man 1] is te zien met een wapen in zijn hand. De persoon rechts van hem heeft een zwarte vlag in zijn rechterhand. 1 juli 2014: er wordt een bericht geplaatst waarin, in detail, wordt beschreven wat Syrië-gangers mee moeten nemen naar Syrië. 21 juli 2014: er wordt een bericht geplaatst waarin staat “Live in Al-Bab we worden gebombardeerd door vliegtuig van Bashar en er zijn Gewonden gevallen”
- [ Man 1] was voorts de gebruiker van het Twitter account [naam Twitter account]. Op dit account zijn onder meer de volgende tweets geplaatst: 23 september 2014: “Als ik nu in NL was dan wist ik wat ik moest doen. Bloed aan me handen” en “Allah bereidt ons voor op de overwinning” en “Vergeet ons niet in jullie Do3a. Nu zal het beginnen Al-Malahim”. 24 september 2014: “Burgers in Syrië roepen op dat IS snel Jordanie moet aanvallen” en “Wat krijg ik een warme gevoel van binnen na het zien van een Frans man die onthoofd wordt. Hopelijk dat NL hier een les uit leert” en “Zijn er al Lone Wolfs gespot in NL” en “Zo blij dat ik nu in Syrie ben, jongensdroom komt uit. Oog in oog staan met de VS en bondgenoten”.
- Op 24 september 2014 plaatste de nieuwspagina AnderZ onderstaand bericht: “In Algerije heeft de terroristische beweging Jund al-Khilafa (Soldaten voor het kalifaat) in naam van het kalifaat de 55-jarige bergbeklimmer Hervé Gourdel onthoofd. Het is de eerste onthoofding die buiten de Islamitische Staat plaats grijpt.”
- Op 25 april 2014 wordt op Shaam Nieuws via Twitter een foto van [man 2] en [man 1] geplaatst, met daarbij de tekst “Nederlandse Mujahidien [man 2] ([plaats]) en [strijdnaam] ([plaats]) onder #ISIS vlag in al-Baab te #Syrie.”
- Zoals onder hoofdstuk 6.3 is vastgesteld is op 30 mei 2013 het toenmalige Islamic State in Iraq and the Levant (ISIL), de voorloper van IS, toegevoegd aan de VN Sanctielijst. ISIL is vervolgens op 28 juni 2013 op de EU-Sanctielijst geplaatst.
- Bij besluit van [datum] van de Minister van Buitenlandse Zaken, is [man 1] op de Nationale terrorismelijst geplaatst.
- De verdachte heeft na de datum van voornoemd besluit – in ieder geval – op 16 oktober 2014 en op 24 december 2014, met inschakeling van derden, te weten [betrokkene 1] en [betrokkene 2], vanuit Den Haag via subagenten, respectievelijk € 1.701,-- en € 965,-- overgemaakt naar tussenpersonen in Turkije. Dit geld was bestemd voor zijn broer [man 1]. Zijn broer heeft deze geldbedragen ook ontvangen. De broer van de verdachte had de verdachte gesuggereerd te proberen om op iemand anders naam geld naar hem te verzenden. De verdachte heeft daarom gebruik gemaakt van de identiteitsbewijzen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] om het geld over te maken. De verdachte heeft verklaard dat hij dat deed, omdat hij inmiddels wetenschap had dat zijn broer op de zwarte lijst stond en dat zijn tegoeden werden bevroren en de regering zeker wist dat hij in Syrië zat en dat zijn broer voor de rechter moest komen. Voorts heeft de verdachte hierover gezegd dat er geruchten waren dat hij in de problemen kon komen als hij geld naar zijn broer zou overmaken en hij wilde zijn baan niet kwijtraken. 9Bewijsoverwegingen
- Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte betoogd dat de door hem bij de FIOD/ECD afgelegde verklaringen met betrekking tot de aan de verdachte verweten ten laste gelegde feiten onder 1 t/m 4, althans onderdelen daarvan, geen juiste weergave zijn van hetgeen hij toen en daar heeft verklaard of wat er in werkelijkheid is gebeurd en dat deze verklaringen derhalve, zo begrijpt het hof, niet kunnen bijdragen tot het bewijs van het ten laste gelegde. Voorts heeft de verdachte aangevoerd dat hij soms een beetje onder druk werd gezet, bijvoorbeeld doordat de verbalisanten op tafel sloegen, en dat hij de processen-verbaal van verhoor – ondanks dat hij die in eerste instantie niet wilde ondertekenen – uiteindelijk toch heeft ondertekend, omdat hij ervan af wilde zijn. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdachte aangevoerd dat hij zich onder druk gezet voelde tijdens de verhoren en dat hij de dingen die de verbalisanten hebben opgeschreven niet heeft gezegd.
- Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
- Het hof stelt allereerst vast dat de verdachte één keer door de politie, zesmaal door de FIOD/ECD en één keer door de rechter-commissaris is gehoord. Tenslotte heeft de verdachte zowel een verklaring ter terechtzitting in eerste aanleg als in hoger beroep afgelegd. Verdachte heeft bovengenoemd verweer voor het eerst ter terechtzitting in eerste aanleg gevoerd.
- Niet is aannemelijk geworden dat de verklaringen van de verdachte, of onderdelen daarvan, door de desbetreffende verbalisanten - al dan niet opzettelijk en/of in strijd met de waarheid - valselijk zijn opgemaakt. Het hof betrekt hierbij dat alle van het procesdossier deel uitmakende ambtsedige processen-verbaal van verhoor van de verdachte, voor zover hier relevant, door de verdachte na doorlezing zijn getekend, waarbij hij heeft verklaard dat de tekst een juiste weergave is van wat hij heeft gezegd.
- Voor zover de verdachte heeft betoogd dat zijn verklaringen, zoals bij de FIOD/ECD zijn afgelegd, onder (ongeoorloofde) druk zijn afgelegd, gaat het hof hieraan voorbij nu daarvan niet is gebleken noch van enige andere omstandigheid waardoor de verdachte zijn verklaring niet in vrijheid zou hebben afgelegd. Integendeel, de desbetreffende passages in zijn verklaringen waarnaar de verdachte verwijst, maken duidelijk dat de verdachte alle ruimte en vrijheid heeft ontvangen om zijn verklaring af te leggen, te voorzien van opmerkingen en door te lezen dan wel voorgehouden te krijgen, alvorens hij ook deze uit vrije wil ondertekende. Bovendien zijn de opvolgende verklaringen, voor zover relevant, consistent en worden de redengevende onderdelen van de verklaringen ondersteund door andere bewijsmiddelen, zoals schriftelijke stukken en/of verklaringen van derden. Dat de verdachte, zoals hij in zijn verhoor van 17 juni 2015 na het verhoor aanvullend heeft verklaard, chaotisch in zijn hoofd was als het om zijn broer ging, maakt het vorenstaande niet anders, te minder nu hij daarover opmerkt dat hij de dingen die over zijn broer zijn gevraagd ongeveer heeft verteld waarna hij de verklaring na voorlezing heeft getekend met (eveneens) toevoeging van zijn opmerking dat het proces-verbaal een juiste weergave is van wat hij heeft gezegd.
