GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer : 200.226.976/01 Zaaknummer rechtbank : C/10/525298 / KG RK 17-663 Beschikking van 1 mei 2018 in de zaak van [appellant] , wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] , appellant, hierna te noemen: [appellant] , advocaat: mr. F. Kolkman te Almelo, tegen 1Service Technisch Beheer (S.T.B.) B.V., gevestigd te Eindhoven, geïntimeerde, hierna te noemen: STB, advocaat: mr. B. Vertogen te Tilburg, 2Nationale Nederlanden Levensverzekering Maatschappij N.V., gevestigd te Rotterdam, geïntimeerde, hierna te noemen: NN, advocaat: mr. J. Voskamp te Amsterdam. Het verloop van het geding 1. Bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 7 november 2017, heeft [appellant] beroep ingesteld tegen de tussenbeschikkingen van 16 juni 2017 en 11 augustus 2017 en de eindbeschikking van 9 oktober 2017, alle van de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam (hierna: de voorzieningenrechter). 2. Door NN is vervolgens een verweerschrift ingediend dat bij het hof is ingekomen op 19 december 2017. STB heeft eveneens een verweerschrift ingediend, dat bij het hof is ingekomen op 21 december 2017. 3. Partijen hebben hun standpunten uiteengezet tijdens de mondelinge behandeling op 12 april 2018. [appellant] en STB hebben voorafgaand aan die zitting nog stukken ingediend. Van de mondelinge behandeling is proces-verbaal opgemaakt. Ten slotte is een datum voor beschikking bepaald. De beoordeling van het verzoek 4. [appellant] is bij arrest van het hof Den Haag van 30 juni 2015 en bij vonnis van de rechtbank Rotterdam van 9 november 2016 veroordeeld om bedragen aan STB te betalen. Het vonnis van de rechtbank Rotterdam is bij exploot van 26 januari 2017 aan [appellant] betekend, waarbij bevel is gedaan een bedrag van € 313.461,35 aan STB te betalen. Eerder had STB conservatoir beslag gelegd op drie percelen van [appellant] aan de [adres] te [plaats] , waarop zich de woning van [appellant] bevindt (de percelen worden hierna tezamen aangeduid als: de woning). Door de betekening van het vonnis heeft het conservatoir beslag op de woning executoriale kracht gekregen. NN heeft leningen verstrekt aan [appellant] , waarbij zij als zekerheid een recht van hypotheek op de woning heeft verkregen. Door middel van een aan STB gericht exploot van 14 februari 2017 heeft NN als hypotheekhouder de executie van STB overgenomen. 5. In november 2017 heeft STB een verzoekschrift als bedoeld in artikel 545 lid 1 Rv ingediend. STB heeft de voorzieningenrechter daarbij verzocht om een termijn te stellen van drie maanden, danwel een termijn in goede justitie te bepalen, waarbinnen NN òf tot (openbare) verkoop van de woning moet overgaan òf de onderhandse verkoop moet verzoeken. 6. [appellant] is in de procedure bij de voorzieningenrechter als belanghebbende partij verschenen. Hij heeft geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek van STB. [appellant] voerde daartoe aan dat verkoop van de woning zal resulteren in een aanzienlijke restschuld. Volgens [appellant] is de woning veel minder waard dan de hypotheekschuld bij NN. De woning vertoont namelijk vele ernstige gebreken. Ter onderbouwing daarvan heeft [appellant] verschillende rapporten overgelegd uit 2008 en 2009. Deze rapporten heeft hij in juni 2017 door Bouwkundig Teken Adviesbureau Albrandswaard laten beoordelen en actualiseren, en dit bureau schat de kosten van herstel van de gebreken op € 402.990,50. De taxateur die in opdracht van NN een taxatierapport heeft opgesteld, en die de marktwaarde van de woning per 12 mei 2017 taxeerde op € 775.000,-, heeft geen rekening gehouden met die kosten. Als daar wel rekening mee wordt gehouden, dan resteert na verkoop een forse schuld aan NN. STB heeft dan ook geen belang bij verkoop van de woning, zodat het verzoek van STB dient te worden afgewezen, aldus [appellant] . 7. De voorzieningenrechter heeft in haar tussenbeschikking van 16 juni 2017 overwogen dat bij de beoordeling van het verzoek van STB een belangenafweging moet plaatsvinden, waarbij zij aantekent dat de enkele omstandigheid dat verkoop tot een restschuld zal leiden niet zonder meer hoeft te leiden tot afwijzing van het verzoek. Na twee tussenbeschikkingen, waarbij de voorzieningenrechter partijen heeft gevraagd om stukken over te leggen en standpunten nader toe te lichten, is op 9 oktober 2017 eindbeschikking gewezen. De voorzieningenrechter heeft daarin onder meer overwogen dat de woning, bij een marktwaarde van € 775.000,- en een hypotheekschuld van € 668.723,68, overwaarde heeft. Ten aanzien de door [appellant] gestelde gebreken heeft de voorzieningenrechter het volgende overwogen. In de door [appellant] overgelegde kostenraming van juni 2017 worden de gebreken en de kosten van herstel niet onderbouwd en deze begroting laat zich bovendien moeilijk rijmen met de opmerkingen in het taxatierapport over de onderhoudstoestand en de te verwachten kosten voor direct noodzakelijk herstel van achterstallig onderhoud. Over de twee grote posten in de door [appellant] overgelegde lijst met gebreken, de te steile hellingbaan van de parkeergarage (herstelkosten € 133.500,- excl. BTW) en de waterlekkages (herstelkosten € 150.000,- excl. BTW), wordt in het taxatierapport vreemd genoeg helemaal niets opgemerkt. Ten aanzien van de door [appellant] overgelegde rapporten van 2008 en 2009 overweegt de voorzieningenrechter dat daaraan, in het licht van het veel recentere taxatierapport, weinig betekenis toekomt. Alles afwegend komt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat een belangenafweging in het nadeel van [appellant] moet uitvallen. Vervolgens heeft de voorzieningenrechter bepaald dat NN uiterlijk op 1 oktober 2018 tot verkoop of tot indiening van een verzoek tot onderhandse verkoop moet overgaan en dat STB bij overschrijding van deze termijn de executoriale verkoop mag voortzetten in haar hoedanigheid van eerste beslaglegger. 8. [appellant] heeft hoger beroep ingesteld. Artikel 545 lid 3 Rv bepaalt weliswaar dat geen hogere voorziening open staat, maar volgens [appellant] is in dit geval sprake van een doorbrekingsgrond. Hij voert daartoe het volgende aan: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.