GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling civiel, team familie Zaaknummer: 200.219.497/01 Rolnummer rechtbank: C/09/512541/HAZA16-663 arrest d.d. 8 mei 2018 inzake [de man] , wonende te [woonplaats] , appellant, hierna te noemen: de man, advocaat: mr. M. Erkens te Den Haag, tegen [de vrouw] , wonende te [woonplaats] , geïntimeerde, hierna te noemen: de vrouw, advocaat: mr D.H.J. Krouwel te Den Haag. Het geding De man is bij exploot van 12 juli 2017 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Den Haag van 17 mei 2017, gewezen tussen de vrouw als eiseres in conventie, tevens verweerder in reconventie en de man als gedaagde in conventie, tevens eiser in reconventie, hierna: het bestreden vonnis. Bij aanvullend vonnis van 13 september 2017 heeft de rechtbank Den Haag bepaald dat het bestreden vonnis voor wat betreft de veroordeling onder 5.1 uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard. Deze veroordeling luidt: “veroordeelt [de man] om, binnen één maand na de datum van het bestreden vonnis, zijn volledige medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van de woning aan de [volgt adres] en bepaalt dat dit vonnis, zo nodig, in de plaats treedt van de medewerking van [de man] aan deze verkoop en levering.” De man heeft ter rolzitting van het hof van 10 oktober 2017 een incidentele vordering tot schorsing van laatstgenoemde uitvoerbaar bij voorraadverklaring ingediend. Ter rolzitting van 24 oktober 2017 heeft de vrouw een memorie van antwoord in het incident, tevens memorie van antwoord, ingediend. Het hof heeft bij arrest van 28 november 2017 de vordering in het incident afgewezen. Bij rolbericht van 8 december 2012 heeft de vrouw nog in het geding gebracht een tussen partijen gewezen vonnis in kort geding van de rechtbank Den Haag van 30 november 2017 De zaak is op 30 maart 2018 bepleit door partijen. Van de zijde van de man is een pleitnota overgelegd. Van het verhandelde is proces-verbaal opgemaakt. Ter gelegenheid van het pleidooi is afgesproken arrest te wijzen op het ter gelegenheid van de comparitie aan het hof door mr. Erkens toegezonden dossier. Beoordeling van het hoger beroep 1. Kort weergegeven gaat het in deze zaak om het volgende. Partijen hebben een aantal jaren een affectieve relatie gehad en een gemeenschappelijke huishouding gevoerd. Op 23 november 2005 hebben zij een samenlevingsovereenkomst gesloten, waarin een bepaling is opgenomen over de gemeenschappelijk bewoonde woning. De feitelijke samenwoning is geëindigd op 20 december 2014. Partijen hadden daaraan voorafgaand afgesproken dat de gezamenlijke woning aan de [volgt adres] gezamenlijk bezit zal blijven en dat de man eenmalig € 25.000, - zal aflossen op de hypothecaire lening op het moment dat de vrouw de gezamenlijke woning verlaat. De vrouw heeft de woning op 20 december 2014 verlaten. De man heeft niet de afgesproken aflossing verricht. De vrouw wil tot verkoop van de woning overgaan en heeft dit in maart 2016 en april 2016 aan de man kenbaar gemaakt. De man heeft daar geen gehoor aan gegeven, waarop de vrouw een procedure tegen de man aanhangig heeft gemaakt die is uitgemond in het bestreden vonnis. 2. In het bestreden vonnis is de man – voor zover van belang – onder 5.1 veroordeeld om, binnen één maand na de datum van dit vonnis, zijn volledige medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van de woning aan de [volgt adres] en bepaald dat dit vonnis, zo nodig in de plaats treedt van de medewerking van de man aan deze verkoop en levering. 3. Bij aanvullend vonnis van - eerst - 13 september 2017 is – kort gezegd - bepaald dat in het dictum na nr. 5.3 van genoemd vonnis dient te worden toegevoegd: “verklaart dit vonnis wat betreft de veroordeling onder 5.1 uitvoerbaar bij voorraad”. 4. Het beroep van de man is enkel gericht tegen genoemde veroordeling onder 5.1. 5. Bij vonnis in kort geding van 30 november 2017 is de man veroordeeld om de door de vrouw voor de verkoop van de woning ingeschakelde makelaar op eerste aanvraag toegang te verlenen tot de woning, zulks op straffe van een dwangsom. 6. De woning is aan een derde verkocht en dient op 2 juli 2018 te worden geleverd. Ontvankelijkheid 7. Het hof ziet in het bepaalde in artikel 3:301 BW aanleiding eerst in te gaan op de ontvankelijkheid van het hoger beroep. De leden 1 en 2 daarvan luiden als volgt. Artikel 301 1. Een uitspraak waarvan de rechter heeft bepaald dat zij in de plaats treedt van een tot levering van een registergoed bestemde akte of van een deel van een zodanige akte, kan slechts in de openbare registers worden ingeschreven, indien zij is betekend aan degene die tot de levering werd veroordeeld, en a. in kracht van gewijsde is gegaan, of b. uitvoerbaar bij voorraad is en een termijn van veertien dagen of zoveel korter of langer als in de uitspraak is bepaald, sedert de betekening van de uitspraak is verstreken. 2. Verzet, hoger beroep en cassatie moeten op straffe van niet-ontvankelijkheid binnen acht dagen na het instellen van het rechtsmiddel worden ingeschreven in de registers, bedoeld in artikel 433 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. In afwijking van artikel 143 van dat wetboek begint de verzettermijn te lopen vanaf de betekening van het vonnis aan de veroordeelde, ook als de betekening niet aan hem in persoon geschiedt. 8. De rechter dient ambtshalve na te gaan of aan het voorschrift van lid 2 is voldaan. In onderhavig geval zou het daarbij moeten gaan om een inschrijving van het hoger beroep in het zogenaamde rechtsmiddelenregister van de rechtbank Den Haag. 9. Het hof constateert dat ten tijde van het instellen van onderhavig hoger beroep op 12 juli 2017 het vonnis van 17 mei 2017 niet voor inschrijving op de voet van artikel 3:89 lid 1 BW vatbaar is geweest. Immers, het bestreden vonnis is als gevolg van het ingestelde beroep niet in kracht van gewijsde gegaan (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.