- Overige bijzondere omstandigheden, die het hof tot een ander oordeel zouden hebben kunnen of moeten leiden, zijn niet aannemelijk geworden. Het hof komt dan ook tot de slotsom dat de verklaringen zoals door de verdachte bij de FIOD zijn afgelegd voor het bewijs kunnen worden gebezigd en verwerpt mitsdien het verweer. 10Beoordeling van de tenlastelegging 10.1 Overwegingen ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit Het hof ziet zich in het kader van de tenlastelegging van feit 1 voor de vraag gesteld of de door het hof vastgestelde feiten, in hun onderlinge samenhang beschouwd, zijn aan te merken als het zich of een ander opzettelijk middelen of inlichtingen verschaffen dan wel opzettelijk voorwerpen verzamelen, verwerven, voorhanden hebben of aan een ander verschaffen, die geheel of gedeeltelijk, onmiddellijk of middellijk, dienen om geldelijke steun te verlenen aan het plegen van een terroristisch misdrijf of een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf als bedoeld in artikel 421, lid 1 Sr. 10.1.1 Samenvatting van de feitelijke vaststellingen en overwegingen hieromtrent
- De verdachte heeft - zoals in hoofdstuk 8 uitgebreid is besproken - in ieder geval negen
(9)maal in de periode van 16 september 2013 tot en met 24 december 2014 een bedrag van 16.937 euro via een overboekingskantoor overgemaakt naar tussenpersonen in Turkije, al dan niet door tussenkomst van derden. Dit geld was bestemd voor zijn jongere broer die op dat moment in Syrië, in de buurt van Aleppo stad, verbleef. De verdachte deed dat op verzoek van zijn jongere broer waarbij deze broer aangaf naar wie het geld in Turkije moest worden overgemaakt, opdat deze er zorg voor zou dragen dat het geld bij de broer van de verdachte terecht kwam. 2. De broer van de verdachte was volgens de verdachte in maart 2013 naar Syrië toegegaan. De verdachte heeft verklaard bij de politie dat hij in ieder geval vanaf mei 2013 wist dat zijn broer een strijder in Syrië was en dat hij in de zomer van 2014 een foto van zijn broer had gezien waarop zijn broer stond afgebeeld op een plein met anderen met een Kalasjnikov in zijn hand. De verdachte heeft ook aangegeven dat hij met zijn broer voorafgaande aan diens vertrek ruzie heeft gehad over ‘strijden in Syrië’ en dat zijn broer ‘altijd met geloof bezig was’ en ‘zijn gedachten meer radicaal werden’. De verdachte heeft voorts in strijd met de waarheid bij een van de overboekingen, te weten die op 21 mei 2014, aan een medewerker van Western Union desgevraagd gemeld dat dit geld was bedoeld voor de verbouwing van een huis, waarvoor de ontvanger geld had geleend. Dit wijst er naar het oordeel van hof onmiskenbaar op dat verdachte er rekening mee hield dat geld sturen naar zijn broer in Syrië risico’s met zich mee bracht in verband met diens activiteiten in Syrië. De verdachte heeft ook verklaard dat hij altijd geweten heeft dat hij voor het overmaken van het geld ooit zou worden aangehouden. 3. Volgens de verdachte heeft hij het geld naar zijn jongere broer gestuurd, opdat hij met dat geld voor zichzelf kon zorgen met kleding en eten en andere dingen die hij dagelijks nodig had. Daarnaast heeft de verdachte verklaard dat hij geld heeft gestuurd naar zijn broer, opdat hij met dat geld zijn terugreis naar Nederland kon betalen en eten kon kopen. 4. Het hof acht echter niet aannemelijk dat de verdachte beoogde met dit geld zijn jongere broer de terugreis naar Nederland te laten financieren, nu de overboekingen naar zijn broer 16 maanden lang zijn doorgegaan, een hoge frequentie hadden en een bedrag van bijna 17.000 euro omvatte. Zijn broer heeft in die periode geen aanwijsbare aanstalten gemaakt om terug te keren naar Nederland en ook nu nog (ruim 2 jaar na de laatste overboeking) is hij niet teruggekeerd naar Nederland. Het hof acht met de rechtbank wel aannemelijk dat dat de broer van de verdachte in mei 2013 op het punt heeft gestaan om vanuit Turkije terug te keren naar Nederland. Hij heeft dat uiteindelijk niet gedaan en is terug naar Syrië gegaan. Dit moment lag echter een paar maanden voor de eerste overboeking door de verdachte naar zijn broer die pas in september van dat jaar heeft plaatsgevonden. 10.1.2 Het opzet op het financieren van terrorisme en de misdrijven waarop de financiering ziet 1. Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte opzet gehad op het in artikel 421 Sr, lid 1, strafbaar gestelde misdrijf van het een ander opzettelijk middelen verschaffen die geheel of gedeeltelijk, onmiddellijk of middellijk, dienden om geldelijke steun te verlenen aan het plegen van een terroristisch misdrijf of een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijken van een terroristisch misdrijf. 2. Onder verwijzing naar hetgeen hiervoor ter zake is overwogen in hoofdstuk 6.2.2.1 is het hof van oordeel dat de verdachte met het verstrekken van geldelijke steun aan zijn broer wiens betrokkenheid bij terrorisme bij de verdachte bekend was, bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de door hem aan zijn jongere in Syrië verblijvende broer verstrekte gelden zouden worden aangewend voor het plegen van een terroristische misdrijf of een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijken van een terroristisch misdrijf. 3. In dat verband acht het hof de navolgende feiten en omstandigheden zoals die op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg en hoger beroep naar voren zijn genomen, van belang. 4. De verdachte heeft geld gezonden naar zijn broer, die deelnam aan de gewapende Jihadstrijd in Syrië. Deze jihadistische strijdgroepen plegen ernstige misdrijven waarmee ze grote delen van de bevolking van Syrië ernstige vrees aan jagen in de zin van artikel 83a Sr. De misdrijven die deze strijdgroepen plegen, zoals moord, doodslag, het teweegbrengen van ontploffingen e.d., worden dus begaan met een terroristisch oogmerk en zijn daarmee terroristische misdrijven. Deelneming aan de gewapende strijd in Syrië aan de zijde van deze strijdgroepen houdt dus altijd in het plegen van terroristische misdrijven. De broer van de verdachte kan derhalve worden aangeduid als een terrorist. De verdachte was naar eigen zeggen op de hoogte dat zijn broer een Jihadstrijder was. De verdachte wist al snel nadat zijn broer in maart 2013 was afgereisd, namelijk in mei 2013 – dus een paar maanden voordat de overboeking naar zijn broer plaatsvond - dat zijn broer een Jihadstrijder was geworden in Syrië. Door deze vorm van individuele financiële ondersteuning worden Jihadstrijders in staat gesteld hun gewapende strijd te blijven voeren. 