GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer : 200.180.624/01 Zaaknummer rechtbank : 3351477 CV EXPL 14-41205 Arrest van 31 januari 2017 in de zaak met bovenvermeld zaaknummer van: MARINA PORT ZÉLANDE B.V., gevestigd te Zierikzee,appellante, nader te noemen: Marina Port Zélande, advocaat: mr. H. Braak te Veenendaal, tegen: DELTA BOAT CENTER HOLDING B.V. gevestigd te Oostvoorne, geïntimeerde, hierna te noemen: Delta Boat, advocaat: mr. M. van Wouwe te Rotterdam. Het geding Voor de gang van zaken tot 22 december 2015 wordt verwezen naar het tussenarrest van die datum, waarbij een comparitie na aanbrengen werd gelast. Deze comparitie heeft plaatsgevonden op 10 februari 2016. Hiervan is proces-verbaal opgemaakt. Vervolgens heeft Marina Port Zélande bij memorie van grieven zeven grieven aangevoerd, die door Delta Boat zijn bestreden bij memorie van antwoord (met producties). Hierna heeft Delta Boat akte verzocht, houdende niet ontvankelijkheid wegens nieuwe feiten en omstandigheden. Marina Port Zélande heeft hierop gereageerd bij antwoordakte. Daarna hebben partijen hun procesdossiers overgelegd en arrest gevraagd. Beoordeling van het hoger beroep De feiten, die de rechtbank in het vonnis in rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.9 heeft weergegeven, zijn niet bestreden, met uitzondering van rechtsoverweging 2.3. Deze feiten (uitgezonderd 2.3) staan dus ook voor het hof vast. Kort en zakelijk weergegeven gaat het geschil in hoger beroep louter over de vraag of de huurovereenkomst tussen partijen moet worden gekwalificeerd als een overeenkomst op grond van artikel 7:230a BW of op grond van artikel 7:290 BW. In overleg met partijen heeft de kantonrechter alleen hierover een eindbeslissing genomen en zijn de overige geschilpunten door de kantonrechter nog niet afgedaan. In dit verband zijn de volgende feiten van belang.(2.1) Op 11 juli 2009 hebben partijen een huurcontract getekend met opschrift “Huurovereenkomst kantoorruimte en andere bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:230a BW”. Hierbij heeft Marina Port Zélande aan Delta Boat bedrijfsruimte verhuurd, gelegen aan de [adres] te [woonplaats]. Deze bedrijfsruimte (hierna ook: het gehuurde) betreft een gebouwde onroerende zaak met een vloeroppervlak van 1500 m² en is gelegen aan de jachthaven aldaar. In het gehuurde is ruimte om 10 (grote) jachten uit te stallen voor de verkoop. Aan Delta Boat zijn tevens verhuurd 10 ligplaatsen voor boten aan de verkoopsteiger, plus 6 extra ligplaatsen voor motorboten aan de binnenzijde van de verkoopsteiger. Daarnaast bevat de huurovereenkomst de verhuur van 5 parkeerplaatsen.(2.2) Artikel 1.3 van het huurcontract houdt in:“Het gehuurde zal door of vanwege huurder uitsluitend worden bestemd om te worden gebruikt als showroom/verkoopruimte voor motorboten/jachten en bijbehorende onderdelen en accessoires en voor de makelaardij in motorboten/jachten. De exploitatie van een watersportwinkel en een service center is hier niet onder begrepen.”(2.3) Bij het thans bestreden vonnis van 17 juli 2015 heeft de kantonrechter (in het dictum) voor recht verklaard dat tussen partijen een huurovereenkomst tot stand is gekomen als bedoeld in artikel 7:290 BW. Dit deel van het vonnis is dus een eindvonnis, waartegen tijdig hoger beroep is ingesteld. Marina Port Zélande heeft deze beslissing met zeven grieven in hoger beroep aangevochten. Hiermee wordt dit geschilpunt in volle omvang aan het hof voorgelegd. Ontvankelijkheid? 4. Delta Boat heeft in haar laatste akte, kort weergegeven, gesteld dat Marina Port Zélande niet langer verhuurder is, zodat ze bij de procedure in hoger beroep geen belang meer heeft. Marina Port Zélande heeft dit bestreden. Zij is, aldus Marina Port Zélande, nog steeds verhuurder. Zij huurde de bedrijfsruimte aanvankelijk van Jachthaven Port Zélande B.V. en inmiddels van de nieuwe eigenaar REPZ B.V. Haar huurovereenkomst met Delta Boat is er een van onderhuur (met Marina Port Zélande als onderverhuurder en Delta Boat als onderhuurder). Hierin is door de verkoop aan REPZ B.V. niets veranderd. 5. Wat hiervan zij (Delta Boat heeft op de antwoordakte van Marina Port Zélande niet kunnen reageren), Marina Port Zélande heeft geen aanleiding gezien om schorsing van de procedure te vragen in de zin van artikel 225 Rv. Er zal dus worden voortgeprocedeerd op de naam van de oorspronkelijke partij. De stelling van Delta Boat dat Marina Port Zélande geen belang meer heeft bij haar hoger beroep wordt verworpen. Marina Port Zélande behoudt in ieder geval haar proceskostenbelang. Beoordeling van de grieven 6. Voor de beantwoording van de vraag of een huurovereenkomst moet worden aangemerkt als huur van bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 BW dan wel als huur van andere bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:230a BW, is beslissend hetgeen partijen, mede in aanmerking genomen de inrichting van het gehuurde, omtrent het gebruik daarvan voor ogen heeft gestaan. 7. Evenals de kantonrechter komt het hof tot het oordeel dat er sprake is van bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290, tweede lid onder a. BW. Dit wordt als volgt toegelicht.(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.