GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling civiel, team familie Zaaknummer : 200.162.136/01 Zaak-/rolnummer rechtbank : C/09/448513 / HA ZA 13-890 arrest d.d. 31 januari 2017 inzake [broer een] , wonende te [woonplaats] , appellant, hierna ook te noemen: [broer een] , advocaat: mr. A.H. van Gerwen te Eindhoven, tegen [broer twee] , wonende te [woonplaats] , geïntimeerde, hierna ook te noemen: de bewindvoerder, advocaat: mr. R.P. Heeren te Leiden. Het geding Appellant is bij exploot van 15 december 2014 in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Den Haag, team handel, van 1 oktober 2014 gewezen tussen appellant als eiser in reconventie, tevens gedaagde in conventie, en geïntimeerde als eiser in conventie, tevens gedaagde in reconventie, hierna: het bestreden vonnis. Voor het verloop van de procedure in eerste aanleg verwijst het hof naar het bestreden vonnis. Appellant heeft ter rolzitting van 18 augustus 2015 een memorie van grieven genomen. In deze memorie heeft hij vijf grieven aangevoerd. Geïntimeerde heeft ter rolzitting van 19 april 2016 een memorie van antwoord genomen. Ter rolzitting van 21 juni 2016 heeft appellant een akte genomen. Ter rolzitting van 19 juli 2016 heeft geïntimeerde een antwoordakte genomen. Partijen hebben hun procesdossier gefourneerd en hebben arrest gevraagd. Beoordeling van het hoger beroep Algemeen 1. In het bestreden vonnis heeft de rechtbank: de vorderingen in conventie toegewezen en: - verklaard voor recht dat de bewindvoerders [broer drie] en [broer twee] terecht een bedrag ter grootte van € 47.500,- hebben verrekend met een gelijk bedrag uit het aandeel van [broer een] in de nalatenschap van de ouders; - [broer een] veroordeeld om aan [broer drie] en [broer twee] , in hun hoedanigheid als bewindvoerders, te betalen een bedrag van € 29.213,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis tot aan de dag van algehele voldoening; - [broer een] veroordeeld in de kosten van het geding; - het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard; - het meer of anders verzochte afgewezen; in reconventie: - de vordering tot betaling door de bewindvoerders aan [broer een] van een bedrag van € 47.500,-, vermeerderd met de wettelijke rente, afgewezen; - [broer een] veroordeeld in de kosten van het geding; - het vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaard. 2. Appellant vordert van het hof, zo blijkt uit zijn petitum in de appeldagvaarding en het petitum in de memorie van grieven, het bestreden vonnis te vernietigen en, opnieuw rechtdoende: - de bewindvoerders in hun vorderingen alsnog niet-ontvankelijk te verklaren, althans hen deze te ontzeggen, en - de reconventionele vordering van appellant, destijds eiser in reconventie, toe te wijzen, - met veroordeling van geïntimeerden in de kosten van beide instanties. 3. Geïntimeerde verzoekt het hof bij arrest, voor zover rechtens mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: - het vonnis waarvan beroep te bekrachtigen; - appellant te veroordelen tot betaling van de kosten van dit hoger beroep, te vermeerderen met de nakosten ten belope van € 131,- zonder betekening, dan wel € 199,- in het geval van betekening, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het arrest, en – voor het geval voldoening van de (na-) kosten niet binnen die termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na-) kosten te rekenen vanaf veertien dagen na dagtekening van het arrest. Vaststaande feiten 4. Partijen zijn de kinderen van: - [de vader] , overleden [in] 2003, erflater; en - [de moeder] , overleden [in] 2009, erflaatster. Naast appellant en geïntimeerde zijn thans nog zeven andere kinderen in leven. 5. Bij zijn door zijn overlijden onherroepelijk geworden testament van 13 november 1971 heeft erflater zijn echtgenote en zijn kinderen nagelaten als zijn erfgenamen en heeft hij zijn nalatenschap overeenkomstig het destijds van toepassing zijnde art.1167 e.v. oud BW verdeeld op grond waarvan zijn echtgenote alle goederen van de nalatenschap heeft verkregen onder de verplichting de nalatenschapsschulden voor haar rekening te nemen en hebben de kinderen een niet-opeisbare vordering ter grootte van hun erfdeel op hun moeder verkregen. 6. Bij overlijden van de moeder, erflaatster, zijn deze vorderingen opeisbaar geworden. 7. Het hof gaat er vanuit dat, nu dit niet weersproken is, alle erfgenamen de nalatenschap van hun moeder zuiver hebben aanvaard. 8. Bij beschikking van 10 december 2009 van de rechtbank Den Haag, sector kanton, locatie Leiden: - is door de kantonrechter een beheersregeling getroffen als bedoeld in artikel 3:168 lid 2 BW met betrekking tot de nalatenschap van erflaatster met onderbewindstelling van alle goederen die (zullen) toebehoren tot de nalatenschap van erflaatster; - zijn [broer drie] en [broer twee] benoemd tot bewindvoerders. 9. Op 25 april 2014 is overleden [broer drie] . In zijn plaats is geen nieuwe bewindvoerder benoemd, zodat uitsluitend nog bewindvoerder is [broer twee] . 