5. De slotsom is dat de verdachte naar het oordeel van het hof opzet heeft gehad op het in artikel 421 Sr strafbaar gestelde misdrijf van het financieren van terrorisme. 10.1.3 De financieringshandelingen 1. De verdachte heeft zevenmaal op eigen naam via money transfers geld overgeboekt naar een tussenpersoon in Turkije die op zijn beurt er zorg voor heeft gedragen dat de broer van de verdachte die gelden heeft ontvangen. De broer van de verdachte heeft immers telkenmale aan de verdachte bevestigd dat hij het geld heeft ontvangen. Voorts heeft de verdachte datzelfde nog tweemaal gedaan, maar dan via het gebruik maken van de identiteitsbewijzen van een tweetal andere personen. 2. De verdachte heeft derhalve middelen aan zijn broer, en aldus aan iemand die als terrorist kan worden aangeduid, verschaft. 10.1.4 Slotsom ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit Samenvattend stelt het hof op grond van het voorgaande vast dat de verdachte ten tijde van de bewezen verklaarde feiten zich schuldig heeft gemaakt aan het financieren van terrorisme door zijn broer opzettelijk middelen te verschaffen die geheel of gedeeltelijk, onmiddellijk of middellijk, dienden om geldelijke steun te verlenen aan het plegen van een terroristisch misdrijf of een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf. 10.2 Overwegingen ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit Het hof ziet zich in het kader van de tenlastelegging van feit 2 voor de vraag gesteld of de door het hof vastgestelde feiten, in hun onderlinge samenhang beschouwd, zijn aan te merken als het opzettelijk overtreden van de Sanctiewet 1977 en de Sanctieregeling Al Qa’ida 2011. 10.2.1 Samenvatting van de feitelijke vaststellingen en overwegingen hieromtrent 1. Het hof heeft in hoofdstuk 8 vastgesteld dat de verdachte wist dat zijn broer [man 1] zich sinds begin 2013 in Syrië bevond en aldaar deelnam aan de gewapende jihadistische strijd. Volgens de verdachte bevond zijn broer zich in de stad Aleppo en/of directe omgeving, een gebied dat in de ten laste gelegde periode onder controle stond van Islamitische Staat in Irak, ook wel Islamitische Staat in Irak en al-Sham (IS(IS)), Islamitische Staat in Irak en de Levant (ISIL) genoemd, een gewapende terroristische groepering die is gelinkt aan Al-Qaida en die in Syrië verantwoordelijk is voor het op grote schaal en systematisch schenden van mensenrechten en het plegen van oorlogsmisdaden. 2. Op 29 juni 2014 is door ISIL in een verklaring het islamitisch kalifaat (Khilafa) uitgeroepen in de door ISIL veroverde gebieden en worden alle moslims opgeroepen de eed van trouw af te leggen aan de kalief, Abu Bakr al-Baghdadi. Tevens kondigt laatstgenoemde aan dat ISIL wordt omgedoopt in Islamitische Staat (IS). Op dezelfde dag wordt er op het Facebookaccount van [man 1] een foto geplaatst waarop hijzelf staat afgebeeld met een wapen in zijn hand en de persoon rechts van hem een zwarte vlag in zijn hand heeft, vermoedelijk de vlag van IS. 3. De verdachte heeft tevens verklaard dat hij in de ten laste gelegde periode regelmatig, in ieder geval een maal per week, via onder meer social media (waaronder Facebook en Twitter) contact onderhield met zijn broer. De verdachte heeft ook verklaard dat hij zelf op internet informatie vond over zijn broer. 4. De verdachte heeft voorts aangegeven dat hij wist dat zijn broer op de ‘zwarte lijst’ [het hof begrijpt: de Nationale terrorismelijst] stond, waarna hij (desondanks) besloot om op 16 oktober 2014 en op 24 december 2014 via derden, te weten [betrokkene 1] en [betrokkene 2], geld over te maken naar zijn broer. 5. Het hof is van oordeel dat op basis van het Facebookaccount van [man 1], de inhoud van de in hoofdstuk 8 opgenomen berichten die hij op social media heeft geplaatst, de omstandigheid dat de verdachte daarvan kennis moet hebben genomen nu hij via social media regelmatig met zijn broer contact onderhield en ook informatie over hem opzocht en tot slot de plaatsing van de broer van de verdachte op de Nationale terrorismelijst op [datum] en de wijze waarop hij vervolgens door inschakeling van derden geld naar zijn broer is blijven overmaken, in onderling verband en samenhang bezien, kan worden geconcludeerd dat de verdachte in ieder geval ten tijde van de money transfers naar zijn broer [man 1] op 16 oktober 2014 en 24 december 2014 wetenschap had dat zijn broer zich had aangesloten bij specifiek IS. Het hof betrekt hierbij ook dat de verdachte over de betalingen aan zijn broer tegenover de FIOD/ECD heeft verklaard dat hij nooit slechte bedoelingen heeft gehad om Islamitische Staat te steunen en dat hij altijd al heeft geweten dat hij voor het overmaken van het geld ooit zou worden aangehouden. 6. Vast staat tenslotte, dat (toen nog) ISI(L), als zijnde gelieerd aan Al Qa’ida, in de ten laste gelegde periode was opgenomen in Bijlage I van de Verordening (EU) nr. 881/2002 van 27 mei 2002. Het hof stelt vast dat het derhalve verboden was om op de voornoemde data van de money transfers geld ter beschikking te stellen aan deze organisatie. Ook was het verboden om indirect, dus bijvoorbeeld aan een persoon die strijdt voor IS(IS), aan deze organisatie geld ter beschikking te stellen. 10.2.2 Slotsom ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit Nu de verdachte in ieder geval tweemaal, te weten op 16 oktober 2014 en op 24 december 2014, door tussenkomst van derden, opzettelijk geld heeft overgemaakt ten behoeve van zijn broer [man 1], die namens IS in Syrië streed, waarvan de verdachte wetenschap had, acht het hof op grond van het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierna in de bewezenverklaring is vermeld. 10.3 Overwegingen ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde feit Het hof ziet zich in het kader van de tenlastelegging van feit 3 voor de vraag gesteld of de door het hof vastgestelde feiten, in hun onderlinge samenhang beschouwd, zijn aan te merken als het opzettelijk handelen in strijd met het krachtens artikel 2 (lid 2) en/of artikel 3 van de Sanctiewet 1997 vastgestelde verbod van artikel 2, lid 4 van de Sanctieregeling Terrorisme 2007-II jo. Resolutie 1373 van de Veiligheidsraad. 10.3.1 Samenvatting van de feitelijke vaststellingen 1. De verdachte heeft – zoals in hoofdstuk 8 uitgebreid is overwogen – op 16 oktober 2014 en op 24 december 2014, via derden, te weten [betrokkene 1] en [betrokkene 2], respectievelijk € 1.701,-- en € 965,-- overgemaakt ten behoeve van zijn broer [man 1]. 2. [ Man 1] is bij besluit van [datum] van de Minister van Buitenlandse Zaken op de Nationale terrorismelijst geplaatst. Het besluit houdt in dat alle aanwezige tegoeden dienen te worden bevroren en dat geen financiële middelen aan [man 1] mogen worden verstrekt. De verdachte wist dat zijn broer in [datum] op de Nationale terrorismelijst was geplaatst en dat zijn tegoeden waren bevroren. Ook wist de verdachte van geruchten dat hij in de problemen kon komen als hij geld naar zijn broer zou overmaken. Dit alsmede het feit dat hij volgens zijn verklaring zijn baan niet wilde kwijtraken, was ook de reden dat hij op 16 oktober 2014 en op 24 december 2014 op naam van anderen geld aan zijn broer had overgemaakt. 10.3.2 Verweer inzake de bekendheid met de Sanctieregeling terrorisme 2007-II 1. De raadslieden hebben in aanvulling op hun pleitnota gesteld dat de verdachte niet op de hoogte was – zakelijk weergegeven – van het verbod ingevolge de Sanctieregeling Terrorisme 2007-II, omdat de regeling niet deugdelijk bekend was gemaakt. Pas in 2016 werd gecommuniceerd naar de samenleving, bijvoorbeeld via berichten op teletekst, dat het strafbaar was om dergelijke transacties te verrichten, aldus de raadslieden. 2. Zoals hiervoor bij het juridisch kader inzake de Sanctieregeling terrorisme 2007-II is overwogen betreft opzet in de zin van de Wet economische delicten kleurloos opzet. Het opzet van de dader hoeft niet te zijn gericht op de wederrechtelijkheid van de gedraging. De dader van een economisch delict is strafbaar indien hij opzettelijk heeft gehandeld of nagelaten te handelen zoals in de strafbepaling is omschreven. Het doet derhalve niet ter zake of de verdachte bekend was met de hiervoor genoemde Sanctieregeling. 3. In de onderhavige strafzaak betekent het vorenstaande dat – gelet op het feit dat [man 1] bij besluit van [datum] is aangewezen als een persoon jegens wie de Sanctieregeling Terrorisme 2007-II van toepassing is – door het verrichten – onmiddellijk of middellijk – van betalingen aan genoemde [man 1] artikel 2 van de Sanctieregeling Terrorisme 2007-II wordt overtreden. 4. Het hof verwerpt derhalve het verweer. 10.3.3 Slotsom ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde feit Samenvattend acht het hof op grond van het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierna in de bewezenverklaring is vermeld. 10.4 Overwegingen ten aanzien van de onder 4A en 4B ten laste gelegde feiten 10.4.1 Bespreking van het verweer inzake de (niet-)ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie ten aanzien van feit 4B 1. De verdachte wordt ten aanzien van het onder 4B ten laste gelegde, zakelijk weergegeven, verweten opzettelijk gebruik te hebben gemaakt van een vals geschrift, te weten een ‘verzoek Voorlopige Aanslag’ voor de inkomstenbelasting waarin verzonnen gegevens waren vermeld. De tenlastelegging is toegesneden op artikel 225, lid 2 jo artikel 225, lid 3 Sr waarin valsheid in geschrift met een terroristisch oogmerk strafbaar is gesteld. 2. De rechtbank heeft de officier van justitie ten aanzien van dit onderdeel van de tenlastelegging niet-ontvankelijk verklaard gelet op het bepaalde in artikel 69, lid 4 Algemene wet inzake rijksbelastingen (verder: AWR). 3. De advocaat-generaal kan zich met dit oordeel van de rechtbank niet verenigen en heeft daartoe aangevoerd, verkort en zakelijk weergegeven, dat, anders dan de rechtbank, een verzoek Voorlopige Aanslag, waarvan in het onderhavige geval sprake is, niet kan worden aangemerkt als ‘een bij de Belastingwet voorziene aangifte’, als bedoeld in artikel 69 AWR. 4. Mocht het hof daar anders over oordelen, dan stelt de advocaat-generaal zich op het standpunt dat strafvervolging op grond van artikel 225, lid 2 Sr jo. 225, lid 3 Sr bij aanwezigheid van een terroristisch oogmerk, waarvan hier volgens de advocaat-generaal sprake is, wel degelijk mogelijk is, nu dit betreft een strafverzwarende omstandigheid die ter uitvoering van artikel 3 onder c van het Kaderbesluit inzake terrorismebestrijding aan artikel 225 Sr is toegevoegd waardoor artikel 225 Sr in deze zaak is aan te merken als een specialis. Strafvervolging is volgens de advocaat-generaal op grond van artikel 225, lid 2 Sr jo. artikel 225, lid 3 Sr bij de aanwezigheid van een terroristisch oogmerk derhalve mogelijk en de rechtbank heeft het Openbaar Ministerie daarom ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard in zijn vervolging. 5. Het hof overweegt hierover als volgt. 6. Artikel 69 AWR luidt voor zover van belang: Degene die opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte niet doet, niet binnen de daarvoor gestelde termijn doet, dan wel een der feiten begaat, omschreven in artikel 68, eerste lid, onderdelen a, b, d, e, f of g, wordt, indien het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie of, indien dit bedrag hoger is, ten hoogste eenmaal het bedrag van de te weinig geheven belasting. Degene die opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doet, dan wel het feit begaat, omschreven in artikel 68, eerste lid, onderdeel c, wordt, indien het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie of, indien dit bedrag hoger is, ten hoogste eenmaal het bedrag van de te weinig geheven belasting, met dien verstande dat voor zover de onjuistheid in of onvolledigheid van de aangifte betrekking heeft op belastbaar inkomen als bedoeld in artikel 5.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001 de geldboete ten hoogste driemaal het bedrag van de te weinig geheven belasting bedraagt. (…) 4. Indien het feit, ter zake waarvan de verdachte kan worden vervolgd, zowel valt onder een van de bepalingen van het eerste of het tweede lid, als onder die van artikel 225, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, is strafvervolging op grond van genoemd artikel 225, tweede lid, uitgesloten. (…) 7. Het in artikel 69, lid 1 en lid 2 AWR vermelde bestanddeel 'een bij de belastingwet voorziene aangifte' vereist een uitnodiging tot het doen van aangifte door de inspecteur van de Belastingdienst. Het indienen van een verzoek tot een voorlopige aanslag is echter onverplicht en doet de belastingplichtige geheel op eigen initiatief en niet op uitnodiging van de inspecteur van de Belastingdienst. Een verzoek om een voorlopige aanslag is derhalve geen bij de Belastingwet voorziene aangifte. Om die reden vindt in casu de in artikel 69, lid 4 AWR opgenomen vervolgingsuitsluitingsgrond geen toepassing. 