10. Bij beschikking van 13 maart 2013 van de rechtbank Den Haag, team kanton Leiden/Gouda, locatie Leiden, heeft de kantonrechter aan de bewindvoerders voornoemd machtiging verleend om namens de nalatenschap/beheersregeling een civiele procedure aanhangig te maken tegen onder andere appellant. Opmerking hof vooraf 11. Het hof stelt het volgende voorop. Het zwaartepunt van een zaak ligt bij hetgeen bij memorie van grieven en memorie van antwoord door partijen naar voren wordt gebracht. Het hof acht het in strijd met een goede procesorde dat appellant een nadere akte in het geding brengt van vijf bladzijden met daarbij gevoegd 7 producties, terwijl in de memorie van grieven slechts twee bladzijden aan de grieven zijn gewijde en daar geen producties bij zijn gevoegd. De conventionele vorderingen in eerste aanleg 12. Artikel 3: 168 lid 2 BW betreft een beheersregeling met in dit geval een onderbewindstelling, waarop ingevolge lid 5 van dit artikel bewindbepalingen van Boek 4 BW van toepassing zijn. Noch de beheersregeling noch de onderbewindstelling brengt mee de bevoegdheid voor de beheerders/bewindvoerders om de nalatenschap van erflaatster te verdelen. Beheer kan alleen dan beschikken omvatten als die door de normale exploitatie worden gevorderd. Aan de bewindvoerder van artikel 3: 168 BW kan zelfs niet de bevoegdheid worden gegeven de nalatenschap te verdelen nu artikel 4:171 BW op dit bewind niet van toepassing is (artikel 3:168 lid 5 BW). Daargelaten dat de kantonrechter dat terecht ook niet heeft gedaan, kunnen de bevoegdheden van de onderhavige bewindvoerder niet aldus worden uitgebreid dat die zelfstandig de nalatenschap zou kunnen verdelen. 13. Het vorenstaande brengt met zich mee dat in de onderhavige zaak de bewindvoerders niet de bevoegdheid hebben om de nalatenschap van erflaatster te verdelen. 14. De bewindvoerders hebben bij brief van 6 november 2012 een verslag van hun beheer van de nalatenschap van erflaatster aan de rechtbank Den Haag gezonden. In dit verslag staat vermeld dat als eerste tranche aan de erven € 32.500,- met aftrek van de gekochte roerende goederen uit de boedel is uitgekeerd, zodat de verdeling van de roerende goederen is afgerond. Voorts staat vermeld dat niets is overgemaakt naar [broer een] omdat zijn saldo in de nalatenschap negatief is. Daarbij wordt verwezen naar het punt in het verslag waarin staat vermeld dat [broer een] een schuld van € 76.518,- aan de boedel heeft. 15. Voorts is overgelegd een brief van mr. Heeren, de advocaat van de bewindvoerders, van 7 maart 2013, overgelegd als productie 18 bij de inleidende dagvaarding. Uit deze brief blijkt dat de bewindvoerders in de maanden oktober en november 2012 (deel)betalingen aan erfgenamen hebben gedaan. 16. Uit voornoemde brieven blijkt dat de bewindvoerders de verdeling van de nalatenschap van erflaatster hebben voltrokken. Door niet aan [broer een] het bedrag van € 47.500,- uit te keren omdat hij volgens de bewindvoerders een schuld aan de nalatenschap heeft, hebben de bewindvoerders gedwongen schuldtoerekening toegepast. Gedwongen schuldtoerekening is echter een verdelingshandeling, zoals ook blijkt uit artikel 4:228 BW. 17. [broer een] heeft bij brief van 8 december 2012 op voornoemd verslag van de bewindvoerders zoals door de bewindvoerders aan de rechtbank toegezonden bij brief van 6 november 2012 gereageerd. Hij geeft in zijn brief aan bezwaar aan te tekenen tegen het verslag omdat hij onrechtmatig wordt uitgesloten. Dat er aan mede-erven wordt uitgekeerd en niet aan hem acht hij niet correct. Hij geeft voorts aan dat hem niet bekend is dat hij een schuld aan de boedel zou hebben. 18. Uit het vorenstaande volgt dat de bewindvoerders onbevoegd de nalatenschap zelfstandig hebben verdeeld en appellant ten onrechte niet in de contractuele verdeling hebben betrokken. Nu derhalve in ieder geval appellant niet heeft deelgenomen aan de verdeling is er ingevolge artikel 3:195 BW sprake van een nietige verdeling. 19. Met de machtiging van 13 maart 2013 hadden de bewindvoerders wel kunnen procederen omtrent de door hen gestelde vordering van € 76.000,- van de nalatenschap op [broer een] , maar niet verdelen. 20. Het vorenstaande in acht nemend dient het bestreden vonnis te worden vernietigd voor zover daarin de vorderingen in conventie zijn toegewezen. Deze vorderingen in conventie dienen alsnog te worden afgewezen, nu deze vorderingen hun grondslag vinden in een nietige verdeling. De vordering in reconventie in eerste aanleg 21. [broer een] vordert betaling door de bewindvoerders aan hem van een bedrag van € 47.500,-, vermeerderd met de wettelijke rente. Hij voert daartoe aan dat volgens hem geen sprake is van een vordering van de nalatenschap op hem van € 76.518,-, zodat aan hem toekomt hetzelfde bedrag dat reeds aan zijn broers en zussen is uitgekeerd. Appellant stelt daartoe dat door de bewindvoerders nimmer is aangegeven om welke schuld(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.