8. Nu een verzoek tot een voorlopige aanslag niet kan worden aangemerkt als ‘een bij de Belastingwet voorziene aangifte’, is reeds gelet hierop het onder 4B ten laste gelegde niet strafbaar gesteld in artikel 69, lid 2 AWR. Dit betekent dat het Openbaar Ministerie ten aanzien van het onder 4B ten laste gelegde ontvankelijk is in zijn vervolging van de verdachte. 10.4.2 Algemene overweging Het hof ziet zich in het kader van de tenlastelegging van feit 4 voor de vraag gesteld of de door het hof vastgestelde feiten in hun onderlinge samenhang beschouwd, zijn aan te merken als het zich tezamen en in vereniging met een ander schuldig maken aan valsheid in geschrift en het opzettelijk gebruik maken van een vals of vervalst geschrift met het oogmerk een terroristisch misdrijf voor te bereiden of gemakkelijk te maken als bedoeld in art. 225, leden 1, 2 en 3 Sr. 10.4.3 Samenvatting van de feitelijke vaststellingen en overwegingen hieromtrent 1. De verdachte heeft – zoals in hoofdstuk 8 is overwogen – op 9 juli 2014 in Den Haag, bij de Belastingdienst een verzoek Voorlopige Aanslag 2014 IB/PVV ingediend. De verdachte heeft hierbij hulp gehad van een zekere [man 3] en hij heeft de in het verzoek opgegeven valse gegevens en valse bedragen verzonnen. Naar aanleiding van dit verzoek werd door de Belastingdienst een bedrag van in totaal € 10.289,- overgemaakt naar een bankrekening van de verdachte. Een gedeelte van dit bedrag heeft de verdachte in de ten laste gelegde periode eveneens via money transfers overgemaakt naar een tussenpersoon ter doorgeleiding daarvan naar [man 1], de broer van de verdachte. 2. Het hof acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van valsheid in geschrift en het opzettelijk gebruik maken van dit geschrift, zoals ten laste gelegd onder 4A en 4B. 10.4.4 Het oogmerk om een terroristisch misdrijf voor te bereiden of gemakkelijk te maken 1. Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of de verdachte de ten laste gelegde en bewezen verklaarde valsheid in geschrift en het opzettelijk gebruik maken van een vals of vervalst geschrift heeft gepleegd met het oogmerk om een terroristisch misdrijf voor te bereiden of gemakkelijk te maken. 2. Zoals het hof heeft vastgesteld plegen jihadistische strijdgroepen in Syrië zoals Jabhat al-Nusra en ISIS ernstige misdrijven die tot doel hebben grote delen van de bevolking van Syrië ernstige vrees aan te jagen. De misdrijven die deze strijdgroepen plegen, zoals moord, doodslag, het teweegbrengen van ontploffingen e.d., worden dus begaan met een terroristisch oogmerk en zijn daarmee terroristische misdrijven. Deelneming aan de gewapende strijd in Syrië aan de zijde van deze strijdgroepen houdt dus altijd in het plegen van terroristische misdrijven. Dat was derhalve, zoals het hof heeft vastgesteld, ook voor [man 1], de broer van de verdachte, het geval. 3. Het hof overweegt dat de verdachte het bewezen verklaarde feit onder 1 heeft gepleegd, teneinde de als gevolg hiervan onterecht ontvangen gelden van de Belastingdienst (gedeeltelijk) aan te wenden ten behoeve van zijn broer die als Jihadstrijder in Syrië verblijft. Het hof acht bewezen dat de verdachte opzettelijk in de zin van ‘voorwaardelijk opzet’ heeft gehandeld. Samengevat houdt dit in dat met het verstrekken van geldelijke steun aan een persoon wiens betrokkenheid bij terrorisme bij de verdachte bekend is, in dit geval zijn broer, de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat deze gelden worden aangewend voor het plegen van terroristische misdrijven. 4. Nu oogmerk niet verenigbaar wordt geacht met voorwaardelijk opzet, en ook overigens geen omstandigheden zijn gebleken of aannemelijk geworden, waaruit kan worden afgeleid dat de verdachte ten tijde van het plegen van de valsheid in geschrift ‘het oogmerk om een terroristisch misdrijf voor te bereiden of gemakkelijk te maken’ had, dient hij van dit onderdeel van de tenlastelegging te worden vrijgesproken. 10.4.5 Slotsom ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde feit Samenvattend acht het hof op grond van het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 4A en 4B ten laste gelegde – met uitzondering van de strafverzwarende omstandigheid ‘met het oogmerk een terroristisch misdrijf voor te bereiden of gemakkelijk te maken’ – heeft begaan, zoals hierna in de bewezenverklaring is vermeld. 11Bewezenverklaring Gezien het voorgaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat: 1. hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 september 2013 tot en met 24 december 2014 te Den Haag en/of (elders) in Nederland en/of te Hatay en/of te Istanbul en/of (elders) in Turkije en/of Syrië en/of Irak, tezamen en in vereniging met (een) ander(
- en)en/of (een) (rechts)perso(o)n(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) zich of een ander opzettelijk middelen of inlichtingen heeft verschaft dan wel opzettelijk voorwerpen heeft verzameld, heeft verworven, voorhanden heeft gehad of aan een ander heeft verschaft, die geheel of gedeeltelijk, onmiddellijk of middellijk, dienden om geldelijke steun te verlenen aan het plegen van een terroristisch misdrijf of een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf, te weten: - deelname aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven (art. 140a Wetboek van Strafrecht) en/of - het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft (
- te)begaan met een terroristisch oogmerk (art.157 en/of 176a jo art. 83 Wetboek van Strafrecht) en/of opzettelijke voorbereiding van en/of bevordering tot het in artikel 157 van het Wetboek van Strafrecht omschreven misdrijf (zoals bedoeld in artikel 176b jo 96 lid 2 Wetboek van Strafrecht)(
- te)begaan met een terroristisch oogmerk en/of - moord en/of doodslag (
- te)begaan met een terroristisch oogmerk (art. 288a en/of 289 Jo art. 83 Wetboek van Strafrecht) en/of opzettelijke voorbereiding van en/of bevordering tot de in artikelen 288a en/of 289 van het Wetboek van Strafrecht omschreven misdrijven (zoals bedoeld in artikel 289a jo 96 lid 2 Wetboek van Strafrecht)(
- te)begaan met een terroristisch oogmerk, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn medeverdachte(
- n)alstoen aldaar (via (een) money transfer(s)) (een) (geld)bedrag(
- en)van: -4.713 euro (op 16 september 2013) (Doc-015-07) en/of-1.400 euro (op 21 mei 2014) (Doc-015-08) en/of -326 euro (op 29 mei 2014) (Doc-015-02) en/of -70 euro (op 13 juni 2014) (Doc-015-03) en/of -5.000 euro (op 15 juli 2014) (Doc-015-09) en/of -1.456 euro (op 6 september 2014) (Doc-015-05) en/of -1.306 euro (op 15 september 2014) (Doc-015-06) en/of -1.701 euro (op 16 oktober 2014) (Doc-033) en/of -965 euro (op 24 december 2014) (Doc-043 en/of Doc-044), althans één of meer (geld)bedrag(
- en)aan (een) tussenperso(o)n(
- en)in Turkije verzonden en/of doen toekomen en/of naar Turkije verzonden, terwijl dit/deze (geld)bedrag(
- en)(telkens) bestemd was/waren om geldelijke steun te verlenen aan de gewapende Jihadstrijd en/of (een) strijder(
- s)van die gewapende Jihadstrijd in Syrië en/of Irak, in welke strijd terroristische misdrijven worden gepleegd, te weten ten behoeve van [man 1], zijnde de broer van verdachte en/of een strijder van de gewapende Jihadstrijd, te weten van terroristische organisatie(
- s)IS en/of Al-Qaida dan wel een strijdgroep die hieraan is gelieerd, althans een gewapende Jihadistische strijdgroep, welke strijder en/of strijdgroep(en)/organisatie(
- s)tot oogmerk had(den)/heeft/hebben het plegen van terroristische misdrijven, en/of aldus diende(
- n)om geldelijke steun en/of middelen te verlenen aan de gewapende strijd in Syrië en/of in Irak, in elk geval om geldelijke steun en/of middelen te verlenen aan het plegen van een terroristisch misdrijf of een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf dan wel een van de hiervoor specifiek genoemde misdrijven; 2. hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 30 augustus 2013 16 oktober 2014 tot en met 24 december 2014 te Den Haag en/of (elders) in Nederland en/of Turkije en/of Syrië en/of Irak, tezamen en in vereniging met (een) ander(
- en)en/of (een) rechtsperso(o)n(en), althans alleen, (telkens) meermalen opzettelijk in strijd met het krachtens artikel 2 en/of 3 van de Sanctiewet 1977 vastgestelde verbod van artikel 2 en/of artikel 2a van de Sanctieregeling Al-Qa’ida 2011 juncto artikel 2 en/of artikel 4 van Verordening (EG) nr. 881/2002 van de Raad van de Europese Unie van 27 mei 2002 (jo artikel 1 Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 632/2013 van de Commissie en/of jo artikel 1 Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 583/2014 van de Commissie en/of jo artikel 1 Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 630/2014 van de Commissie), heeft gehandeld door: aan of ten behoeve van Islamic State of Iraq en/of ISI en/of Islamic State in Iraq and the Levant en/of Jabhat al-Nusra en/of Jabhet al-Nusra en/of Al-Nusrah Front en/of Al-Nusrah Front en/of Al-Nusrah Front for the people of the Levant en/of Al-Qaida (in Irak), zijnde (een) (rechts)perso(o)n(en), groep(
- en)of entiteit(
- en)als bedoeld in de bij Verordening nr. 881/2002 (en/of Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 632/2013 en/of Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 583/2014 en/of Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 630/2014) behorende lijst(
- en)en/of als bedoeld in de lijst, vastgesteld door het comité, bedoeld in paragraaf 6 van Resolutie 1267 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, direct of indirect tegoeden en/of economische middelen ter beschikking te stellen (waardoor voornoemde groep(
- en)of entiteit(
- en)tegoeden, goederen of diensten kunnen verwerven) en/of bewust en opzettelijk deel te nemen aan activiteiten die tot doel of tot gevolg hebben de bepalingen van artikel 2 van Verordening (EG) nr. 881/2002 te omzeilen, doordat hij en/of zijn medeverdachte(
- n)(
- a)voor en/of aan en/of ten behoeve van Islamic State of Iraq en/of ISI en/of Islamic State in Iraq and the Levant en/of Jabhat al-Nusra en/of Jabhet al-Nusra en/of Al-Nusrah Front en/of Al-Nusra Front en/of Al-Nusrah Front for the people of the Levant en/of Al-Qaida (in Irak) direct of indirect (een) geldbedrag(
- en)ter beschikking heeft/hebben gesteld van -4.713 euro (op 16 september 2013) (Doc-015-07) en/of -1.400 euro (op 21 mei 2014) (Doc-015-08) en/of -326 euro (op 29 mei 2014) (Doc-015-02) en/of -70 euro (op 13 juni 2014) (Doc-015-03) en/of -5.000 euro (op 15 juli 2014) (Doc-015-09) en/of -1.456 euro (op 6 september 2014) (Doc-015-05) en/of -1.306 euro (op 15 september 2014) (Doc-015-06) en/of -1.701 euro (op 16 oktober 2014) (Doc-033) en/of -965 euro (op 24 december 2014) (Doc-043 en/of Doc-044), althans één of meer (geld)bedrag(
- en)en/of (
- b)op andere wijze (in)direct tegoeden en/of financiële activa en/of economische middelen ter beschikking heeft/hebben gesteld aan Islamic State of Iraq en/of ISI en/of Islamic State in Iraq and the Levant en/of Jabhat al-Nusra en/of Jabhet al-Nusra en/of Al-Nusrah Front en/of Al-Nusra Front en/of Al-Nusrah Front for the people of the Levant en/of Al-Qaida (in Irak); 3. hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 11 september 2014 tot en met 24 december 2014 te Den Haag en/of (elders) in Nederland en/of te Hatay en/of te Istanbul en/of (elders) in Turkije, tezamen en in vereniging met [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] en/of (een) ander(
- en)en/of (een) (rechts)perso(o)n(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk in strijd met het krachtens artikel 2 (lid 2) en/of artikel 3 van de Sanctiewet 1977 vastgestelde verbod van artikel 2 lid 4 van de Sanctieregeling Terrorisme 2007-II juncto Resolutie 1373 van de Veiligheidsraad, heeft gehandeld doordat hij en/of zijn medeverdachte(
- n)rechtstreeks dan wel middellijk middelen (in de vorm van (een) (geld)bedrag(
- en)van -1.701 euro (op 16 oktober 2014) (Doc-033) en/of -965 euro (op 24 december 2014) (Doc-043 en/of Doc-044), althans één of meer (geld)bedrag(
- en)(via (een) tussenperso(o)n(
- en)in Turkije) aan [man 1] ter beschikking heeft/hebben gesteld terwijl [man 1] bij besluit van [datum] door de Minister van Buitenlandse Zaken in overeenstemming met de Minister van Veiligheid en Justitie en de Minister van Financiën is aangewezen als persoon jegens wie de Sanctieregeling terrorisme 2007-II van toepassing is; 4. A. hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2014 tot en met 9 juli 2014, althans op 9 juli 2014 te Leidschendam-Voorburg en/of Den Haag en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander(
- en)en/of (een) (rechts)perso(o)n(en), althans alleen, (een) verzoek Voorlopige Aanslag 2014 IB/PVV en/of IBPV Verzoek 2014 (voor en/of ten behoeve van BSN [BSN] (van verdachte)) (voor het belastingjaar 2014) (Doc-004 en/of Doc-025) zijnde (een) geschrift(
- en)dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt en/of vervalst en/of valselijk heeft doen opmaken en/of doen vervalsen, immers heeft/hebben voornoemde verdachte en/of zijn medeverdachte(
- n)(telkens) valselijk en/of in strijd met de waarheid - op/in voornoemd geschrift(
- en)-(een) loonbedrag(
- en)en/of andere inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking (afkomstig van werkgever [werkgever]) (van 150.000 euro) en/of -(een) aftrekbaar bedrag specifieke zorgkosten (van 2000 euro) en/of -(een) aftrekbaar bedrag levensonderhoud kinderen (van 19.000 euro) en/of -(een) aftrekbaar bedrag weekenduitgaven ernstig gehandicapten (van 10.100 euro) en/of -(een) bedrag giften (van 1000 euro) vermeld en/of doen vermelden zulks (telkens) met het oogmerk om voornoemd(
- e)geschrift(
- en)als echt en onvervalst te gebruiken of door (een) ander(
- en)te doen gebruiken en/of gepleegd met het oogmerk om (een) terroristisch(
- e)misdrij(f)(ven) voor te bereiden of gemakkelijk te maken en/of B. hij, op één of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 januari 2014 tot en met 9 juli 2014, althans op 9 juli 2014 te Leidschendam-Voorburg en/of Den Haag en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(
- en)en/of (een) (rechts)perso(o)n(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van één een of meer valse en/of vervalste geschrift(
- en)- zijnde (een) geschrift(
- en)dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware deze echt en/of onvervalst, te weten (een) verzoek Voorlopige Aanslag 2014 IB/PVV en/of IBPV Verzoek 2014 (voor en/of ten behoeve van BSN [BSN] (van verdachte)) (voor het belastingjaar 2014) (Doc-004 en/of Doc-025) bestaande dat gebruikmaken hierin dat hij, verdachte en/of zijn medeverdachte(n), dit/deze geschrift(
- en)(elektronisch) aan de Belastingdienst heeft hebben gestuurd en/of doen toekomen ter verkrijging van een belastingteruggave en/of (een) geldbedrag(
- en)en bestaande die valshe(i)d(
- en)en/of vervalsing(
- en)hierin dat in dat/die geschrift(
- en)valselijk en/of in strijd met de waarheid: -(een) loonbedrag(
- en)en/of andere inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking (afkomstig van werkgever [werkgever]) (van 150.000 euro) en/of -(een) aftrekbaar bedrag specifieke zorgkosten (van 2000 euro) en/of -(een) aftrekbaar bedrag levensonderhoud kinderen (van 19.000 euro) en/of -(een) aftrekbaar bedrag weekenduitgaven ernstig gehandicapten (van 10.100 euro) en/of -(een) bedrag giften (van 1000 euro) was/is vermeld en/of opgenomen en/of gepleegd met het oogmerk om (een) terroristisch(
- e)misdrij(f)(ven) voor te bereiden of gemakkelijk te maken. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging. 12Strafbaarheid van de feiten Het onder 1 bewezen verklaarde – voor zover betrekking hebbend op de money transfers d.d. 16 september 2013, 21 mei 2014, 29 mei 2014, 13 juni 2014, 15 juli 2014, 6 september 2014 en 15 september 2014 – dient te worden gekwalificeerd als: financieren van terrorisme, meermalen gepleegd. Het onder 1 bewezen verklaarde – voor zover betrekking hebbend op de money transfers d.d. 16 oktober 2014 en 24 december 2014 –, het onder 2 bewezen verklaarde en het onder 3 bewezen verklaarde dient te worden gekwalificeerd als: de eendaadse samenloop van financieren van terrorisme, meermalen gepleegd en opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 2 van de Sanctiewet 1977, meermalen gepleegd. Het onder 4A bewezen verklaarde levert op: medeplegen van valsheid in geschrift. Het onder 4B bewezen verklaarde levert op: medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst. 13Strafbaarheid van de verdachte Toerekenbaarheid 1. Het hof heeft ter zake van de strafbaarheid van de verdachte acht geslagen op de inhoud van de Pro Justitia rapportage betreffende de verdachte, opgemaakt door drs. T.W. van de Kant, GZ-psycholoog, en J.L.J. Volders, forensisch milieurapporteur, d.d. 8 januari 2016. 2. Deze rapportage houdt onder meer het volgende in. Bij de verdachte is sprake van een langdurig aanwezige dysthyme stoornis. Een dysthyme stoornis gaat gepaard met een milde depressieve stemming gedurende lange tijd, zonder dat sprake is van een depressieve episode. Daarnaast functioneert de verdachte op zwakbegaafd niveau. Deze combinatie leidt bij de verdachte tot passiviteit, nalatigheid en ontwijkend gedrag. Tijdens het ten laste gelegde - met uitzondering van de valsheid in geschrift - werden de gedragskeuzen en gedragingen van de verdachte beïnvloed door voormelde (persoonlijkheids)problematiek. 3. Uit het milieuonderzoek is duidelijk geworden dat het vertrek van zijn jongere broer naar Syrië een zware wissel op de verdachte heeft getrokken. Hij is een intellectueel beperkte man, met weinig adequate probleemoplossingsvaardigheden. Door deze problematiek lijkt de verdachte onvoldoende in staat te zijn geweest zijn plannen om geld naar zijn broer in Syrië over te maken kritisch tegen het licht te houden. Hij wilde zijn broer helpen, maar hij lijkt zich onvoldoende te hebben en kunnen realiseren dat hij hiermee wederrechtelijk heeft gehandeld. En als hij dit wist, was hij onvoldoende in staat de consequenties daarvan ten volle in te kunnen schatten. 4. Geadviseerd wordt daarom de verdachte ten aanzien van de feiten 1, 2 en 3 - indien bewezen - als verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen. 5. Bij de ten laste gelegde belastingfraude/valsheid in geschrift, lijken volgens bovengenoemde deskundigen dezelfde factoren zoals nalatigheid, naïviteit en het onvoldoende inzien van de consequenties, eveneens een rol te hebben gespeeld. Echter, er is ook sprake van opportunisme. De verdachte wist dat hij geen 150.000 euro had verdiend, dat hij geen kinderen heeft en dat hij evenmin zorgkosten voor gehandicapten had gemaakt, die hij wel heeft opgegeven. De verdachte was simpelweg in de naïeve veronderstelling dat de belastingdienst daar niet achter zou komen. Het is voorstelbaar dat de verdachte de belastingfraude/ valsheid in geschrift heeft gezien als eenvoudige mogelijkheid om aan geld te komen, wat hij aan zijn broertje over kon maken. Hierbij geldt ook dat hij de consequenties van zijn handelen niet volledig heeft overzien, maar hij was zich wel bewust van de wederrechtelijkheid van zijn handelen. 6. Geadviseerd wordt daarom de verdachte ten aanzien van feit 4 – indien bewezen – als volledig toerekeningsvatbaar te beschouwen. 7. Het hof neemt de conclusie uit voormeld multidisciplinair rapport, inhoudende dat de verdachte ten aanzien van de feiten 1, 2 en 3 – indien bewezen – als verminderd toerekeningsvatbaar is te beschouwen, evenals de rechtbank en de advocaat-generaal, niet over. 8. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat daartoe redengevend is dat de conclusie in het rapport niet, althans onvoldoende, wordt gedragen door de bevindingen van de deskundigen. Zo wordt op pagina 22 van het rapport gerelateerd dat de verdachte de naïeve en weinig verbaal begaafde indruk mogelijk ook (ten dele) bewust inzet, dat hij een weinig betrouwbare indruk maakt en dat hij het achterste van zijn tong niet laat zien. Ook stellen de deskundigen dat in het tweede gesprek een wat meer bewuste, manipulatieve kant van de verdachte op de voorgrond komt te staan met het doel een sociaal aangepast beeld van zichzelf te schetsen. Genoemde bevindingen van de deskundigen komen overeen met hetgeen het hof ook ter terechtzitting is gebleken. Op de terechtzitting van 17 februari 2017 had het hof de indruk dat de verdachte ook niet het achterste van zijn tong liet zien, dat hij er bewust voor koos welke informatie hij wel en niet met het hof wilde delen en dat hij om de zaken heen draaide. Deze (kennelijk) berekenende houding van de verdachte was echter niet meer aanwezig op het moment dat de verdachte vragen omtrent zijn persoonlijke omstandigheden beantwoordde. Het hof vermag dan ook niet in te zien dat de verdachte door zijn (persoonlijkheids) problematiek onvoldoende in staat zou zijn geweest de consequenties van zijn handelen te overzien. Immers, de verdachte is - nadat hij wist dat zijn broer op de Nationale terrorismelijst was geplaatst - bewust met gebruikmaking van het identiteitsbewijs van anderen doorgegaan met het overmaken van geldbedragen naar zijn broer. Daarbij komt dat de verdachte tevens, om geld ten behoeve van zijn broer te verkrijgen, belastingfraude heeft gepleegd en hij voor dit feit volgens de deskundigen wel als volledig toerekeningsvatbaar is te beschouwen. 9. Het hof acht de verdachte dan ook ten aanzien van alle bewezen verklaarde feiten toerekeningsvatbaar. 10. Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar. 14Vordering van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1, 2, 3, 4A en 4B ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren en onder de bijzondere voorwaarden zoals vermeld in het rapport van de reclassering van 14 februari 2017. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte zal worden opgeheven. 15Strafmotivering 1. De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan 2. De verdachte heeft via money transfers in totaal bijna € 17.000,- vanuit Nederland aan tussenpersonen in Turkije overgemaakt, welke geldbedragen bestemd waren voor zijn broer, [man 1], een strijder van de gewapende Jihadstrijd in Syrië. Uit het dossier blijkt dat deze geldbedragen ook daadwerkelijk bij de broer van de verdachte zijn aangekomen. Nadat zijn broer op [datum] op de Nationale terrorismelijst was geplaatst heeft de verdachte, teneinde zijn handelen te verhullen, twee personen tegen betaling betrokken bij het overboeken van geldbedragen op 16 oktober 2014 en 24 december 2014 door met gebruikmaking van hun identiteitsbewijzen twee keer een geldbedrag ten behoeve van zijn broer over te maken. 3. De verdachte heeft door het overmaken van de geldbedragen zowel de internationale regelgeving als de nationale wetgeving naast zich neergelegd. Deze regelgeving is internationaal gezien van groot belang, omdat het doel ervan is te komen tot een gezamenlijke handhaving of herstel van de internationale vrede en veiligheid alsmede de internationale rechtsorde en de bestrijding van terrorisme te bevorderen. Door deze verboden te overtreden heeft de verdachte een wezenlijke bijdrage geleverd aan de gewapende Jihadstrijd in Syrië en aldus aan de (verdergaande) destabilisering en onveiligheid in (de regio van) Syrië. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat jihadistische groeperingen, in het bijzonder IS, in Syrië zich op grote schaal schuldig maken aan grove mensenrechtenschendingen. De verdachte heeft zich door zijn handelwijze dan ook schuldig gemaakt aan ernstige misdrijven. Dit geldt te meer nu het gaat om een fors geldbedrag. 4. Daarnaast heeft de verdachte zich samen met een ander schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift en het opzettelijk gebruikmaken van dit geschrift door een verzoek Voorlopige Aanslag IB/PVV op naam van de verdachte met daarin bewust onjuist vermelde gegevens bij de belastingdienst in te dienen, met als voornaamste doel om zijn broer in Syrië geld te kunnen sturen. De verdachte heeft door het indienen van dit verzoek ten onrechte een geldbedrag van in totaal ruim € 10.000,- van de belastingdienst ontvangen, waarna hij het grootste deel van deze geldbedragen via money transfers heeft overgemaakt naar zijn broer die zich als Jihadstrijder in het strijdgebied van Syrië bevindt. Het hof rekent het de verdachte zwaar aan dat hij overheidsgeld heeft misbruikt om – indirect – geldelijke steun te verlenen aan de gewapende Jihadstrijd in Syrië. Voorts heeft de verdachte door aldus te handelen het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer moet kunnen worden gesteld in de echtheid van dergelijke documenten ernstig beschaamd. Persoon van de verdachte en de persoonlijke omstandigheden Justitiële documentatie 5. Het hof heeft bij de op te leggen straf in aanmerking genomen dat de verdachte blijkens het op zijn naam gestelde uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 2 februari 2017 in Nederland niet eerder is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke strafbare feiten. Rapportages 6. Het hof heeft acht geslagen op de rapportage van Reclassering Nederland d.d. 14 februari 2017, zoals dat met de verdachte ter terechtzitting in hoge